Philomena Bluyssen: ‘Met alleen kennis van ventilatie kom je er niet’

Philomena Bluyssen heeft het druk. Sinds begin dit jaar houdt de hoogleraar Binnenmilieu van de TU Delft zich bijna alleen nog bezig met het coronavirus. Hoe verschrikkelijk de coronacrisis ook is, er zitten positieve kanten aan. Plotseling staat luchtkwaliteit volop in de maatschappelijke belangstelling en weten academici van verschillende vakgebieden elkaar te vinden.

Auteur: Tijdo van der Zee
In: TVVL Magazine #5, okt 2020
Foto: Christiaan Krop

Begin juli plaatste de TU Delft een zwart-witfilmpje op Youtube, waarin een proefpersoon met mondkapje, zittend in een stoel, wordt blootgesteld aan een wolk van aerosolen. Het filmpje ging de hele wereld over. In Nederland kwam het voorbij in RTL nieuws, het NOS Journaal, bij Nieuwsuur en 1Vandaag. De proefpersoon, zo valt te zien, typt ondertussen druk op haar telefoon. “Ik was mijn mails aan het lezen en beantwoorden”, zegt Philomena – Philo – Bluyssen.

De proefpersoon was dus Bluyssen zelf. En het proeflokaal was een van de vijf ruimtes van het SenseLab, het laboratorium waar zij en haar vakgroep experimenten uitvoeren die gaan over de wisselwerking tussen het binnenmilieu en de gebruikers van een ruimte. “Het filmpje laat niets aan de verbeelding over. Of je nou anderhalve meter afstand in acht neemt of niet, in slecht geventileerde ruimtes ademen gebruikers elkaars uitgeademde lucht in.”

Bluyssen en haar collega’s zijn de verzamelde data op dit moment aan het analyseren – de resultaten zijn als het goed is op korte termijn te lezen in Environment International, Indoor Air of Building and Environment. Maar eigenlijk, zegt ze, was het filmpje voornamelijk bedoeld voor bewustwording bij het publiek en beleidsmakers. In de academische wereld twijfelt namelijk niemand aan het bestaan van aerosolenwolken in slecht geventileerde ruimtes met meerdere personen. Maar om anderen – leken – te overtuigen was er meer
nodig dan alleen een sterk pleidooi in woord. Een krachtig beeld. “Stel je een kind voor dat in het zwembad plast. Daar kan je je goed een beeld bij vormen, maar als het in de lucht gebeurt, dan kunnen we ons daar veel minder goed een voorstelling bij maken. Terwijl aerosolen zich op eenzelfde manier door de lucht verspreiden. Daarom bouwden we een opstelling met zeepbellen die aerosolen simuleren, zodat mensen echt konden zien hoe die aerosolen zich gedragen.”

Artikel gaat verder onder de foto.

En heeft de film effect gehad? Officieel is het RIVM nog niet overstag
“Volgens mij is het bij RIVM ook een grijs gebied geworden. En niet voor niks is er sinds augustus een Landelijk Coördinatieteam Ventilatie op Scholen onder leiding van Doekle Tepstra.”

Kan je vertellen hoe de bellen-opstelling eruit zag?
“We hebben dat onderzoek opgezet samen met de faculteit Lucht- en Ruimtevaarttechniek. Zij hebben de zeepbellenmachine aan ons geleend, waarmee we aerosolen simuleerden. Die werden uitgeademd door een kunsthoofd, gemaakt bij de faculteit Bouwkunde, dat was gekoppeld aan een ventilator, ontwikkeld door de faculteit 3ME [faculteit Werktuigbouwkunde, Maritieme Techniek & Technische Materiaalwetenschappen, red.]. Dit was allemaal nieuw. Niet eerder zijn deze technieken op deze manier toegepast om te simuleren hoe ventilatie werkt.

In ons SenseLab kunnen we drie soorten ventilatie toepassen: mengventilatie, verdringingsventilatie, natuurlijke ventilatie (ramen openen) en spuiventilatie, waarbij je deuren en ramen tegenover elkaar openzet. Als je de mengventilatie zo hoog mogelijk zet, dan levert dat heel goede resultaten op. Spuiventilatie ook, maar dan moeten de gebruikers wel een paar minuten de ruimte uit, omdat anders besmette lucht langs niet-besmette personen kan stromen.”

En kan je met verdringingsventilatie goed je aerosolen weg ventileren?
“Dat hebben we helaas niet goed kunnen testen. Die methode werkt op basis van opwarming van de opstijgende lucht door de gebruikers van de ruimte, maar vanwege corona konden we geen vijftien mensen in de ruimte neerzetten. Je zou dat wel kunnen simuleren met manikins, neppersonen die kunnen ademen en warmte maken, maar de faculteit heeft geen geld voor vijftien manikins.”

Wat is dan de hypothese rond verdringingsventilatie?
“Dat de lucht met de thermische pluim die rond mensen hangt naar boven gaat. Dat zou dus een ideale methode zijn, ware het niet dat je ook druppels uitademt die wat groter zijn. Normaal zouden die landen, maar door de warmte en de relatieve droge lucht in de ruimte ten opzichte van de luchtvochtigheid in de mond, verdampen die druppels gedeeltelijk, waardoor ze zoveel gewicht verliezen dat ze langer blijven zweven en door de volgende persoon zouden kunnen worden ingeademd. In theorie – en fysisch – is dit zo, maar wij zouden dat heel graag kunnen laten zien.”

Wat zijn het eigenlijk voor een bellen die die bellenmaker maakt?
“Het zijn bellen met een doorsnede van 0,3 mm die zijn gemaakt van zeep en water, gevuld met lucht.”

Er is dan toch wel een verschil met aerosolen, want die kunnen een doorsnede hebben die een factor 100 kleiner zijn, en zijn gevuld met water in plaats van lucht. Zijn ze wel vergelijkbaar?
“Ja, omdat ze zich in lucht net zo gedragen als een aerosol. Ik heb dat niet hoeven te bewijzen, het is een techniek die al heel lang bestaat. In de vliegtuigbouw vullen ze de bellen vaak met helium, maar wij hebben lucht gebruikt, omdat dat wat zwaarder is en beter uitademing simuleert.”

Afgezien van het publicitaire gebruik van het filmpje, kan je er wetenschappelijk ook iets mee?
“De camera maakte ongeveer duizend foto’s per minuut. Er is een computerprogramma dat beeld voor beeld de druppels kan tellen. En dan kan je gaan kijken hoe de verdeling van die druppels is, boven de persoon, voor en achter. Die software komt van de faculteit Lucht- en Ruimtevaarttechniek en mochten wij gebruiken van professor Fulvio Scarano. Dit hele onderzoek hebben we met een beperkt budget gedaan. Ik heb een beetje geld gekregen uit het universiteitsfonds om wat instrumenten te kopen, zoals de ventilator, een ademhalingsmachine en een compressor, en een student-assistent in te huren.”

De opstelling met het hoofd en de ventilator heeft daarna nog kort dienstgedaan om de werking van drie verschillende typen mondkapjes te testen in samenwerking met het windtunnelinstituut DNW. En met de zeepbellenmachine (officieel: HFSB of AFSB-generator, wat staat voor Helium of Air Filled Soap bubble generator) om de werking van een mobiel HEPA-filter (high-efficiency particulate air) uit te proberen – de naam van de fabrikant blijft nog even geheim. De conclusies in het kort: uitgeademde lucht met aerosolen ontsnapt makkelijk bij niet goed passende mondkapjes en een mobiel HEPA-filter haalt flink wat aerosolen uit de binnenlucht. De zeepbellenmachine is zo goed bevallen, zegt Bluyssen, dat er plannen zijn voor een eigen exemplaar. “Professor Fulvio Scarano en zijn groep hebben aangeboden te helpen bij het maken van een simpelere uitvoering.”

Eigenlijk, zegt Bluyssen, heeft het onderzoek naar aerosolen nog een derde heel belangrijk effect gehad: ze kwam er mee in het vizier van collega’s uit andere vakgebieden, zoals virologen, epidemiologen en microbiologen. En dat was essentieel omdat een terechte kritiek
op haar experiment was dat díe kennis er niet in terugkwam. De kritiek luidde: er mogen dan aerosolen in de ruimte blijven rondzweven, maar in hoeverre leiden die aerosolen nu werkelijk tot besmetting? Daar komt binnenkort verandering in, want in juli keurde ZonMw een projectaanvraag goed waarin die samenwerking juist wél gestalte krijgt. “En dat is mede het resultaat van de experimenten in het SenseLab, want zonder die experimenten hadden we nooit contact gekregen met z’n allen”, zegt Bluyssen. Het budget voor het onderzoek is 500.000 euro en penvoerder is het Universitair Medisch Centrum Utrecht.”

Om wie gaat het?
“Het gaat om epidemioloog en kinderarts Patricia Bruijning en epidemioloog Dick Heederik, beiden, van het Universitair Medisch Centrum Utrecht; moleculair viroloog Sander Herfst (die van het fretten onderzoek) en kinderarts en viroloog Pieter Fraaij, beiden van het Erasmus MC in Rotterdam; en vliegtuigbouwkundig ingenieur en directeur Christophe Hermans van DNW. Patricia benaderde mij al in mei (toen was de call van ZonMw voor dit programma net geopend), omdat ze mijn naam was tegengekomen bij een van haar
televisieoptredens.”

En wat gaan jullie doen?
“We gaan meten en onderzoekingen doen op middelbare scholen waar meer dan twee besmettingen hebben plaatsgevonden. Het gaat dan om alle drie de besmettingsroutes, aanraking van besmette oppervlakken, grotere druppels en aerosolen, inclusief het ventilatiesysteem. En waarschijnlijk ook nog het toilet als mogelijke route. Op dit moment [half september, red.] zijn we nog niet klaar om op pad te gaan, want we zijn nu aan het bepalen waar we meten, met welke instrumenten en wat de protocollen zijn.”

En wat als de pandemie op zijn retour is als jullie van start gaan. Heeft het dan nog wel zin?
“Ik geloof niet dat het einde al in zicht is. En áls het zo mocht zijn, dan zijn we de volgende keer dat er zo’n uitbraak is door al het onderzoek dat we nu doen veel beter voorbereid.”

Deze crisis lijkt nog maar eens duidelijk te maken dat je als expert op het gebied van ventilatie, verwarming en binnenmilieu ook kennis moet hebben van het menselijk lichaam.
“Ja, met alleen kennis van ventilatie kom je er niet. Ik geef aan eerstejaars bouwkunde ook colleges over het menselijk lichaam. Niet al te diep, maar ik vind het noodzakelijk dat je weet hoe oren werken en ogen. Wanneer voel je je koud of warm. Dat soort dingen moet je weten als je gaat draaien aan de knoppen om het binnenmilieu te verbeteren.”

“Tijdens mijn promotie bij de Deense professor Per Ole Fanger heb ik een methodiek ontwikkeld om mensen te trainen om luchtkwaliteit te beoordelen. En dat doen we in ons SenseLab nog steeds: de zintuigen gebruiken om lucht, licht, geluid en thermisch comfort te
beoordelen. De mens als meetinstrument.”

Heb je trouwens nog contact met academici uit je Deense tijd?
“In de groep van Fanger zat ook Arsen Melikov. Hij is net als ik heel druk met corona en werkt veel aan het onderwerp ‘persoonlijke ventilatie’. Hij is in Denemarken een veelgevraagde expert.”

Is persoonlijke ventilatie een oplossing voor de aerogene besmettingsroute?
“Misschien wel. Kijk, niet iedereen wordt van dezelfde dosis virus even ziek. Of wordt überhaupt ziek. En het is per persoon verschillend hoeveel virus er in uitgeademde druppels zit. Daarom weten wij niet hoeveel je precies moet ventileren om risico’s te beperken. Gericht of persoonlijk ventileren kan dat probleem omzeilen. Dat is het ideaal. Maar in de praktijk wordt dat natuurlijk heel moeilijk.”

Biografie Philomena Bluyssen
Prof.dr.ir. Philomena M. Bluyssen studeerde in 1986 af als bouwkundig ingenieur aan de TU Eindhoven, waarna zij in 1990 promoveerde aan de Technische Universiteit van Denemarken bij Prof. P.O. Fanger op ‘luchtkwaliteit beoordeeld door een getraind panel’. Voordat zij in 2012 de leerstoel Binnenmilieu aan de TU Delft bij de faculteit Bouwkunde
aanvaardde, werkte zij meer dan twintig jaar als onderzoekster bij TNO. Bij de TU Delft is Bluyssen onder meer verantwoordelijk voor het door 25 bedrijven gesponsorde SenseLab. Zij heeft meer dan 250 publicaties op haar naam staan. Voor ‘The Indoor Environment Handbook: How to make buildings healthy and comfortable’, kreeg zij de prestigieuze ‘Choice Outstanding Academic Titles of 2010 Award,’ en voor ‘The Healthy Indoor Environment – How to assess occupants’ wellbeing in buildings’, ontving zij de IDEC 2016 Book Award.’
Sinds het begin van de crisis probeert Bluyssen politici en beleidsmakers ervan te overtuigen dat we de aerogene transmissieroute serieus moeten nemen. Dit doet zij onder andere via deelname aan een groep van 36 wetenschappers van over de hele wereld die (nog steeds) proberen de WHO te overtuigen van het risico van deze derde besmettingsroute. Bluyssen is ook een van de 239 ondertekenaars van een open brief aan de WHO die op 4 juli werd gepubliceerd.

Belgische energieverbruiksmanager Smappee verleidt klanten met Solarcoins

Het Belgische Smappee, dat een gelijknamige energieverbruiksmanager op de markt brengt, wil klanten verleiden met de zogenoemde Solarcoin, een op de Bitcoin geïnspireerde munteenheid.

Dit artikel verscheen in Energeia op 28 oktober 2016

Het is dringen op de markt voor energieverbruiksmanagers. Elk vermeend unique selling point kan helpen om je te onderscheiden van de rest. Operationeel directeur Hans Delabie is van mening dat Smappee ook zonder Solarcoins al heel bijzonder is. Maar met Solarcoins zouden ook de afwachtende klanten over de streep getrokken kunnen worden. “Wij zijn de eerste datalogger in de wereld waarbij je Solarcoins kan verdienen.”

Solarcoin is een nieuwe ‘munteenheid’, die sinds 2014 bestaat. Het principe lijkt op dat van de Bitcoin. Dat wil zeggen dat het in beide gevallen gaat om cryptogeld, waarbij gebruik gemaakt wordt van een digitale blokketen, die moeilijk te vervalsen is. Met iedere aanmelding van een nieuw pv-systeem, worden Solarcoins ‘bijgedrukt’. Zo komen er steeds meer Solarcoins in omloop en neemt de totale waarde van deze digitale geldhoop in potentie toe. Uiteindelijk is het het samenspel van vraag en aanbod op marktplaatsen als Bittrex en Allcrypt, die de waarde van de munt bepaalt. Momenteel ligt die op EUR 0,06 per Solarcoin. “Sinds onze aankondiging dat Smappee met Solarcoins gaat werken, is de waarde van de munt 20% gestegen”, zegt Delabie.

Een PV-installatie die via Smappee wordt aangemeld, krijgt direct een aantal Solarcoins in een daarvoor bestemde portemonnee gestort. Dat aantal is afhankelijk van de grootte van de installatie en hoe lang die al draait. Vanaf dat moment krijgt de klant voor iedere MWh aan opgewekte elektriciteit één Solarcoin. Betaling vindt om het half jaar plaats.

Smappee werd in 2012 in het Belgische Kortrijk opgericht en ging twee jaar later met zijn producten de grens over. “Inmiddels zijn we in 85 landen actief”, zegt Delabie. Daaronder ook Nederland. Smappee meet de hoeveelheid elektriciteit die wordt opgewekt door zonnepanelen en het elektriciteitsverbruik van huishoudelijke apparaten door “twee klemmetjes die over de geïsoleerde stroomkabels” worden geplaatst. Er wordt dus geen gebruik gemaakt van de data uit de slimme meter. Delabie: “Wij zijn de slimmere meter. Smappee registreert extreem nauwkeurig, met een maximale afwijking van 1%.”

Door het analyseren van de verschillende typen ruis die elektrische apparaten produceren, kan Smappee gedetailleerd in kaart brengen welke apparaten hoeveel elektriciteit verbruiken en dit via een app op telefoon of computer weergeven. Als er vervolgens ook nog speciale stekkers tussen het apparaat en het stopcontact geplaatst worden, kunnen deze apparaten op afstand worden aan- of uitgezet.

Dit kan weer gekoppeld worden aan de beschikbaarheid van groene stroom van het dak. Een voorbeeld van een opdracht die via de app kan worden gegeven: als PV-opbrengst 2000 W hoger is dan het verbruik, dan de boiler een uur aanzetten. Volgens Smappee kan een huishouden met de energieverbruiksmanager al snel 10% op de elektriciteitsrekening besparen (Delabie: “In mijn persoonlijk geval bedraagt de besparing 23.5%”), waardoor de aanschafkosten van EUR 349 binnen een paar jaar zijn terugverdiend.

Van de Solarcoins moet de klant het vooralsnog niet hebben, want met ruwweg één munt per maand, die een doorsnee PV-installatie levert, wordt de klant niet rijk. Delabie: “Maar de waarde van de Solarcoin kan snel stijgen!” De Solarcoin wordt in een beperkt aantal online winkels aanvaard.

PUR-markt nog niet tot rust gekomen

Met fabrieken die nog steeds op halve kracht draaien en een wereldvraag die explosief toeneemt, is het geen wonder dat de levertijden en prijzen van PUR en PIR onder druk staan. Wanneer komt de markt tot rust? “Dat is nog niet met zekerheid te zeggen.” Een gesprek met André Meester, directeur van de NVPU, de branchevereniging van bedrijven in de polyurethaanisolatie-industrie.

Door: Tijdo van der Zee, 14 december 2017

Gepubliceerd op: Cobouw

De problemen met PUR en PIR spelen al sinds begin 2017 en iedereen in de bouw vraagt zich af hoe lang de tekorten blijven bestaan.

Wanneer komt de markt weer tot rust?

“Dat is moeilijk om exact te bepalen en ik mag daar niet teveel over zeggen vanwege Europese antitrustwetgeving. Wat ik wel kan meegeven is dat er met man en macht wordt gewerkt aan een zo hoog mogelijke productiecapaciteit en er is ook geïnvesteerd in nieuwe fabrieken. Het beweegt de goede kant op, maar we hebben geen kristallen bol, dus ik durf niet te zeggen wanneer de markt weer in balans is.”

PUR wordt gemaakt door twee oliederivaten, een harde en een zachte, met elkaar te laten reageren  onder toevoeging van een blaasmiddel, dat het product het luchtige en daarmee isolerende karakter geeft. Door te variëren in verhoudingen tussen de harde en de zachte componenten zijn flexibele producten te maken, zoals schuim voor matrassen, en hardere producten, zoals purschuim. De scheikundige namen van deze grondstoffen zijn een isocyanaat (MDI of TDI), de grondstof die het product zijn hardheid geeft, én het vloeibare element polyol. Het blaasmiddel is isopentaan, dat na de reactie vervliegt. PUR is geliefd in de markt vanwege de hoge isolatiewaarde (< 0.026 W/mK) en de goede waterbestendigheid.

PIR is een doorontwikkeling van PUR en heeft een nog wat betere isolatiewaarde, is brandwerender en harder dan pur. In de productiewijze zit het verschil hem in onder meer in het gebruik van een ander soort polyol en een hoger gehalte MDI.

Waar in het productieproces zit nu precies het probleem?

“MDI is de zwakke schakel. Van polyol en blaasmiddel is er genoeg. Het tekort aan MDI is veroorzaakt door een ongelukkige samenloop van omstandigheden: een groot incident in september vorig jaar bij een fabriek van Wanhua in China, waar zo’n beetje de halve wereldproductie plaatsvindt. Die fabriek draait nog steeds niet op volle kracht en ook kwalitatief is het product daar nog niet op orde. In de Europese fabrieken liep ook niet alles goed. Onderhoud bij fabrieken van Huntsman en Covestro duurde langer dan gepland. En de opstart van een nieuwe fabriek van DOW in Saoedi-Arabië heeft enige vertraging gehad.”

MDI-producenten als het Japanse Tosoh lijken de lachende derden in het PUR/PIR-debacle. Want: geen problemen in de productie en wel profiteren van hogere prijzen. De laatste halfjaarcijfers van het bedrijf uit Tokyo waren dan ook ronduit florissant.

Voor hen kunnen de problemen waarschijnlijk niet lang genoeg duren?

“Natuurlijk is het voor een producent in beginsel aardig als er een enorme vraag is. Een beetje spanning op de markt is goed voor de prijs. Wij kregen uit de markt ook wel de vraag of deze affaire niet gewoon een truc was om de prijzen te verhogen. Maar dit is echt geen bedacht scenario. En uiteindelijk is de gang van zaken natuurlijk niet positief voor het imago en beeldvorming rondom het product.”

Daar lijkt het inderdaad op. In een recente Belgische peiling gaf 45 procent van de architecten aan dat ze vanwege de gestegen prijzen en oplopende tekorten andere isolatiematerialen voorschrijven, zoals resolschuim en minerale wol. En leveranciers zetten hun resolschuim isolatieplaten een stuk prominenter in de etalage.

Is de branchevereniging NVPU bang dat men massaal overstapt op alternatieven?

“Ik kan me voorstellen dat het hier en daar zal voorkomen dat iemand die keuze maakt. Maar ik heb nog geen signalen dat het gebeurt in een omvang dat het bedreigend is voor het marktaandeel van PUR en PIR. De voordelen van PUR en PIR zijn groot en isolatie is zelfs met de wat langere levertijden lang niet altijd de bepalende factor. Er zijn immers wel meer knelpunten in de toeleverende industrie. Neem heipalen. Ook daarvan is de levertijd groot. De markt lijkt aardig te anticiperen op die wat langere levertijden.”

Infra als circulaire dienst: Het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel

Wegen, tunnels of bruggen die zo ontworpen zijn dat ze over enkele decennia hun waarde hebben behouden en weer als bouwstenen kunnen dienen voor nieuwe projecten. Dát is de circulaire gedachte. Maar een circulair project zal weinig kans van slagen hebben als de samenwerking in de keten nog conventioneel lineair georganiseerd is. Wat nu als opdrachtnemer en opdrachtgever sámen vaststellen hoe een project het beste uitgevoerd kan worden, en als de aannemer niet langer louter een weg als product oplevert, maar in plaats daarvan infrastructuur als een dienst aanbiedt: zou dat circulariteit kunnen bevorderen? In een achttal pilots in het programma ‘De Circulaire Weg’ staat die vraag centraal.


Door: Tijdo van der Zee, 8 oktober 2020

Gepubliceerd op: Circulairebouweconomie.nl

De Circulaire Weg ging vorig jaar al officieus van start met twee pilots, een in Overijssel en een in Noord-Brabant. Op donderdag 1 oktober was de officiële kickoff van het tweejarige programma. Bij deze online meeting deelden betrokkenen de eerste praktijkervaringen en bediscussieerden het concept van infra as a service (IAAS). Dagvoorzitter Frederike Noppers van de Circulaire Weg drukte daarbij wellicht het sentiment het beste uit: ‘Dit is in potentie een disruptieve innovatie, maar we gaan daar pas achter komen als we het samen in de praktijk gaan testen.

De Circulaire Weg is een initiatief van Dura Vermeer, dat hierin samenwerkt met Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam en daarnaast de Waterschapsbank, ABN Amro, Sweco en de TU Delft. ‘Circulariteit bereik je niet door alleen te focussen op de techniek’, zegt Karlijn Mol, manager Duurzaamheid bij Dura Vermeer en aanjager van het programma. ‘Door ook te kijken naar andere samenwerkingsvormen kan je de circulaire economie echt een versnelling geven.’ Inspiratiebron voor infra as a service is het contract uit 2015 tussen Philips en Schiphol, waarin Philips verlichting als een dienst aanbiedt, zegt Mol. ‘Die samenwerking heeft daar geleid tot significante energiebesparing en een langere levensduur.’ Dura Vermeer stelde zich toen de vraag: zou dit concept niet ook kunnen werken in de infra?

Circulaire wegverlichting

Eind 2019 mondde dat idee uit in een eerste concreet project. Over een traject van 17 kilometer op de N279 tussen Den Bosch en Veghel levert Dura Vermeer nu verlichting als een dienst aan de provincie Noord-Brabant. Mol: ‘Met technisch dienstverlener Hoeflake hebben we daar een systeem ontwikkeld waarbij de lichtintensiteit wordt aangepast aan de drukte op de weg. Daardoor is er altijd de hoeveelheid licht die je nodig hebt, tegen sterk gereduceerde energiekosten.’ In plaats van een standaard bestek met een programma van eisen, wordt in dit contract gewerkt met KPI’s (kritische prestatie indicatoren), waarbij Dura Vermeer zélf de vrijheid heeft om hier invulling aan te geven. ‘Dat resulteert dan in dit soort slimme innovaties’, zegt Mol.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service – foto: Sebastiaan Knot

Provincie doet ‘stapje terug’

Ook in Overijssel loopt een project. Daar kijken Dura Vermeer en de provincie of er een slimmere samenwerking mogelijk is voor het onderhoud aan de provinciale weg N739 tussen Haaksbergen en Hengelo. ‘We verwachten over een aantal weken het nieuwe contract te kunnen tekenen’, zegt Jan Spoelstra, programmamanager bij de provincie Overijssel. Dit nieuw type contract heeft inmiddels een naam: UAV-CE, waarbij CE staat voor Circulaire Economie (dit dan als aanvulling op de ‘standaard’ UAV, die de contractverhoudingen tussen opdrachtgever en aannemer regelt).

Net als in Noord-Brabant is het bij de N739 de bedoeling dat, zoals Spoelstra het noemt, de provincie een ‘stapje terug’ doet. ‘We gaan sturen en controleren op indicatoren, zoals veiligheid, doorstroming, leefomgeving en milieu.’ Dura Vermeer wordt dan economisch eigenaar van de weg – vanuit de wet blijft de provincie altijd juridisch eigenaar. Doordat Dura Vermeer het materiaal in zijn bezit krijgt, zal naar verwachting de prikkel groter zijn om extra goed voor de weg te zorgen. En daardoor zullen de onderdelen ook na de levensduur nog waarde hebben. Spoelstra: ‘Wij betalen dan aan Dura Vermeer een periodieke beschikbaarheidsvergoeding.’

Waardebepaling

Maar hoe hoog de verkoopwaarde van de weg is, dat is nog niet duidelijk. Momenteel werkt een aantal partijen aan een model om dat te kunnen bepalen, waarbij ook een inschatting gemaakt wordt van de waarde over een x-aantal jaar. Spoelstra: ‘Dat zal invloed hebben op de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding. Dat is het spel dat Dura Vermeer en de provincie momenteel spelen.’ Spoelstra is realistisch: de onderhandelingen over IAAS van de N739 kúnnen stranden. ‘Maar voor ons is deze pilot nu al waardevol. Door in een vroeg stadium met Dura Vermeer aan tafel te zitten, worden we uitgedaagd om buiten onze comfortzone te treden, in andere oplossingen te denken.’

Voorbeelden? Spoelstra somt op: ‘Een deklaag heeft vanuit de historie een bepaalde dikte. Maar is dat wel per se nodig? Kan het echt niet wat dunner, zodat je de materialen elders kan gebruiken? Nog een: kunnen we het maximum van 30 procent gerecycled asfalt loslaten met behoud van kwaliteit?’ Karlijn Mol van Dura Vermeer herkent dat beeld goed, zegt ze. ‘Dit is een heel andere manier van denken. Ook voor onze mensen is dit een uitdaging, en het gaat dan ook met horten en stoten.’ Het project in Overijssel is belangrijk, zegt Mol, omdat het hier gaat om een bestaande weg. ‘Bestaande wegen vormen 95 procent van de markt. Als je je alleen richt op nieuwe wegen, dan ga je geen vliegwieleffect krijgen.’

N739 Overijssel Road as a service Stephan Warmenhoven

N739, Pilot Overijssel: ‘Road as a Service’ – foto: Stephan Warmenhoven

Tijdelijke omleidingsweg: hoge restwaarde

In Amsterdam gaat binnenkort een derde pilot van start: een tijdelijke omleidingsweg. In het gebied van de Johan Cruijff ArenA worden voorbereidingen getroffen voor een Smart Mobility Hub. Dat is een knooppunt waar fiets, auto, touringcars en metro samenkomen. Die hub wordt gebouwd op de plek waar nu sportpark Strandvliet ligt. Het sportpark komt op het dak van het Smart Mobilty Hub weer terug in groter formaat, zegt projectleider Gé Smit. Om verschillende bestemmingen in de buurt bereikbaar te houden en om werkverkeer in goede banen te leiden, komt er over een lengte van bijna een kilometer een tijdelijke weg. ‘Voor ongeveer vijf jaar’, zegt Smit. In de Johan Cruijff ArenA vinden – mits de coronamaatregelen het toelaten – in 2021 vier voetbalwedstrijden voor het Europees Kampioenschap plaats. ‘Dan moet de weg af zijn.’

De gemeente Amsterdam heeft stevige circulaire ambities. In 2030 al wil de gemeente dat de hoeveelheid primaire grondstoffen is gehalveerd. Een tijdelijke weg leent zich goed voor een circulaire oplossing, zegt Smit, omdat het veel makkelijker is om de restwaarde van de grondstoffen te berekenen over vijf jaar dan over twintig jaar. Want wie weet hoe de mobiliteit van 2040 eruit ziet? Smit: ‘Als Dura Vermeer eigenaar is van de weg, geeft dit een sterke financiële stimulans om ook goed voor de weg te zorgen. Dan hebben we het dus over het sluiten van de grondstoffencirkel én van het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel.’

De academische blik

Waar gemeenten, provincies en Dura Vermeer infra as a service (IAAS) in de praktijk gaan testen, zetten onderzoekers aan de TU Delft zich aan academische vragen over het concept. ‘De belangrijkste onderzoeksvraag is: wat zijn de randvoorwaarden voor infra as a service om circulariteit te bevorderen’, zegt Daan Schraven, universitair docent Economie van de Civiele Infrastructuur aan de TU Delft. ‘In het huidige academische debat luidt dat As-a-Service-modellen circulariteit mogelijk maken, maar circulariteit gebeurt daarmee niet vanzelf.’ Een groot voordeel van IAAS voor de gww-aannemer is dat die de ‘ondernemersruimte’ zal benutten, vermoedt Schraven, om te investeren in assets en materialen die hun waarde behouden tot na de contractduur en bij nieuwe herbestemming.

Het is echter nog niet gezegd dat As a Service-modellen de nieuwe werkpraktijk worden. Er zijn nog mogelijke obstakels, zegt Schraven. ‘Bijvoorbeeld: As-a-Service-afspraken per object of sectie kunnen bij opschaling de nodige versnippering veroorzaken in het aantal contracten en aannemers voor een gebied. Het is belangrijk dat deze spanning wordt geadresseerd.’

De opmars van de sleufloze gasleidingrenovatie

De Claudius Prinsenlaan in Breda was vorige maand het toneel van een interessante proef. Netbeheerder Enexis verving daar een stuk gasleiding van ongeveer 400 meter zónder de straat open te hoeven breken. Samen met De Jongh Pipe Systems, Enexis’ contractleverancier van PE-leidingen, werd een PE-leiding ín de bestaande oude leiding geschoven. Maar het betrof hier geen gewone PE-leiding, maar een leiding die gevouwen was en daardoor kleiner en makkelijker manoeuvreerbaar. Eenmaal op zijn plek werd de leiding met stoom ‘opgebold’, waardoor hij precies aansloot op de binnenkant van de oude gasleiding. Vandaar de naam van de technologie: close-fit lining.

Het project was het eerste stukje gasleiding in Nederland dat op deze manier gerenoveerd werd. En dat betekent onvermijdelijk dat er nog wat kinderziektes zijn. “Er ontsnapte bijvoorbeeld best veel stoom, met al die langsrijdende auto’s wil je dat niet hebben”, zegt Sybe bij de Leij, innovator bij Enexis over de proef. “Dit probleem hebben we later wel opgelost.” Maar de technologie, hoe mooi ook, geeft vooralsnog wel meer hoofdbrekens. Zo waren er in Breda wat moeilijkheden met de machine die de nieuwe leiding in de oude leiding schuift. Ook is het nog niet eenvoudig om huisaansluitingen op zo’n nieuwe leiding aangesloten te krijgen. “Je kan het niet in één dag afmaken, waardoor huishoudens langere tijd zonder gas zitten.” Desondanks stemt de proef Bij de Leij tevreden. “Ik ben positief, maar er zijn nog wel meer testen nodig voor de techniek in het standaardpakket kan worden opgenomen.”

Netbeheerders testen volop nieuwe technieken die sleufloos vervangen of renoveren mogelijk maken. Dat gebeurt enerzijds omdat het in veel gebieden steeds lastiger wordt om de weg op te breken. Bewoners en de lokale winkeliers zitten daar namelijk doorgaans niet op te wachten en ook vergunningentrajecten nemen veel tijd in beslag. Maar sleufloos renoveren is ook een manier om kosten te besparen en om de productie op te schroeven. Bij Enexis neemt het vervangingstempo al enige tijd toe. Enkele jaren geleden werd jaarlijks 250 kilometer vervangen. Momenteel ligt het op ongeveer 350 kilometer en in 2018 moet jaarlijks zelfs 500 kilometer vervangen worden.

Maar close-fit lining is zeker niet de enige technologie die netbeheerders tot hun beschikking hebben bij sleufloos renoveren. Zo is Alliander al een aantal jaar bezig met een techniek die de ‘kousmethode’ wordt genoemd, of ‘relinen‘. Bij deze methode wordt de oude gasleiding van binnenuit bekleed met een soort kunsthars, die eenmaal op zijn plek actief wordt uitgehard. Groot voordeel van deze methode is dat de huisaansluitingen van binnenuit kunnen worden aangelegd: een robotje kan de lokatie bepalen en dan een gaatje boren waar de aansluitingen zitten. Alliander-woordvoerder Karen Nitschke laat weten: “De kousmethode is bij ons inmiddels in het standaardpakket opgenomen.” De netbeheerder heeft zelfs het initiatief genomen om samen met normeninstituut Nen, Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) en Netbeheer Nederland tot landelijke afspraken te komen over deze technologie.

Alliander experimenteert nog met andere technieken. Zo heeft het bedrijf de afgelopen maanden op drie locaties in Leiden, Leiderdorp en Wassenaar een techniek getest die Live Mains Insertion (LMI) wordt genoemd. Daarbij wordt een PE-leiding met een iets kleinere diameter in een oude gasbuis geschoven. Het bijzondere aan deze techniek is dat gedurende het werk het gas kan blijven stromen en huishoudens alleen worden afgesloten op het moment dat hun aansluiting daadwerkelijk aan de beurt is voor vervanging.

Ook Stedin zit niet stil. Eind dit jaar start het netwerkbedrijf met een pilot waar het ervaring op gaat doen met relinen, waarbij dezelfde kousmethode wordt gebruikt als die waar Alliander al zo veel ervaring mee heeft. Waar de test plaats vindt is nog niet duidelijk. “We hebben een locatie op het oog, maar het onderzoek of dit de ideale plek voor de proef is, loopt nog”, laat Stedin-woordvoerder Daniëlle Nicolaas weten.

Bij Enexis wordt gewerkt met een formeel afwegingskader dat de engineers moeten doorlopen bij het maken van een technologiekeuze bij sleufloos renoveren. Is een grote diameter bijvoorbeeld belangrijk? In dat geval valt een vrij simpele methode als sliplining  -kleine leiding in grote leiding– af en kan misschien beter gekozen worden voor pipebursting, waarbij de oude leiding kapot geknipt of gebroken wordt, alvorens de nieuwe leiding er in geschoven wordt. LMI is net close-fit lining nog niet in het standaardpakket van Enexis opgenomen, maar hier kan verandering in komen, want na de bouwvak gaat het bedrijf een praktijktest uitvoeren in Tilburg.

De netbeheerders benadrukken dat het geen wedstrijdje is tussen de verschillende technieken. Elke techniek heeft zijn specifieke toepassingsgebied. De kousmethode is bijvoorbeeld erg geschikt in steden, omdat de huisaansluitingen binnen één dag kunnen worden gemaakt. Maar ook omdat in steden veel gietijzeren leidingen liggen, die behoorlijk dik en stevig zijn. De beruchte brosheid van deze leidingen kan goed worden gecompenseerd door de taaie kous. In de buitengebieden ligt vaker staal onder de grond of PVC. En die materialen lijken minder geschikt voor de kousmethode. “Staal heeft een andere vorm van corrosie dan gietijzer, waardoor het mogelijk op grotere stukken zijn sterkte verliest”, zegt Enexis-man Bij de Leij. “En aan PVC hecht de kous niet goed.” Dit is ook de verklaring dat Alliander relatief veel ervaring heeft met de ‘kousmethode’ en Enexis juist weer met andere technieken. Alliander heeft veel stedelijk netwerk en Enexis zit meer in de buitengebieden. En in die buitengebieden is pipebursten weer meer gemeengoed, omdat daar het risico kleiner is dat met de machine naastgelegen kabels en leidingen worden geraakt.

Sleufloos vervangen is met een opmars bezig. Dat wil zeker niet zeggen dat de straat nooit meer open hoeft. In sommige gevallen is dit zelfs ronduit de beste optie, zegt Alliander-woordvoerder Nitschke. “Als de straat toch al open moet voor bijvoorbeeld de vervanging van het riool of waterleiding, dan is de keuze snel gemaakt.”

Duurzaam verwarmen en koelen met smart grid WKO’s

In: Stadswerk Magazine, januari 2018

Koelen en verwarmen van kantoren en andere utiliteitsgebouwen met warmte en koude uit de bodem is een effectieve manier om energie te besparen. Nieuwe inzichten over hoe je de bodembronnen beter kan benutten, maken de keus voor een WKO-systeem (warmte-/koudeopslag) nog aantrekkelijker. Hoewel de gemeente niet de bevoegde vergunningverlener is voor WKO’s, dat is de provincie, hebben gemeenten wel een belangrijke rol als aanjager.

Op de campus van de Nijmeegse Radboud Universiteit liggen de gebouwen wat verscholen in het groen. Alleen de hoge Erasmus-toren steekt met gemak boven al het groen uit. Rond het jaar 2000 besloot het universiteitsbestuur om het diepe grondwater dat zich onder de campus bevond te gaan gebruiken voor het verwarmen en koelen van enkele studiegebouwen. Om dat water naar boven te krijgen werden tien brongaten geboord tot een diepte van ongeveer 50 meter, voor vijf warme bronnen en vijf koude bronnen. In de winter werden de warme bronnen aangesproken en in de zomer de koude bronnen.

Dubbelpijps

In theorie was dit een mooi model. Maar de praktijk pakte niet precies zo uit. De gebouwen bleken gedurende het jaar namelijk meer warmte nodig te hebben dan koude. En zo ontstond er een ongewenst koude-overschot. Daar kwam nog eens bij dat de bronpompen maar een paar pompstanden kenden en dus meestal harder pompten dan strikt noodzakelijk. Dat kon en moest beter. Al was het alleen maar omdat universiteiten zich in de Meerjarenafspraken hebben gecommitteerd aan een jaarlijkse energiebesparing van 2%, waarover wordt gerapporteerd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), zegt Toon Buiting, coördinator energiebeleid bij de Radboud Universiteit. “Sinds de optimalisering van ons WKO-systeem is het rendement op onze installatie verdubbeld”, zegt hij trots.

De ingreep die werd toegepast is even logisch als ingenieus. In plaats van een enkelpijpssysteem, dat water slechts in één richting laat stromen, werd een dubbelpijps systeem aangelegd, waardoor warmte en koude altijd beschikbaar zijn, ongeacht het seizoen. Niet het bronsysteem was nog leidend, met zijn seizoensinstelling, maar de energievraag uit de gebouwen zijn dat nu, het bronsysteem dient te volgen. Tegenwoordig wisselen op de Nijmeegse campus gebouwen bovengronds onderling warmte uit en is de ondergrondse WKO op momenten zelfs niet eens nodig. De volgende uitbreiding van het WKO-net zit er dan ook alweer aan te komen, zegt Buiting. “De markante Erasmustoren is over twee jaar aan de beurt.”

Niet optimaal

WKOs hadden  enige tijd geleden een minder goed imago. Om de werking van WKO’s te verbeteren heeft de overheid nieuwe regels aan de kwaliteit van bodemenergiesystemen voor ontwerp, aanleg en beheer gesteld. Hierdoor zijn de WKO-installaties nu efficiënt en betrouwbaar, zoals bovenstaand voorbeeld van de Radboud Universiteit illustreert.

Een paar honderd meter naast de WKO van de Radboud Universiteit is nóg een flinke WKO geïnstalleerd, bij het Universitair Medisch Centrum. Die is nu ongeveer vijf jaar in gebruik en is bij aanvang al ‘slim’ en flexibel ontworpen, zegt Els Sonnemans, strategisch adviseur energie van het Radboud UMC. Desalniettemin bleken wijzigingen in het bouwprogramma te leiden tot een warmteoverschot. Dat wordt aangepakt: “We gaan er nieuwe gebouwen op aansluiten die een warmtevraag hebben en we gaan water in de warmtapwaterleidingen tot 45 graden voorverwarmen met de warmte uit de WKO. Daarna verwarmen we het water verder tot 70 graden. Dat doen we conventioneel of misschien met een hoogtemperatuurwarmtepomp.”

Zowel de universiteit als het UMC in Nijmegen willen op termijn de capaciteit van hun WKO uitbreiden met extra bronnen, zeggen Buiting en Sonnemans. Om dit zo goed mogelijk te faciliteren heeft de gemeente Nijmegen drie jaar terug, samen met de universiteit, het UMC en de provincie , het in bodemenergie gespecialiseerde bedrijf IF Technology opdracht gegeven om precies in kaart te brengen wat de mogelijkheden en knelpunten hierbij zijn. Het probleem is namelijk dat de twee academische instituten niet als enige gebruik maken van de ondergrond daar ter plaatse: ten noorden zijn al twee andere WKO’s en het drinkwaterbedrijf Vitens gebruikt het zuidelijk deel van de bodem onder de campus als waterwingebied. De inventarisatie van IF Technology resulteerde in het informatieve rapport ‘Bodemenergieplan Campus Heyendaal, plan voor stimulering en ordening van bodemenergie’.

Momenteel onderzoekt Vitens de contouren waarbinnen het de komende 25 jaar water wil winnen en Buiting en Sonnemans zeggen dat hun organisaties wachten op de uitkomsten van dit onderzoek voor ze verdere plannen maken. Die uitkomsten zullen waarschijnlijk verwerkt worden in de nieuwe grenzen van het grondwaterbeschermingsgebied en wellicht ook in het bodemmasterplan van de gemeente. “Misschien betekent dit wel dat we moeten gaan boren buiten het campusgebied, in de publieke ruimte. In dat geval zullen we met de gemeente om tafel gaan zitten. Want zij zal aan moeten geven waar warme en koude putten geslagen kunnen worden.”

Van ster naar ring

Ook in de gemeente Utrecht staan WKO’s hoog op de agenda. De gemeente heeft zich opgeworpen als kennismakelaar en helpt initiatiefnemers met informatie over archeologische waarden en bodemverontreinigingen op de betreffende locatie. Ook tips over het goed inregelen van de WKO of over kansrijke allianties worden door de gemeente ruimhartig verstrekt.

Eén van de bekendere WKO’s in de stad is de WKO op de Uithof, de grote campus van de Universiteit Utrecht. Deze was oorspronkelijk ontworpen in een sterpatroon en seizoensgeregeld, zegt Fréderique Houben, hoofd van de afdeling Energie van de Universitaire Bestuursdienst en afgelopen november met haar team winnaar van de WKO Duurzaamheid Award. Ook hier heeft een flinke upgrade van het systeem plaatsgevonden, zo’n twee jaar geleden. \

“In plaats van een ster hebben we nu een ring, waarbij de gebouwen met elkaar verbonden zijn”, aldus Houben. Het nieuwe grid is ‘slim’, in de zin dat warmte en koude bínnen gebouwen met elkaar kan worden uitgewisseld (denk aan overtollige serverwarmte) en tússen gebouwen. De WKO komt alleen in actie als deze onderlinge uitwisseling niet toereikend is. De WKO als een soort buffer dus. Een speciaal voor de Uithof ontwikkeld bodemenergieplan – “daar zijn we best een beetje trots op” -dat precies in kaart brengt waar warme en waar koude bronnen gerealiseerd (kunnen) worden geeft de universiteit regie op de ondergrond en extra grip op de toekomstige ontwikkelingen.

Een WKO is een prachtig middel om energie te besparen en om de duurzaamheidsambities mede waar te maken, zo stellen Buiting, Sonnemans en Houben. Maar het is ook een complexe installatie, waar de juiste expertise voor aanwezig moet zijn. Gedeeltelijk komt die expertise van buiten. Sonnemans: “Het is belangrijk dat je al in een vroeg stadium experts bij het project betrekt en daarvan leert. Op die manier voorkom je kostbare fouten.” Dat is waar, zegt Houben, je moet niet meer willen doen dan je kan. “En als je de materie dan eigen heb gemaakt geldt, zeker voor grote organisaties als universiteiten, dat je de energiekennis in huis moet houden. Daarin investeren, zodat je niet om het minste incident meteen de adviseur hoeft te bellen.”

ECN in Eemshaven in ‘lastige situatie’

ECN heeft al een testveld voor turbines in de Wieringermeer in Noord-Holland. Dit ECN Windturbine Testpark Wieringermeer (EWTW) is operationeel sinds 2003. Hier draaien permanent 5 2,5 MW Nordex-turbines en verder is er plek voor vier prototype-turbines met een maximale ashoogte van 100 meter, met een vermogen van 6 MW. Zo werd in 2010 de komst op het park van de SWT-3.6 (3,6 MW) turbine van Siemens feestelijk onthaald. Dat was destijds de meest verkochte windturbine voor offshore windparken.

Maar met 100 meter ashoogte kom je er niet meer tegenwoordig. Daarom was ECN er op gebrand om bij Windpark Wieringermeer (in feite de herstructurering en uitbreiding van bestaande parken, waaronder het EWTW van ECN) te gaan voor hogere ashoogten. In het EWTW II is er de mogelijkheid van het testen van prototypes met een maximale ashoogte van 150 meter en een maximale rotordiameter van 175 meter. Inmiddels zijn er al twee nieuwe prototypes gebouwd en is de derde in aanbouw.

Dat is al mooi, zegt Rademakers, maar toch echt nog te weinig als je testen wil uitvoeren aan de offshore turbines die binnenkort de markt op komen. Daarbij komt dat de windturbines te groot worden om vanaf de IJsselmeerhaven bij Wieringerwerf te vervoeren. “Met een schoenlepel krijg je ze er wel in, maar het is een onhandige locatie.” Daarom is ECN al een jaar of vier in gesprek met de provincie Groningen om ten westen van de Eemshaven, vlak bij de Waddendijk, een testveld te bemachtigen waar het wel mogelijk is om drie à vier turbines van vermogens tussen 8 en 12 MW te testen.

“Omdat ECN zelf geen grondposities heeft in dit gebied zijn we [in 2014, red] een samenwerking aangegaan met Nuon en Eemswind”, laat Rademakers weten. Stichting Eemswind vertegenwoordigt de grondeigenaren in de Emmapolder en de Eemspolder. De hoop was dat het testveld in gebruik genomen had kunnen worden in “2016 of 2017, of bijvoorbeeld één locatie met een tijdelijke vergunning”. Maar de kans dat dit gebeurt is niet erg groot.

Want energiebedrijf RWE heeft net als Nuon cum sui het plan opgevat om Eemshaven West (100-130 MW) te ontwikkelen en deze bedrijven liggen in de clinch om de grondposities bij de Eemshaven. Volgens RWE, dat met windpark Westereems al vaste voet aan de grond heeft in de regio, hebben boeren hun grond twee keer verkocht: de ene hoek van hun land aan RWE en de andere hoek aan Nuon. De Duitse energiereus stapte in mei naar de rechter om de boeren te dagvaarden.

Het ministerie van Economische Zaken heeft Witteveen+Bos opdracht gegeven voor het uitvoeren van een milieueffectstudie (Mes) die duidelijk moet maken welk plan, dat van Nuon of RWE, de voorkeur geniet. “RWE wil windturbines realiseren in het profiel van de Waddenzeedijk. Nuon wil turbines vlak naast de Waddenzeedijk. Samen beschouwd staan de turbines te dicht op elkaar. Er moet dus gekozen worden tussen Nuon, RWE, een combinatie of een geheel nieuw alternatief. De Mes wordt uitgevoerd om gemotiveerd te kunnen reageren op de plannen van Nuon en RWE”, zo legt Economische Zaken het zelf uit. De bedoeling is dat er in maart een ‘voorkeursbeslissing’ wordt genomen. Dan komt er ook een besluit of er wel of geen Rijkscoördinatieregeling komt voor het gebied.

Maar ondertussen zit ECN “bij Nuon op de bagagedrager” en kan het niet veel anders dan wachten op een oplossing in deze “patstelling”, zegt Rademakers. “En dan moet nog het hele vergunningentraject worden opgestart. Het is vervelend.”

En opdrachten gaan aan de neus van ECN voorbij. “Adwen -voorheen Areva- heeft [eind 2014, red] met ons -ECN, Nuon, Eemswind-, de gemeente en de provincie onderzocht of en zo ja wanneer ze op het testveld van ECN een prototype van de 8MW turbine konden plaatsen. Helaas konden we toen geen perspectief bieden en zijn ze uitgeweken naar Bremerhaven”, laat Rademakers weten. In augustus van dit jaar begon in die Duitse haven inderdaad de bouw van het prototype van de 8 MW AD 8-180.

En terwijl we hier zitten te bakkeleien, gaan andere landen gewoon door met testen ontwikkelen van grote turbines. Rademakers geeft als voorbeeld Denemarken, waar begin deze maand het besluit werd genomen om het bestaande testveld Osterild uit te breiden “voor prototypes tot 300 meter tiphoogte”. Dus, lopen we hier in Nederland omzet mis? “Dat is wel waarschijnlijk.”

Wat is op dit moment voor ECN de beste strategie? “De ambitie van ECN is om dit testveld te realiseren samen met Nuon en Eemswind”, aldus Rademakers. En dat kan het best door “constructief met iedereen samen te werken om dit complexe probleem op te lossen”.

‘Woningwet staat verduurzaming in de weg’

Slibverwerkers en AVI’s met reststoffen in hun maag

Slibverwerkers en afvalverwerkingsinstallaties (AVI’s) hebben problemen met de export van hun rookgasreinigingsresidu en vliegasassen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verleent hier geen vergunningen meer voor, als gevolg van een uitspraak van de Europese rechter. Binnenkort volgt een bodemprocedure bij de Raad van State.

Door: Tijdo van der Zee, op Energeia  7 september 2018

Sinds vorig jaar verstrekt het ministerie van IenW geen vergunningen meer voor de export van met kwik verontreinigd rookgasreinigingsresidu van AVI’s, biomassacentrales en slibverwerkers en vliegas van AVI’s.

De bedrijven (zoals HVC en Twence) zijn het hier niet mee eens en zijn een bodemprocedure begonnen bij de Raad van State. Zij kunnen hun schadelijke afval wel kwijt bij Mineralz op de Maasvlakte, maar ze vrezen capaciteitsproblemen. Export is volgens deze bedrijven essentieel.

“Toch heeft het ministerie het juiste besluit genomen”, zegt jurist Andre Gaastra, gespecialiseerd in milieurecht en advocaat voor één van de partijen in de zaak -hij laat in het midden welke. “Het afval werd gestort in Duitse zoutmijnen. Maar je mag daar op grond van de Europese jurisprudentie geen gevaarlijke stoffen in toepassen. Of dat nu boven de grond is of onder de grond.”

Geen nuttige toepassing

In 2010 wilde een Italiaans bedrijf, Edilizia Mastrodonato, gedurende twintig jaar een oude steengroeve volstorten met gevaarlijke afvalstoffen. De Italiaanse rechter wist niet goed hoe te handelen en vroeg het Europese Hof van Justitie in Luxemburg om raad. Dat concludeerde in 2016 in een arrest dat het opvullen van zo’n groeve niet kon worden gezien als nuttige toepassing van gevaarlijk afval.

Het is deze Europese uitspraak waar het ministerie nu aan vasthoudt. Ook in het nieuwe Landelijke Afvalbeheerplan staan talloze verwijzingen naar het Edilizia-arrest. Gaastra: “De staatssecretaris kan dus niet anders dan de vergunningen weigeren.”

Binnenkort dient een bodemprocedure bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stake over deze zaak. Tegen de uitspraak van de Raad van State is geen hoger beroep mogelijk. Ondertussen hoopten de afvalverwerkers op een tijdelijke vergunning, omdat ze anders misschien hun productie stil moeten leggen.

Maar staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Milieu, D66) ) heeft deze vrijdag besloten geen tijdelijke vergunning te verlenen om de tijd tot een uitspraak in de bodemprocedure te overbruggen. Wel wil ze meewerken aan een versnelde bodemprocedure.

Cuadrilla is vergunningen kwijt

Journalistiek en Redactie