Categorie archief: Overig

Infra als circulaire dienst: Het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel

Wegen, tunnels of bruggen die zo ontworpen zijn dat ze over enkele decennia hun waarde hebben behouden en weer als bouwstenen kunnen dienen voor nieuwe projecten. Dát is de circulaire gedachte. Maar een circulair project zal weinig kans van slagen hebben als de samenwerking in de keten nog conventioneel lineair georganiseerd is. Wat nu als opdrachtnemer en opdrachtgever sámen vaststellen hoe een project het beste uitgevoerd kan worden, en als de aannemer niet langer louter een weg als product oplevert, maar in plaats daarvan infrastructuur als een dienst aanbiedt: zou dat circulariteit kunnen bevorderen? In een achttal pilots in het programma ‘De Circulaire Weg’ staat die vraag centraal.


Door: Tijdo van der Zee, 8 oktober 2020

Gepubliceerd op: Circulairebouweconomie.nl

De Circulaire Weg ging vorig jaar al officieus van start met twee pilots, een in Overijssel en een in Noord-Brabant. Op donderdag 1 oktober was de officiële kickoff van het tweejarige programma. Bij deze online meeting deelden betrokkenen de eerste praktijkervaringen en bediscussieerden het concept van infra as a service (IAAS). Dagvoorzitter Frederike Noppers van de Circulaire Weg drukte daarbij wellicht het sentiment het beste uit: ‘Dit is in potentie een disruptieve innovatie, maar we gaan daar pas achter komen als we het samen in de praktijk gaan testen.

De Circulaire Weg is een initiatief van Dura Vermeer, dat hierin samenwerkt met Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam en daarnaast de Waterschapsbank, ABN Amro, Sweco en de TU Delft. ‘Circulariteit bereik je niet door alleen te focussen op de techniek’, zegt Karlijn Mol, manager Duurzaamheid bij Dura Vermeer en aanjager van het programma. ‘Door ook te kijken naar andere samenwerkingsvormen kan je de circulaire economie echt een versnelling geven.’ Inspiratiebron voor infra as a service is het contract uit 2015 tussen Philips en Schiphol, waarin Philips verlichting als een dienst aanbiedt, zegt Mol. ‘Die samenwerking heeft daar geleid tot significante energiebesparing en een langere levensduur.’ Dura Vermeer stelde zich toen de vraag: zou dit concept niet ook kunnen werken in de infra?

Circulaire wegverlichting

Eind 2019 mondde dat idee uit in een eerste concreet project. Over een traject van 17 kilometer op de N279 tussen Den Bosch en Veghel levert Dura Vermeer nu verlichting als een dienst aan de provincie Noord-Brabant. Mol: ‘Met technisch dienstverlener Hoeflake hebben we daar een systeem ontwikkeld waarbij de lichtintensiteit wordt aangepast aan de drukte op de weg. Daardoor is er altijd de hoeveelheid licht die je nodig hebt, tegen sterk gereduceerde energiekosten.’ In plaats van een standaard bestek met een programma van eisen, wordt in dit contract gewerkt met KPI’s (kritische prestatie indicatoren), waarbij Dura Vermeer zélf de vrijheid heeft om hier invulling aan te geven. ‘Dat resulteert dan in dit soort slimme innovaties’, zegt Mol.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service – foto: Sebastiaan Knot

Provincie doet ‘stapje terug’

Ook in Overijssel loopt een project. Daar kijken Dura Vermeer en de provincie of er een slimmere samenwerking mogelijk is voor het onderhoud aan de provinciale weg N739 tussen Haaksbergen en Hengelo. ‘We verwachten over een aantal weken het nieuwe contract te kunnen tekenen’, zegt Jan Spoelstra, programmamanager bij de provincie Overijssel. Dit nieuw type contract heeft inmiddels een naam: UAV-CE, waarbij CE staat voor Circulaire Economie (dit dan als aanvulling op de ‘standaard’ UAV, die de contractverhoudingen tussen opdrachtgever en aannemer regelt).

Net als in Noord-Brabant is het bij de N739 de bedoeling dat, zoals Spoelstra het noemt, de provincie een ‘stapje terug’ doet. ‘We gaan sturen en controleren op indicatoren, zoals veiligheid, doorstroming, leefomgeving en milieu.’ Dura Vermeer wordt dan economisch eigenaar van de weg – vanuit de wet blijft de provincie altijd juridisch eigenaar. Doordat Dura Vermeer het materiaal in zijn bezit krijgt, zal naar verwachting de prikkel groter zijn om extra goed voor de weg te zorgen. En daardoor zullen de onderdelen ook na de levensduur nog waarde hebben. Spoelstra: ‘Wij betalen dan aan Dura Vermeer een periodieke beschikbaarheidsvergoeding.’

Waardebepaling

Maar hoe hoog de verkoopwaarde van de weg is, dat is nog niet duidelijk. Momenteel werkt een aantal partijen aan een model om dat te kunnen bepalen, waarbij ook een inschatting gemaakt wordt van de waarde over een x-aantal jaar. Spoelstra: ‘Dat zal invloed hebben op de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding. Dat is het spel dat Dura Vermeer en de provincie momenteel spelen.’ Spoelstra is realistisch: de onderhandelingen over IAAS van de N739 kúnnen stranden. ‘Maar voor ons is deze pilot nu al waardevol. Door in een vroeg stadium met Dura Vermeer aan tafel te zitten, worden we uitgedaagd om buiten onze comfortzone te treden, in andere oplossingen te denken.’

Voorbeelden? Spoelstra somt op: ‘Een deklaag heeft vanuit de historie een bepaalde dikte. Maar is dat wel per se nodig? Kan het echt niet wat dunner, zodat je de materialen elders kan gebruiken? Nog een: kunnen we het maximum van 30 procent gerecycled asfalt loslaten met behoud van kwaliteit?’ Karlijn Mol van Dura Vermeer herkent dat beeld goed, zegt ze. ‘Dit is een heel andere manier van denken. Ook voor onze mensen is dit een uitdaging, en het gaat dan ook met horten en stoten.’ Het project in Overijssel is belangrijk, zegt Mol, omdat het hier gaat om een bestaande weg. ‘Bestaande wegen vormen 95 procent van de markt. Als je je alleen richt op nieuwe wegen, dan ga je geen vliegwieleffect krijgen.’

N739 Overijssel Road as a service Stephan Warmenhoven

N739, Pilot Overijssel: ‘Road as a Service’ – foto: Stephan Warmenhoven

Tijdelijke omleidingsweg: hoge restwaarde

In Amsterdam gaat binnenkort een derde pilot van start: een tijdelijke omleidingsweg. In het gebied van de Johan Cruijff ArenA worden voorbereidingen getroffen voor een Smart Mobility Hub. Dat is een knooppunt waar fiets, auto, touringcars en metro samenkomen. Die hub wordt gebouwd op de plek waar nu sportpark Strandvliet ligt. Het sportpark komt op het dak van het Smart Mobilty Hub weer terug in groter formaat, zegt projectleider Gé Smit. Om verschillende bestemmingen in de buurt bereikbaar te houden en om werkverkeer in goede banen te leiden, komt er over een lengte van bijna een kilometer een tijdelijke weg. ‘Voor ongeveer vijf jaar’, zegt Smit. In de Johan Cruijff ArenA vinden – mits de coronamaatregelen het toelaten – in 2021 vier voetbalwedstrijden voor het Europees Kampioenschap plaats. ‘Dan moet de weg af zijn.’

De gemeente Amsterdam heeft stevige circulaire ambities. In 2030 al wil de gemeente dat de hoeveelheid primaire grondstoffen is gehalveerd. Een tijdelijke weg leent zich goed voor een circulaire oplossing, zegt Smit, omdat het veel makkelijker is om de restwaarde van de grondstoffen te berekenen over vijf jaar dan over twintig jaar. Want wie weet hoe de mobiliteit van 2040 eruit ziet? Smit: ‘Als Dura Vermeer eigenaar is van de weg, geeft dit een sterke financiële stimulans om ook goed voor de weg te zorgen. Dan hebben we het dus over het sluiten van de grondstoffencirkel én van het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel.’

De academische blik

Waar gemeenten, provincies en Dura Vermeer infra as a service (IAAS) in de praktijk gaan testen, zetten onderzoekers aan de TU Delft zich aan academische vragen over het concept. ‘De belangrijkste onderzoeksvraag is: wat zijn de randvoorwaarden voor infra as a service om circulariteit te bevorderen’, zegt Daan Schraven, universitair docent Economie van de Civiele Infrastructuur aan de TU Delft. ‘In het huidige academische debat luidt dat As-a-Service-modellen circulariteit mogelijk maken, maar circulariteit gebeurt daarmee niet vanzelf.’ Een groot voordeel van IAAS voor de gww-aannemer is dat die de ‘ondernemersruimte’ zal benutten, vermoedt Schraven, om te investeren in assets en materialen die hun waarde behouden tot na de contractduur en bij nieuwe herbestemming.

Het is echter nog niet gezegd dat As a Service-modellen de nieuwe werkpraktijk worden. Er zijn nog mogelijke obstakels, zegt Schraven. ‘Bijvoorbeeld: As-a-Service-afspraken per object of sectie kunnen bij opschaling de nodige versnippering veroorzaken in het aantal contracten en aannemers voor een gebied. Het is belangrijk dat deze spanning wordt geadresseerd.’

Duurzaam verwarmen en koelen met smart grid WKO’s

In: Stadswerk Magazine, januari 2018

Koelen en verwarmen van kantoren en andere utiliteitsgebouwen met warmte en koude uit de bodem is een effectieve manier om energie te besparen. Nieuwe inzichten over hoe je de bodembronnen beter kan benutten, maken de keus voor een WKO-systeem (warmte-/koudeopslag) nog aantrekkelijker. Hoewel de gemeente niet de bevoegde vergunningverlener is voor WKO’s, dat is de provincie, hebben gemeenten wel een belangrijke rol als aanjager.

Op de campus van de Nijmeegse Radboud Universiteit liggen de gebouwen wat verscholen in het groen. Alleen de hoge Erasmus-toren steekt met gemak boven al het groen uit. Rond het jaar 2000 besloot het universiteitsbestuur om het diepe grondwater dat zich onder de campus bevond te gaan gebruiken voor het verwarmen en koelen van enkele studiegebouwen. Om dat water naar boven te krijgen werden tien brongaten geboord tot een diepte van ongeveer 50 meter, voor vijf warme bronnen en vijf koude bronnen. In de winter werden de warme bronnen aangesproken en in de zomer de koude bronnen.

Dubbelpijps

In theorie was dit een mooi model. Maar de praktijk pakte niet precies zo uit. De gebouwen bleken gedurende het jaar namelijk meer warmte nodig te hebben dan koude. En zo ontstond er een ongewenst koude-overschot. Daar kwam nog eens bij dat de bronpompen maar een paar pompstanden kenden en dus meestal harder pompten dan strikt noodzakelijk. Dat kon en moest beter. Al was het alleen maar omdat universiteiten zich in de Meerjarenafspraken hebben gecommitteerd aan een jaarlijkse energiebesparing van 2%, waarover wordt gerapporteerd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), zegt Toon Buiting, coördinator energiebeleid bij de Radboud Universiteit. “Sinds de optimalisering van ons WKO-systeem is het rendement op onze installatie verdubbeld”, zegt hij trots.

De ingreep die werd toegepast is even logisch als ingenieus. In plaats van een enkelpijpssysteem, dat water slechts in één richting laat stromen, werd een dubbelpijps systeem aangelegd, waardoor warmte en koude altijd beschikbaar zijn, ongeacht het seizoen. Niet het bronsysteem was nog leidend, met zijn seizoensinstelling, maar de energievraag uit de gebouwen zijn dat nu, het bronsysteem dient te volgen. Tegenwoordig wisselen op de Nijmeegse campus gebouwen bovengronds onderling warmte uit en is de ondergrondse WKO op momenten zelfs niet eens nodig. De volgende uitbreiding van het WKO-net zit er dan ook alweer aan te komen, zegt Buiting. “De markante Erasmustoren is over twee jaar aan de beurt.”

Niet optimaal

WKOs hadden  enige tijd geleden een minder goed imago. Om de werking van WKO’s te verbeteren heeft de overheid nieuwe regels aan de kwaliteit van bodemenergiesystemen voor ontwerp, aanleg en beheer gesteld. Hierdoor zijn de WKO-installaties nu efficiënt en betrouwbaar, zoals bovenstaand voorbeeld van de Radboud Universiteit illustreert.

Een paar honderd meter naast de WKO van de Radboud Universiteit is nóg een flinke WKO geïnstalleerd, bij het Universitair Medisch Centrum. Die is nu ongeveer vijf jaar in gebruik en is bij aanvang al ‘slim’ en flexibel ontworpen, zegt Els Sonnemans, strategisch adviseur energie van het Radboud UMC. Desalniettemin bleken wijzigingen in het bouwprogramma te leiden tot een warmteoverschot. Dat wordt aangepakt: “We gaan er nieuwe gebouwen op aansluiten die een warmtevraag hebben en we gaan water in de warmtapwaterleidingen tot 45 graden voorverwarmen met de warmte uit de WKO. Daarna verwarmen we het water verder tot 70 graden. Dat doen we conventioneel of misschien met een hoogtemperatuurwarmtepomp.”

Zowel de universiteit als het UMC in Nijmegen willen op termijn de capaciteit van hun WKO uitbreiden met extra bronnen, zeggen Buiting en Sonnemans. Om dit zo goed mogelijk te faciliteren heeft de gemeente Nijmegen drie jaar terug, samen met de universiteit, het UMC en de provincie , het in bodemenergie gespecialiseerde bedrijf IF Technology opdracht gegeven om precies in kaart te brengen wat de mogelijkheden en knelpunten hierbij zijn. Het probleem is namelijk dat de twee academische instituten niet als enige gebruik maken van de ondergrond daar ter plaatse: ten noorden zijn al twee andere WKO’s en het drinkwaterbedrijf Vitens gebruikt het zuidelijk deel van de bodem onder de campus als waterwingebied. De inventarisatie van IF Technology resulteerde in het informatieve rapport ‘Bodemenergieplan Campus Heyendaal, plan voor stimulering en ordening van bodemenergie’.

Momenteel onderzoekt Vitens de contouren waarbinnen het de komende 25 jaar water wil winnen en Buiting en Sonnemans zeggen dat hun organisaties wachten op de uitkomsten van dit onderzoek voor ze verdere plannen maken. Die uitkomsten zullen waarschijnlijk verwerkt worden in de nieuwe grenzen van het grondwaterbeschermingsgebied en wellicht ook in het bodemmasterplan van de gemeente. “Misschien betekent dit wel dat we moeten gaan boren buiten het campusgebied, in de publieke ruimte. In dat geval zullen we met de gemeente om tafel gaan zitten. Want zij zal aan moeten geven waar warme en koude putten geslagen kunnen worden.”

Van ster naar ring

Ook in de gemeente Utrecht staan WKO’s hoog op de agenda. De gemeente heeft zich opgeworpen als kennismakelaar en helpt initiatiefnemers met informatie over archeologische waarden en bodemverontreinigingen op de betreffende locatie. Ook tips over het goed inregelen van de WKO of over kansrijke allianties worden door de gemeente ruimhartig verstrekt.

Eén van de bekendere WKO’s in de stad is de WKO op de Uithof, de grote campus van de Universiteit Utrecht. Deze was oorspronkelijk ontworpen in een sterpatroon en seizoensgeregeld, zegt Fréderique Houben, hoofd van de afdeling Energie van de Universitaire Bestuursdienst en afgelopen november met haar team winnaar van de WKO Duurzaamheid Award. Ook hier heeft een flinke upgrade van het systeem plaatsgevonden, zo’n twee jaar geleden. \

“In plaats van een ster hebben we nu een ring, waarbij de gebouwen met elkaar verbonden zijn”, aldus Houben. Het nieuwe grid is ‘slim’, in de zin dat warmte en koude bínnen gebouwen met elkaar kan worden uitgewisseld (denk aan overtollige serverwarmte) en tússen gebouwen. De WKO komt alleen in actie als deze onderlinge uitwisseling niet toereikend is. De WKO als een soort buffer dus. Een speciaal voor de Uithof ontwikkeld bodemenergieplan – “daar zijn we best een beetje trots op” -dat precies in kaart brengt waar warme en waar koude bronnen gerealiseerd (kunnen) worden geeft de universiteit regie op de ondergrond en extra grip op de toekomstige ontwikkelingen.

Een WKO is een prachtig middel om energie te besparen en om de duurzaamheidsambities mede waar te maken, zo stellen Buiting, Sonnemans en Houben. Maar het is ook een complexe installatie, waar de juiste expertise voor aanwezig moet zijn. Gedeeltelijk komt die expertise van buiten. Sonnemans: “Het is belangrijk dat je al in een vroeg stadium experts bij het project betrekt en daarvan leert. Op die manier voorkom je kostbare fouten.” Dat is waar, zegt Houben, je moet niet meer willen doen dan je kan. “En als je de materie dan eigen heb gemaakt geldt, zeker voor grote organisaties als universiteiten, dat je de energiekennis in huis moet houden. Daarin investeren, zodat je niet om het minste incident meteen de adviseur hoeft te bellen.”

ECN in Eemshaven in ‘lastige situatie’

ECN heeft al een testveld voor turbines in de Wieringermeer in Noord-Holland. Dit ECN Windturbine Testpark Wieringermeer (EWTW) is operationeel sinds 2003. Hier draaien permanent 5 2,5 MW Nordex-turbines en verder is er plek voor vier prototype-turbines met een maximale ashoogte van 100 meter, met een vermogen van 6 MW. Zo werd in 2010 de komst op het park van de SWT-3.6 (3,6 MW) turbine van Siemens feestelijk onthaald. Dat was destijds de meest verkochte windturbine voor offshore windparken.

Maar met 100 meter ashoogte kom je er niet meer tegenwoordig. Daarom was ECN er op gebrand om bij Windpark Wieringermeer (in feite de herstructurering en uitbreiding van bestaande parken, waaronder het EWTW van ECN) te gaan voor hogere ashoogten. In het EWTW II is er de mogelijkheid van het testen van prototypes met een maximale ashoogte van 150 meter en een maximale rotordiameter van 175 meter. Inmiddels zijn er al twee nieuwe prototypes gebouwd en is de derde in aanbouw.

Dat is al mooi, zegt Rademakers, maar toch echt nog te weinig als je testen wil uitvoeren aan de offshore turbines die binnenkort de markt op komen. Daarbij komt dat de windturbines te groot worden om vanaf de IJsselmeerhaven bij Wieringerwerf te vervoeren. “Met een schoenlepel krijg je ze er wel in, maar het is een onhandige locatie.” Daarom is ECN al een jaar of vier in gesprek met de provincie Groningen om ten westen van de Eemshaven, vlak bij de Waddendijk, een testveld te bemachtigen waar het wel mogelijk is om drie à vier turbines van vermogens tussen 8 en 12 MW te testen.

“Omdat ECN zelf geen grondposities heeft in dit gebied zijn we [in 2014, red] een samenwerking aangegaan met Nuon en Eemswind”, laat Rademakers weten. Stichting Eemswind vertegenwoordigt de grondeigenaren in de Emmapolder en de Eemspolder. De hoop was dat het testveld in gebruik genomen had kunnen worden in “2016 of 2017, of bijvoorbeeld één locatie met een tijdelijke vergunning”. Maar de kans dat dit gebeurt is niet erg groot.

Want energiebedrijf RWE heeft net als Nuon cum sui het plan opgevat om Eemshaven West (100-130 MW) te ontwikkelen en deze bedrijven liggen in de clinch om de grondposities bij de Eemshaven. Volgens RWE, dat met windpark Westereems al vaste voet aan de grond heeft in de regio, hebben boeren hun grond twee keer verkocht: de ene hoek van hun land aan RWE en de andere hoek aan Nuon. De Duitse energiereus stapte in mei naar de rechter om de boeren te dagvaarden.

Het ministerie van Economische Zaken heeft Witteveen+Bos opdracht gegeven voor het uitvoeren van een milieueffectstudie (Mes) die duidelijk moet maken welk plan, dat van Nuon of RWE, de voorkeur geniet. “RWE wil windturbines realiseren in het profiel van de Waddenzeedijk. Nuon wil turbines vlak naast de Waddenzeedijk. Samen beschouwd staan de turbines te dicht op elkaar. Er moet dus gekozen worden tussen Nuon, RWE, een combinatie of een geheel nieuw alternatief. De Mes wordt uitgevoerd om gemotiveerd te kunnen reageren op de plannen van Nuon en RWE”, zo legt Economische Zaken het zelf uit. De bedoeling is dat er in maart een ‘voorkeursbeslissing’ wordt genomen. Dan komt er ook een besluit of er wel of geen Rijkscoördinatieregeling komt voor het gebied.

Maar ondertussen zit ECN “bij Nuon op de bagagedrager” en kan het niet veel anders dan wachten op een oplossing in deze “patstelling”, zegt Rademakers. “En dan moet nog het hele vergunningentraject worden opgestart. Het is vervelend.”

En opdrachten gaan aan de neus van ECN voorbij. “Adwen -voorheen Areva- heeft [eind 2014, red] met ons -ECN, Nuon, Eemswind-, de gemeente en de provincie onderzocht of en zo ja wanneer ze op het testveld van ECN een prototype van de 8MW turbine konden plaatsen. Helaas konden we toen geen perspectief bieden en zijn ze uitgeweken naar Bremerhaven”, laat Rademakers weten. In augustus van dit jaar begon in die Duitse haven inderdaad de bouw van het prototype van de 8 MW AD 8-180.

En terwijl we hier zitten te bakkeleien, gaan andere landen gewoon door met testen ontwikkelen van grote turbines. Rademakers geeft als voorbeeld Denemarken, waar begin deze maand het besluit werd genomen om het bestaande testveld Osterild uit te breiden “voor prototypes tot 300 meter tiphoogte”. Dus, lopen we hier in Nederland omzet mis? “Dat is wel waarschijnlijk.”

Wat is op dit moment voor ECN de beste strategie? “De ambitie van ECN is om dit testveld te realiseren samen met Nuon en Eemswind”, aldus Rademakers. En dat kan het best door “constructief met iedereen samen te werken om dit complexe probleem op te lossen”.

Slibverwerkers en AVI’s met reststoffen in hun maag

Slibverwerkers en afvalverwerkingsinstallaties (AVI’s) hebben problemen met de export van hun rookgasreinigingsresidu en vliegasassen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verleent hier geen vergunningen meer voor, als gevolg van een uitspraak van de Europese rechter. Binnenkort volgt een bodemprocedure bij de Raad van State.

Door: Tijdo van der Zee, op Energeia  7 september 2018

Sinds vorig jaar verstrekt het ministerie van IenW geen vergunningen meer voor de export van met kwik verontreinigd rookgasreinigingsresidu van AVI’s, biomassacentrales en slibverwerkers en vliegas van AVI’s.

De bedrijven (zoals HVC en Twence) zijn het hier niet mee eens en zijn een bodemprocedure begonnen bij de Raad van State. Zij kunnen hun schadelijke afval wel kwijt bij Mineralz op de Maasvlakte, maar ze vrezen capaciteitsproblemen. Export is volgens deze bedrijven essentieel.

“Toch heeft het ministerie het juiste besluit genomen”, zegt jurist Andre Gaastra, gespecialiseerd in milieurecht en advocaat voor één van de partijen in de zaak -hij laat in het midden welke. “Het afval werd gestort in Duitse zoutmijnen. Maar je mag daar op grond van de Europese jurisprudentie geen gevaarlijke stoffen in toepassen. Of dat nu boven de grond is of onder de grond.”

Geen nuttige toepassing

In 2010 wilde een Italiaans bedrijf, Edilizia Mastrodonato, gedurende twintig jaar een oude steengroeve volstorten met gevaarlijke afvalstoffen. De Italiaanse rechter wist niet goed hoe te handelen en vroeg het Europese Hof van Justitie in Luxemburg om raad. Dat concludeerde in 2016 in een arrest dat het opvullen van zo’n groeve niet kon worden gezien als nuttige toepassing van gevaarlijk afval.

Het is deze Europese uitspraak waar het ministerie nu aan vasthoudt. Ook in het nieuwe Landelijke Afvalbeheerplan staan talloze verwijzingen naar het Edilizia-arrest. Gaastra: “De staatssecretaris kan dus niet anders dan de vergunningen weigeren.”

Binnenkort dient een bodemprocedure bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stake over deze zaak. Tegen de uitspraak van de Raad van State is geen hoger beroep mogelijk. Ondertussen hoopten de afvalverwerkers op een tijdelijke vergunning, omdat ze anders misschien hun productie stil moeten leggen.

Maar staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Milieu, D66) ) heeft deze vrijdag besloten geen tijdelijke vergunning te verlenen om de tijd tot een uitspraak in de bodemprocedure te overbruggen. Wel wil ze meewerken aan een versnelde bodemprocedure.

Vernieuwde wko bij Nijmeegse universiteit is nu vooral een buffer

De warmte-koudeopslaginstallatie (wko) van de Radboud Universiteit in Nijmegen onderging vier jaar geleden een ingrijpende transformatie. Daarmee ging de efficiëntie omhoog en verminderde het koudeoverschot. De koude en warme bronnen fungeren nu vooral als een soort buffer, die bijspringt als de onderlinge uitwisseling tussen de gebouwen niet voldoet in de behoefte.

Tekst: Tijdo van der Zee
Dit artikel werd gepubliceerd in Gawalo op vrijdag 30 mei 2014

De Radboud Universiteit koos in 2003 voor een warmte-koudeopslagsysteem voor het nieuwe Huygensgebouw, waar de faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica zijn intrek nam. Het systeem werd gevoed door vijf warme en vijf koude bronnen van ongeveer vijftig meter diep met een debiet van maximaal 90 m3 per uur. Dat betekent een verwarmingscapaciteit van 4,5 MW en een koelvermogen van 8 MW. Enkele jaren later werd ook het Linnaeus-gebouw op het systeem aangesloten, waar ondersteunende diensten huizen zoals het Universitair Vastgoed Bedrijf.

Ontwerpfouten

Twee ‘ontwerpfouten’ van de installatie leidden echter tot een ondermaats presteren van de wko. Ten eerste was het systeem ingeregeld per seizoen. Dat betekent dat in de lente geput werd uit de koude bronnen. In de herfst schakelde het systeem om en werden de warme bronnen aangeboord. Dat maakte het systeem inflexibel: als een gebruiker koude nodig had in de winter, moest het systeem de koeltorens op het dak aanspreken. En bij benodigde warmte in de zomer, moesten de ketels bijspringen, zo legt Wim Kapel, energiecoördinator bij de Radboud Universiteit, uit. Een ander probleem was dat er geen toerenregelaars op de bronpompen waren geïnstalleerd. Dat betekende dat er alleen maar in grote stappen van telkens 90 m3 per uur kon worden bij- of afgeschakeld. Hierdoor werd er eigenlijk altijd teveel bronwater verpompt en dat leidde weer tot lage temperatuurverschillen tussen de koude en warme bronnen. Dit verschil was op een gegeven moment nauwelijks hoger dan 2 graden. Een bijkomende complicatie was dat de twee aangesloten gebouwen jaarlijks netto meer warmte vroegen dan koude, waardoor er uiteindelijk een koudeoverschot ontstond. Dat overschot bouwde zich in de jaren geleidelijk op. Een dieptepunt werd bereikt in de winter van 2011, toen het overschot piekte op 17.000 GJ. “Maar we hebben met de provincie afgesproken dat de balans in de bodem hersteld wordt en daarover rapporteren we ieder kwartaal”, aldus Kapel.

Buiten gebruik

De problemen die de Radboud Universiteit tegen kwam staan zeker niet op zichzelf. Dat wko’s in Nederland vaak niet optimaal presteren mag geen verrassing heten. Om een indicatie te geven van de omvang van het probleem een kleine statistiek van de Omgevingsdienst van het Noordzeekanaalgebied. Met de Wet Milieubeheer in de hand nam deze dienst wko’s van tientallen bedrijven in de regio onder de loep . In 85 procent van de gevallen is er “echt iets aan de hand is”, zo luidde de uitkomst. Zo’n 10 procent van de wko’s is zelfs helemaal buiten gebruik gesteld. Daar staat tegenover dat slechts 5 procent echt op orde is. Eind vorig jaar hield installatie-adviesbureau DWA in Bodegraven een wko-manifestatie. Daar stelde Patrick Teunissen, betrokken bij de wko-analyse in het Noordzeekanaalgebied, dat het tijd is om een boekwerk te publiceren met probleemgevallen. “Om lering uit te trekken. We hebben niets aan juichverhalen, als de schaduwkanten nooit belicht worden”, aldus Teunissen. Bij diezelfde manifestatie stelde DWA-directeur Hans Buitenhuis dat er lang verkeerd gekeken is naar wko’s. Vaak is de installatie de basis en allesbepalende factor van het klimaatsysteem in een gebouw. Buitenhuis wil deze zienswijze omdraaien en hij pleit dan ook voor een ‘integrale aanpak’ bij gebouwen. Daarbij worden de gebouwschil, het afgiftesysteem, de energiecentrale met wko en de ondergrondse opslag integraal in het ontwerp meegenomen. Kern van dit denken is dat de wko reageert op de energievraag van het gebouw en niet andersom. “De onderlinge samenhang tussen de elementen wordt hierbij nadrukkelijk van meet af aan meegenomen in ontwerp en in de uitvoering”, aldus Buitenhuis. Volgens Buitenhuis was de Radboud Universiteit met zijn seizoensgeregelde wko eerder uitzondering dan regel. “Zulke wko’s worden nauwelijks meer toegepast in de utiliteitsbouw. Het is toch echt wel gebruikelijk dat een koel-verwarmingscentrale met wko reageert op de vraag naar koude of warmte.” Overigens kan een seizoensgeregelde wko voor bijvoorbeeld middelbare scholen een prima oplossing zijn, zegt Buitenhuis: “Maar voor grootschaliger gebouwen met allerlei functies erin, moet je er als ontwerper rekening mee houden dat het gebouw op elk moment in het jaar warmte of koude kan vragen. Daar moet je dan ook het geschikte systeemconcept met wko bij selecteren en uitwerken.”

Twee ontwerpfouten van de installatie leidden tot ondermaats presteren van het wko-systeem van de Radboud Universiteit in Nijmegen. (Foto: Radboud Universiteit Nijmegen)

Maatregelen

Terug naar de Radboud Universiteit. In 2011 kreeg Installatieadviesbureau Deerns daar de opdracht om een systeem te engineeren dat beter werkt dan het oude. Imtech werd in het vervolgtraject verantwoordelijk voor de werktuigbouwkundige installaties en voor de meet- en regeltechnische installaties. De beperkte regelbaarheid van de wko werd teruggebracht. De bronnen zijn nu onderdeel geworden van een campusbreed energiesysteem, waarbij gewillig wordt gereageerd op de vraag van de aangesloten gebouwen. Drie maatregelen hebben de wko weer zover gekregen dat er plezier aan te bele

ven is, zo blijkt duidelijk uit de rondleiding die Wim Kapel langs de vernieuwde installaties geeft. Ten eerste is de seizoensinstelling losgelaten. Voorheen stroomde het water in één richting, afhankelijk van het seizoen. Om gelijktijdig van warmte en koude gebruik te kunnen maken, is er een tweepijpssysteem geïnstalleerd: een warme en een koude leiding. Daarbij bepaalt het gebouw door middel van een nieuwe pomp (geplaatst op de plek waar eerst een ketel gepland stond) van welke leiding het gebruik wil maken. De pompe

n bij de bronnen reageren desgewenst op de vraag uit de gebouwen door water in de bodem te injecteren dan wel eruit te onttrekken.

Op deze manier houdt het systeem zichzelf op druk. Maatregel twee is het toevoegen van toerenregelaars bij de bronpompen. Hierdoor kan er elke gewenste hoeveelheid water de bodem in dan wel uit, wat de efficiëntie verhoogt. Voor deze maatregel was het ook nodig om een regelafsluiter in combinatie met een drukhandhavingstoestel te plaatsen. Door deze combinatie kan het debiet over de bronnen gelijk verdeeld worden en ontstaat er geen drukverschil voor en achter de regelafsluiter, waardoor cavitatie (gasvorming) op zou kunnen treden, die de werking van het systeem aantast. Met bovengenoemde maatregelen werd de bruikbaarheid en efficiëntie van de wko wellicht verbeterd, maar het probleem van de onbalans werd er nauwelijks mee opgelost. Een uitkomst was dan ook de aansluiting van het HFML-gebouw, waarin het magenetenlab is gevestigd, in de zomer van 2012. Deze magneten moeten hun warmte kwijt. Die werd eerst afgefakkeld op het dak, maar kan nu in de leidingen geïnjecteerd worden.

Koudeoverschot

Door de toevoeging van het magnetenlab in het wko-netwerk, werd het ook mogelijk voor de gebouwen om hun warmte en koude onderling uit te wisselen, een mogelijkheid die inmiddels uitbundig benut wordt. Bij tijd en wijle hoeven de bronpompen zelfs helemaal niet te werken. Ze fungeren meer en meer als een soort buffer, die bijspringt als de onderlinge uitwisseling tussen de gebouwen niet voldoet in de behoefte. De koeltorens op het dak van het HFML-gebouw kunnen desgewenst ingezet worden om periodieke balans van de bronnen te bewerkstelligen. Inmiddels is het temperatuurverschil tussen de bronnen opgelopen naar 7 graden. Met die balans gaat het inmiddels redelijk de

goede kant op. Het grote koudeoverschot dat in tien jaar tijd is ontstaan zal de komende jaren niet onmiddellijk zijn weggewerkt, maar de Radboud Universiteit is er wel in geslaagd het niet verder te laten oplopen. Door nieuwe overheidsregels is een koudeoverschot sinds juli 2013 ook voor grote open systemen in principe toegestaan. De universiteit heeft afgesproken met de provincie Gelderland dat de balans in 2015 binnen de vergunningsgrenzen zal blijven

Nieuw gebouw

Dit jaar komt er een nieuw gebouw gereed op de Nijmeegse campus: het Grotiusgebouw voor de faculteit rechten. Ook dit gebouw krijgt een aansluiting op de warmte- en koudeleidingen op het terrein. De vraag rijst wel of dit gebouw, dat een netto warmtevraag zal hebben, de onbalans weer groter zal maken. Volgens Wim Kapel kunnen de warmte van de magneten en de inzet van (dry)koelers de energiebalans in evenwicht brengen, ook bij toevoeging van nieuwe gebouwen. “Het koudeoverschot is nu nog niet opgeheven. Dit jaar gaan we hier mee verder. Maar de ontwikkelingen brengen we eerst graag naar de provincie.”

 

Ypenburgse warmtepomp levert warmte terug aan net van Eneco

Een warmtepomp in de Haagse wijk Ypenburg heeft afgelopen weekend warmte teruggeleverd aan het warmtenet van Eneco. De eigenaar van de warmtepomp wilde hiermee aantonen dat warmtenetten, net als het elektriciteitsnet, kunnen worden verduurzaamd door van consumenten prosumenten te maken.

Door: Tijdo van der Zee, in Energeia, 14 november 2016

Het fotootje van de warmtemeter van Landis + Gyr leverde op Twitter het bewijs: op dat moment registreerde de meter een negatieve warmte van -1,1 kW. Het gaat om de warmtemeter in de woning van Ardo de Graaf, eigenaar van installatiebedrijf Augustus Warmte en betrokken bij Bewoners Platform Ypenburg. “Mijn woning had op dat moment maar 4 kW aan warmte nodig, terwijl ik een warmtepomp heb van 5 kW. Dus ik kon ongeveer 1 kW aan warmte terugleveren.”

De Graaf koos bewust een koude dag uit (“het vroor”), omdat op koude dagen de warmtepomp hard moet draaien om het huis te verwarmen. Als er op deze piekmomenten nog capaciteit overblijft, dan weet je zeker dat dit ook bij minder koude dagen het geval is.

De Graaf heeft een Techneco lucht/waterwarmtepomp van 5 kW in zijn woning geïnstalleerd die de ruimteverwarming voor zijn rekening neemt. Het warme tapwater wordt geleverd door het warmtenet. Maar de warmtepomp is nog niet losgesneden van de retourleiding van het warmtenet en leverde dit weekend via deze leiding warmte van ongeveer 50 graden terug Eneco’s warmtenet. Dat betekent dat Eneco’s warmtekrachtkoppelingsinstallatie (wkk) minder hard hoeft te worden opgestookt om het retourwater weer op temperatuur te krijgen. De Graaf is op dit moment bezig om zijn systeem te patenteren.

Bewoners Platform Ypenburg en Eneco werken sinds juni vorig jaar samen in de zoektocht naar duurzamere warmtebronnen. In het persbericht werden toen biomassa, aardwarmte en zonnecollectoren genoemd. Warmtepompen kwamen niet in het verhaal voor. En warmtepompen zijn ook niet per definitie duurzaam, want ze gebruiken stroom uit het net om warmte op te wekken. Maar De Graaf heeft het volste vertrouwen dat de elektriciteitsvoorziening snel zal vergroenen.

Terugleveren heeft alleen zin als je de warmte kan salderen. De Graaf weet nog niet of de warmtemeter in zijn huis kan terugtellen. Dat moet binnenkort blijken. Maar dat is een kwestie van techniek. Grotere belemmeringen zullen zich voordoen op het wettelijke vlak. In de warmtewet wordt geen rekening gehouden met terugleveren, zegt Miriam van Ee, warmtewetkenner bij advocatenkantoor Eversheds. “Dit zit niet in de huidige warmtewet en ook niet in het concept-wetsvoorstel voor de herziene Warmtewet.” Volgens Van Ee zullen ‘prosumenten’ met “hun energieleverancier aan de slag moeten” om een regeling te treffen. Dat kan, zegt ze, zonder dat je daar de wet bij hoeft te betrekken.

Eventuele uitwerking van een salderingsregeling voor warmtenetten zal uiteraard parallellen vertonen met die regeling voor elektriciteitsnetten, zegt Van Ee, maar ook verschillen. “Bij het elektriciteitsnet saldeer je zowel de elektriciteitsprijzen als de belastingen. Bij warmtenetten gaat dat niet, omdat er geen energiebelasting over de warmte geheven wordt.” Van Ee vermoedt dat warmtenetexploitanten niet op terugleveraars zitten te wachten, omdat warmtenetbeheerders meestal ook producent zijn en andere invoeders hun “dure warmtenetten minder rendabel” zullen maken.

Warmtenetklanten betalen zowel vastrecht als voor de geleverde energie. Maar volgens Ardo de Graaf weerspiegelt deze berekening niet de exacte kosten die voor het netbeheer en de energie gemaakt worden. “Omdat netbeheerder en leverancier dezelfde partij is” hebben exploitanten geen reden om die kosten precies uit te splitsen. Maar zodra er teruggeleverd gaat worden, dan moet dit natuurlijk wel gebeuren. “Ik pleit er al sinds 2007 voor dat consumenten van warmte ook producenten kunnen zijn, maar tot nu toe komt er niets van terecht.” Hij vervolgt: “Bij het elektriciteitsnet kan het nu, maar we hebben daar jaren over moeten discussiëren. Laten we die discussie nu niet overdoen, maar gebruiken wat we van die discussies hebben geleerd.”

Eneco laat weten dat de warmteteruglevering niet onder de afspraken met Bewoners Platform Ypenburg valt. Woordvoerder Arie Spruit: “Dat heeft hij [De Graaf, red] vanuit zijn eigen interesse en expertise gedaan, niet vanuit het convenant. Het tekent zijn grote betrokkenheid. De uitdaging is echter groter dan één moment van teruglevering: we willen weten hoe we meerdere duurzame bronnen continu terug kunnen laten leveren binnen de geldende juridische en wettelijke kaders. Het uitgangspunt is op zichzelf simpel, maar dat is de uitwerking ervan niet.”

Testfaciliteit simuleert energiepieken

Het stedelijke elektriciteitsnetwerk is echter niet op deze veranderende energiestromen ingericht. Zo kan het in de toekomst gebeuren dat op een winderige dag windmolens zoveel elektriciteit produceren dat het elektriciteitsnet het niet aankan. Of dat in een buurt zoveel zonnepanelen op de daken liggen dat de zekeringen in het trafohuisje doorbranden. Dat dit geen theorie is maar écht zo in de praktijk kan uitpakken, werd vorig jaar april bewezen in Lochem. Daar werden in enkele straten bij wijze van proef alle elektrische auto’s tegelijkertijd opgeladen en ging ook nog eens in twintig woningen de oven aan om een pizza af te bakken. Dat bleek te veel: de buurt zat voor even in het donker.

‘Om overbelasting te voorkomen kun je het netwerk verzwaren, of je kunt slimmer met elektriciteit omgaan door vraagsturing toe te passen. Bijvoorbeeld door het dynamisch laden van elektrische auto’s’, stelt Hans de Heer, principal consultant Smart Energy bij energieconsultancybureau DNV GL. Eind 2013 won DNV GL (toen nog DNV KEMA geheten), samen met ICT Automatisering, de TU Eindhoven, de Vlaamse onderzoeksinstelling VITO, het Groningse energie-instituut EnTranCe en TNO, een tender binnen de Topsector Energieregeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om een testfaciliteit te bouwen. In deze faciliteit kan worden gesimuleerd welke effecten verschillende duurzame toekomstscenario’s hebben op het elektriciteitsnet.

Deze testfaciliteit, het International Test and Simulation Facility (ITSF), is geen fysiek laboratorium, maar een softwareprogramma dat zijn rekenkracht in de cloud heeft zitten. Het programma kan rekenen aan het laagspanningsnet, waar de woningen op zijn aangesloten, en het middenspanningsnet (inclusief de transformatorhuishuisjes die de schakel zijn tussen deze twee netten). Onlangs werd een eerste test afgerond in de gemeente Hellevoetsluis. De Heer: ‘We hebben hier nog geen scenario’s gesimuleerd. Deze test was bedoeld om te controleren of ons systeem werkt. Het gaat in een middelgrote gemeente als Hellevoetsluis namelijk al snel om tienduizenden elektrische apparaten. Wij hebben in Hellevoetsluis aangetoond dat het ITSF dit aankan.’

De Heer: ‘Het ITSF levert het inzicht dat nodig is voor zowel de netbeheerder als de gemeente om goed geïnformeerde beslissingen te nemen. De verkregen data kunnen daarnaast visualisaties opleveren. Beleidsmakers of burgers kunnen dan precies zien in welke buurten en bij welk scenario het elektriciteitsnet overbelast kan raken. Plekken met congestie lichten dan rood op.’ Essentieel bij deze simulaties is wel dat de elektriciteitsnetwerken tot in detail in kaart zijn gebracht. Dat blijkt niet altijd het geval. ‘In grotere steden, met vaak wat oudere netwerken, ontbreekt nog wel eens de juiste informatie.’

Een betrouwbaar elektriciteitsnet is de verantwoordelijkheid van de netbeheerder. Vragen en oplossingen over netverzwaring of smart grids worden dan ook in eerste instantie daar genomen. Maar gemeenten spelen eveneens een grote rol. Bijvoorbeeld op het gebied van het stimuleren van inwoners voor elektrische auto’s of bij de toewijzing van een locatie van een buurtbatterij die lokaal geproduceerde elektriciteit tijdelijk kan opslaan. ‘Het ITSF geeft gemeenten de mogelijkheid te anticiperen op de duurzame ontwikkelingen’, zegt De Heer.

Hij voegt eraan toe dat het tijdperk van de buurtbatterij nog niet echt is aangebroken in Nederland. ‘We hebben nu nog niet heel veel duurzame energie, dus ook nog niet zo veel last van volatiliteit in de elektriciteitsmarkt. Daarnaast hebben we in Nederland flexibele gascentrales die schommelingen vrij goed kunnen opvangen. Dit, gecombineerd met de huidige lage elektriciteitsprijs, maken de businesscase voor bedrijven die flexibele energiediensten willen leveren nog wat dunnetjes.’

Het consortium heeft besloten om naast de softwarefaciliteit een fysieke ruimte in te richten voor het ITSF. Dit ‘ITSF-loket’ wordt binnenkort geopend op het terrein van EnTranCe in Groningen. ‘Dan kunnen we meer visualiseren en wordt het tastbaarder waarvoor het ITSF precies kan worden gebruikt’, aldus De Heer.

 

Vandebron wil laatste kolencentrale Nuon ombouwen tot speeltuin

Voor de verandering werd ik als journalist eens zélf geïnterviewd, over de Hemweg-actie van Vandebron. Hieronder het artikel van 23 maart 2017.

https://nos.nl/op3/artikel/2164641-vandebron-wil-laatste-kolencentrale-nuon-ombouwen-tot-speeltuin.html 

Wat doe je als duurzame energieleverancier als het sluiten van een kolencentrale in jouw ogen te lang duurt? Dan probeer je een van die vervuilende fabrieken zelf te kopen.

Dat bedacht het groene energiebedrijf Vandebron. “Als ondernemers proberen wij het verschil te maken. Toen we hoorden dat Nuon van zijn kolencentrale in Amsterdam af wilde, besloten we zelf een bod te doen”, zegt Aart van Veller, een van de oprichters.

Vandebron biedt een miljoen euro voor de centrale aan de Hemweg, een schijntje in de dure energiesector. “Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus”, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee.

Nuon accepteert het bod van Vandebron niet. “We beschouwen het als een stuntbod”, zegt woordvoerder Gijsbert Siertsema. Vandebron wil de centrale teruggeven aan de stad Amsterdam. “We willen het ombouwen tot iets waar iedereen iets aan heeft, bijvoorbeeld een binnenspeeltuin”, zegt Van Veller.

Nuon zegt dat het bedrijf overweegt om de centrale te sluiten. Maar wil niet zeggen wat er daarna mee gaat gebeuren en of zo’n binnenspeeltuin een goed idee is. “We zijn continue in gesprek met de overheid. We gaan verder niet in op wat er met de centrale zou moeten gebeuren”, aldus Siertsema.

Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besloten wij te helpen.

Aart van Veller

De Hemwegcentrale is de laatste van Nuon in Nederland. Vorig jaar maakte de energieleverancier bekend dat ze hem graag sluiten, maar daar wel compensatie voor willen. Er werken nu namelijk 200 mensen en er zijn kosten verbonden aan het sluiten van zo’n fabriek. Nuon vroeg de overheid om hulp, maar kreeg die tot nu toe niet.

“De kolencentrale zorgt voor sterke vervuiling van de stad, de lucht en de natuur. Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besluiten wij te helpen”, zegt Van Veller. Hij is bang dat de centrale anders aan een partij wordt doorverkocht die kan blijven doorstoken.

Het bod van een miljoen euro is gebaseerd op een schatting. Het verbaast Van Veller dan ook dat Nuon hun bod niet serieus neemt. “Dit is absoluut geen stuntbod. Over twaalf jaar zijn alle kolencentrales dicht. Wie wil er dan nu zo’n centrale kopen op dit moment? We hebben het als serieus bod neergelegd. Nuon zegt niet wat ze er wel voor willen hebben, maar wat is dan wel de waarde van zo’n ding?” Vandebron financiert het bedrag met hulp van investeerders.

Leuk bedacht, maar hoe haalbaar is het?

In principe is het geen slecht idee, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee. “Toen vorig jaar duidelijk werd dat Nuon geen subsidie kreeg om biomassa in de centrale bij te stoken, was het einde verhaal. Eigenlijk hint het bedrijf al sinds 2011 op sluiting of verkoop.”

Maar hij zet er ook heel wat vraagtekens bij. “Als je kijkt naar hoeveel geld er gemoeid is bij een kolencentrale, is een miljoen niet veel. Nuon heeft recentelijk bijvoorbeeld nog een nieuw besturingssysteem voor die centrale aanbesteed en dat liep al in de miljoenen.”

Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus.

Energiejournalist Tijdo van der Zee

Daarnaast spelen gederfde inkomsten ook een rol, zegt hij. “Die centrale zou in principe nog wel vijftien jaar meekunnen, dus Nuon loopt dan veel geld mis.”

Vandebron ziet graag dat Nuon het miljoen gebruikt om een regeling te treffen met het personeel. Het is nog maar de vraag of dat bedrag volstaat. “En bij verkoop van een centrale zijn ook de ontmantelingskosten erg belangrijk”, zegt Van der Zee. “Wie die gaat dragen zal bepalend zijn of Nuon wil doorpraten.”

Of Nuon het uit handen wil geven is ook nog de vraag. “Op hetzelfde terrein staat ook een moderne gascentrale. Als ze zelf ontmantelen, kunnen ze misschien nog materiaal doorverkopen. Er staat vaak een kapitaal aan oud ijzer en machines in zo’n centrale.”

En die speeltuin dan? Geen goed idee, vindt Van der Zee. “Er zitten bij zo’n kolencentrale vaak heel wat giftige stoffen in de grond.” Van Veller spreekt dat tegen. “Deze centrale is in 1995 gebouwd, onder strenge milieu-eisen. Maar een speeltuin is ook maar het eerste idee. We willen met de gemeente een goede bestemming kiezen, iets waar de Amsterdammers plezier aan beleven.”

Nu Nuon het bod niet heeft geaccepteerd, is het onduidelijk of de speeltuin er komen gaat. “We gaan ons nu beraden wat we gaan doen”, zegt Van Veller. “Dit is zeker nog niet afgelopen.”

Biogas uit afvalwaterzuivering terug naar papierfabriek

In: Energeia, 8 juli, 2015

In het Gelderse Eerbeek is de aanleg begonnen van een drie kilometer lange waterleiding en gasleiding van afvalwaterzuiveringsinstallatie IWE naar papierfabriek DS Smith Paper. Het biogas en het schone industriewater kunnen worden gebruikt in het productieproces van de fabriek. Het Alliander-plan om het biogas te gebruiken in honderden vakantiewoningen is daarmee -voorlopig in ieder geval- van de baan.

IWE staat voor Industriewater Eerbeek. Het bedrijf is een samenwerkingsverband van drie papierfabrieken in de buurt, te weten DS Smith Paper en verder Papierfabriek ‘Coldenhove’ en Mayr-Melnhof Eerbeek. IWE verwerkt het afvalwater dat bij de productie van papier vrijkomt. Bij het zuiveren van het water wordt jaarlijks tussen de 3,5 en 5 miljoen kuub aardgasequivalenten biogas geproduceerd, dat IWE nu nog verbrandt in twee MTU-gasturbines, die er elektriciteit van maken. “Maar hier gaat veel energie verloren. Als ik een rendement haal van 35% mag ik blij zijn. De rest vliegt als warmte de lucht in”, zegt IWE-directeur Walter Hulshof.

Met Alliander Duurzame Gebiedsontwikkeling (DGO) en Atag werd in 2013 het plan opgevat om het biogas een ‘Bionet’ in te sturen. Op dat net zouden dan driehonderd tot vierhonderd vakantiewoningen kunnen worden aangesloten, die met het biogas overweg kunnen door het te Lees verder Biogas uit afvalwaterzuivering terug naar papierfabriek

Warmtepompendrama in nieuwbouwwijk Dongen

Bewoners van nieuwbouwwijk De Beljaart in Dongen kampten jarenlang met een gebrekkige energievoorziening. Gemeente Dongen ligt nu in de clinch met Stewitech Duurzaam, dat de systemen installeerde. Een second opinion die de gemeente liet uitvoeren werpt een gedetailleerd inkijkje in wat er mis ging. Maar oplossingen zijn nog niet direct voorhanden.

Tekst Tijdo van der Zee | in GAWALO februari 2017

De Beljaart is een nieuwbouwwijk waarin de gemeente Dongen hoge duurzaamheidsambities heeft uitgesproken. De wijk werd opgeleverd in verschillende fases. In Fase I gaat het om 137 woningen die zijn aangesloten op een collectief warmte-koudeopslagsysteem (wko-systeem). Een centrale warmtepomp levert vervolgens warmte, koude en warm tapwater dat via drie afzonderlijke leidingen naar de woningen wordt getransporteerd. Dit systeem werd opgeleverd door Nuon, maar werd in 2015 verkocht aan Greenspread. Volgens Tom Sloots, operationeel manager bij Greenspread, heeft Nuon, voordat het systeem werd overgedragen, de nodige verbeteringen doorgevoerd, waardoor klachten verholpen werden. Lees verder Warmtepompendrama in nieuwbouwwijk Dongen