Alle berichten door Tijdo van der Zee

Freelance Journalist

Infra als circulaire dienst: Het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel

Wegen, tunnels of bruggen die zo ontworpen zijn dat ze over enkele decennia hun waarde hebben behouden en weer als bouwstenen kunnen dienen voor nieuwe projecten. Dát is de circulaire gedachte. Maar een circulair project zal weinig kans van slagen hebben als de samenwerking in de keten nog conventioneel lineair georganiseerd is. Wat nu als opdrachtnemer en opdrachtgever sámen vaststellen hoe een project het beste uitgevoerd kan worden, en als de aannemer niet langer louter een weg als product oplevert, maar in plaats daarvan infrastructuur als een dienst aanbiedt: zou dat circulariteit kunnen bevorderen? In een achttal pilots in het programma ‘De Circulaire Weg’ staat die vraag centraal.


Door: Tijdo van der Zee, 8 oktober 2020

Gepubliceerd op: Circulairebouweconomie.nl

De Circulaire Weg ging vorig jaar al officieus van start met twee pilots, een in Overijssel en een in Noord-Brabant. Op donderdag 1 oktober was de officiële kickoff van het tweejarige programma. Bij deze online meeting deelden betrokkenen de eerste praktijkervaringen en bediscussieerden het concept van infra as a service (IAAS). Dagvoorzitter Frederike Noppers van de Circulaire Weg drukte daarbij wellicht het sentiment het beste uit: ‘Dit is in potentie een disruptieve innovatie, maar we gaan daar pas achter komen als we het samen in de praktijk gaan testen.

De Circulaire Weg is een initiatief van Dura Vermeer, dat hierin samenwerkt met Noord-Brabant, Noord-Holland, Overijssel, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam en daarnaast de Waterschapsbank, ABN Amro, Sweco en de TU Delft. ‘Circulariteit bereik je niet door alleen te focussen op de techniek’, zegt Karlijn Mol, manager Duurzaamheid bij Dura Vermeer en aanjager van het programma. ‘Door ook te kijken naar andere samenwerkingsvormen kan je de circulaire economie echt een versnelling geven.’ Inspiratiebron voor infra as a service is het contract uit 2015 tussen Philips en Schiphol, waarin Philips verlichting als een dienst aanbiedt, zegt Mol. ‘Die samenwerking heeft daar geleid tot significante energiebesparing en een langere levensduur.’ Dura Vermeer stelde zich toen de vraag: zou dit concept niet ook kunnen werken in de infra?

Circulaire wegverlichting

Eind 2019 mondde dat idee uit in een eerste concreet project. Over een traject van 17 kilometer op de N279 tussen Den Bosch en Veghel levert Dura Vermeer nu verlichting als een dienst aan de provincie Noord-Brabant. Mol: ‘Met technisch dienstverlener Hoeflake hebben we daar een systeem ontwikkeld waarbij de lichtintensiteit wordt aangepast aan de drukte op de weg. Daardoor is er altijd de hoeveelheid licht die je nodig hebt, tegen sterk gereduceerde energiekosten.’ In plaats van een standaard bestek met een programma van eisen, wordt in dit contract gewerkt met KPI’s (kritische prestatie indicatoren), waarbij Dura Vermeer zélf de vrijheid heeft om hier invulling aan te geven. ‘Dat resulteert dan in dit soort slimme innovaties’, zegt Mol.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service.

N279, Pilot Noord-Brabant: Light as a Service – foto: Sebastiaan Knot

Provincie doet ‘stapje terug’

Ook in Overijssel loopt een project. Daar kijken Dura Vermeer en de provincie of er een slimmere samenwerking mogelijk is voor het onderhoud aan de provinciale weg N739 tussen Haaksbergen en Hengelo. ‘We verwachten over een aantal weken het nieuwe contract te kunnen tekenen’, zegt Jan Spoelstra, programmamanager bij de provincie Overijssel. Dit nieuw type contract heeft inmiddels een naam: UAV-CE, waarbij CE staat voor Circulaire Economie (dit dan als aanvulling op de ‘standaard’ UAV, die de contractverhoudingen tussen opdrachtgever en aannemer regelt).

Net als in Noord-Brabant is het bij de N739 de bedoeling dat, zoals Spoelstra het noemt, de provincie een ‘stapje terug’ doet. ‘We gaan sturen en controleren op indicatoren, zoals veiligheid, doorstroming, leefomgeving en milieu.’ Dura Vermeer wordt dan economisch eigenaar van de weg – vanuit de wet blijft de provincie altijd juridisch eigenaar. Doordat Dura Vermeer het materiaal in zijn bezit krijgt, zal naar verwachting de prikkel groter zijn om extra goed voor de weg te zorgen. En daardoor zullen de onderdelen ook na de levensduur nog waarde hebben. Spoelstra: ‘Wij betalen dan aan Dura Vermeer een periodieke beschikbaarheidsvergoeding.’

Waardebepaling

Maar hoe hoog de verkoopwaarde van de weg is, dat is nog niet duidelijk. Momenteel werkt een aantal partijen aan een model om dat te kunnen bepalen, waarbij ook een inschatting gemaakt wordt van de waarde over een x-aantal jaar. Spoelstra: ‘Dat zal invloed hebben op de hoogte van de beschikbaarheidsvergoeding. Dat is het spel dat Dura Vermeer en de provincie momenteel spelen.’ Spoelstra is realistisch: de onderhandelingen over IAAS van de N739 kúnnen stranden. ‘Maar voor ons is deze pilot nu al waardevol. Door in een vroeg stadium met Dura Vermeer aan tafel te zitten, worden we uitgedaagd om buiten onze comfortzone te treden, in andere oplossingen te denken.’

Voorbeelden? Spoelstra somt op: ‘Een deklaag heeft vanuit de historie een bepaalde dikte. Maar is dat wel per se nodig? Kan het echt niet wat dunner, zodat je de materialen elders kan gebruiken? Nog een: kunnen we het maximum van 30 procent gerecycled asfalt loslaten met behoud van kwaliteit?’ Karlijn Mol van Dura Vermeer herkent dat beeld goed, zegt ze. ‘Dit is een heel andere manier van denken. Ook voor onze mensen is dit een uitdaging, en het gaat dan ook met horten en stoten.’ Het project in Overijssel is belangrijk, zegt Mol, omdat het hier gaat om een bestaande weg. ‘Bestaande wegen vormen 95 procent van de markt. Als je je alleen richt op nieuwe wegen, dan ga je geen vliegwieleffect krijgen.’

N739 Overijssel Road as a service Stephan Warmenhoven

N739, Pilot Overijssel: ‘Road as a Service’ – foto: Stephan Warmenhoven

Tijdelijke omleidingsweg: hoge restwaarde

In Amsterdam gaat binnenkort een derde pilot van start: een tijdelijke omleidingsweg. In het gebied van de Johan Cruijff ArenA worden voorbereidingen getroffen voor een Smart Mobility Hub. Dat is een knooppunt waar fiets, auto, touringcars en metro samenkomen. Die hub wordt gebouwd op de plek waar nu sportpark Strandvliet ligt. Het sportpark komt op het dak van het Smart Mobilty Hub weer terug in groter formaat, zegt projectleider Gé Smit. Om verschillende bestemmingen in de buurt bereikbaar te houden en om werkverkeer in goede banen te leiden, komt er over een lengte van bijna een kilometer een tijdelijke weg. ‘Voor ongeveer vijf jaar’, zegt Smit. In de Johan Cruijff ArenA vinden – mits de coronamaatregelen het toelaten – in 2021 vier voetbalwedstrijden voor het Europees Kampioenschap plaats. ‘Dan moet de weg af zijn.’

De gemeente Amsterdam heeft stevige circulaire ambities. In 2030 al wil de gemeente dat de hoeveelheid primaire grondstoffen is gehalveerd. Een tijdelijke weg leent zich goed voor een circulaire oplossing, zegt Smit, omdat het veel makkelijker is om de restwaarde van de grondstoffen te berekenen over vijf jaar dan over twintig jaar. Want wie weet hoe de mobiliteit van 2040 eruit ziet? Smit: ‘Als Dura Vermeer eigenaar is van de weg, geeft dit een sterke financiële stimulans om ook goed voor de weg te zorgen. Dan hebben we het dus over het sluiten van de grondstoffencirkel én van het sluiten van de verantwoordelijkheidscirkel.’

De academische blik

Waar gemeenten, provincies en Dura Vermeer infra as a service (IAAS) in de praktijk gaan testen, zetten onderzoekers aan de TU Delft zich aan academische vragen over het concept. ‘De belangrijkste onderzoeksvraag is: wat zijn de randvoorwaarden voor infra as a service om circulariteit te bevorderen’, zegt Daan Schraven, universitair docent Economie van de Civiele Infrastructuur aan de TU Delft. ‘In het huidige academische debat luidt dat As-a-Service-modellen circulariteit mogelijk maken, maar circulariteit gebeurt daarmee niet vanzelf.’ Een groot voordeel van IAAS voor de gww-aannemer is dat die de ‘ondernemersruimte’ zal benutten, vermoedt Schraven, om te investeren in assets en materialen die hun waarde behouden tot na de contractduur en bij nieuwe herbestemming.

Het is echter nog niet gezegd dat As a Service-modellen de nieuwe werkpraktijk worden. Er zijn nog mogelijke obstakels, zegt Schraven. ‘Bijvoorbeeld: As-a-Service-afspraken per object of sectie kunnen bij opschaling de nodige versnippering veroorzaken in het aantal contracten en aannemers voor een gebied. Het is belangrijk dat deze spanning wordt geadresseerd.’

De opmars van de sleufloze gasleidingrenovatie

De Claudius Prinsenlaan in Breda was vorige maand het toneel van een interessante proef. Netbeheerder Enexis verving daar een stuk gasleiding van ongeveer 400 meter zónder de straat open te hoeven breken. Samen met De Jongh Pipe Systems, Enexis’ contractleverancier van PE-leidingen, werd een PE-leiding ín de bestaande oude leiding geschoven. Maar het betrof hier geen gewone PE-leiding, maar een leiding die gevouwen was en daardoor kleiner en makkelijker manoeuvreerbaar. Eenmaal op zijn plek werd de leiding met stoom ‘opgebold’, waardoor hij precies aansloot op de binnenkant van de oude gasleiding. Vandaar de naam van de technologie: close-fit lining.

Het project was het eerste stukje gasleiding in Nederland dat op deze manier gerenoveerd werd. En dat betekent onvermijdelijk dat er nog wat kinderziektes zijn. “Er ontsnapte bijvoorbeeld best veel stoom, met al die langsrijdende auto’s wil je dat niet hebben”, zegt Sybe bij de Leij, innovator bij Enexis over de proef. “Dit probleem hebben we later wel opgelost.” Maar de technologie, hoe mooi ook, geeft vooralsnog wel meer hoofdbrekens. Zo waren er in Breda wat moeilijkheden met de machine die de nieuwe leiding in de oude leiding schuift. Ook is het nog niet eenvoudig om huisaansluitingen op zo’n nieuwe leiding aangesloten te krijgen. “Je kan het niet in één dag afmaken, waardoor huishoudens langere tijd zonder gas zitten.” Desondanks stemt de proef Bij de Leij tevreden. “Ik ben positief, maar er zijn nog wel meer testen nodig voor de techniek in het standaardpakket kan worden opgenomen.”

Netbeheerders testen volop nieuwe technieken die sleufloos vervangen of renoveren mogelijk maken. Dat gebeurt enerzijds omdat het in veel gebieden steeds lastiger wordt om de weg op te breken. Bewoners en de lokale winkeliers zitten daar namelijk doorgaans niet op te wachten en ook vergunningentrajecten nemen veel tijd in beslag. Maar sleufloos renoveren is ook een manier om kosten te besparen en om de productie op te schroeven. Bij Enexis neemt het vervangingstempo al enige tijd toe. Enkele jaren geleden werd jaarlijks 250 kilometer vervangen. Momenteel ligt het op ongeveer 350 kilometer en in 2018 moet jaarlijks zelfs 500 kilometer vervangen worden.

Maar close-fit lining is zeker niet de enige technologie die netbeheerders tot hun beschikking hebben bij sleufloos renoveren. Zo is Alliander al een aantal jaar bezig met een techniek die de ‘kousmethode’ wordt genoemd, of ‘relinen‘. Bij deze methode wordt de oude gasleiding van binnenuit bekleed met een soort kunsthars, die eenmaal op zijn plek actief wordt uitgehard. Groot voordeel van deze methode is dat de huisaansluitingen van binnenuit kunnen worden aangelegd: een robotje kan de lokatie bepalen en dan een gaatje boren waar de aansluitingen zitten. Alliander-woordvoerder Karen Nitschke laat weten: “De kousmethode is bij ons inmiddels in het standaardpakket opgenomen.” De netbeheerder heeft zelfs het initiatief genomen om samen met normeninstituut Nen, Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) en Netbeheer Nederland tot landelijke afspraken te komen over deze technologie.

Alliander experimenteert nog met andere technieken. Zo heeft het bedrijf de afgelopen maanden op drie locaties in Leiden, Leiderdorp en Wassenaar een techniek getest die Live Mains Insertion (LMI) wordt genoemd. Daarbij wordt een PE-leiding met een iets kleinere diameter in een oude gasbuis geschoven. Het bijzondere aan deze techniek is dat gedurende het werk het gas kan blijven stromen en huishoudens alleen worden afgesloten op het moment dat hun aansluiting daadwerkelijk aan de beurt is voor vervanging.

Ook Stedin zit niet stil. Eind dit jaar start het netwerkbedrijf met een pilot waar het ervaring op gaat doen met relinen, waarbij dezelfde kousmethode wordt gebruikt als die waar Alliander al zo veel ervaring mee heeft. Waar de test plaats vindt is nog niet duidelijk. “We hebben een locatie op het oog, maar het onderzoek of dit de ideale plek voor de proef is, loopt nog”, laat Stedin-woordvoerder Daniëlle Nicolaas weten.

Bij Enexis wordt gewerkt met een formeel afwegingskader dat de engineers moeten doorlopen bij het maken van een technologiekeuze bij sleufloos renoveren. Is een grote diameter bijvoorbeeld belangrijk? In dat geval valt een vrij simpele methode als sliplining  -kleine leiding in grote leiding– af en kan misschien beter gekozen worden voor pipebursting, waarbij de oude leiding kapot geknipt of gebroken wordt, alvorens de nieuwe leiding er in geschoven wordt. LMI is net close-fit lining nog niet in het standaardpakket van Enexis opgenomen, maar hier kan verandering in komen, want na de bouwvak gaat het bedrijf een praktijktest uitvoeren in Tilburg.

De netbeheerders benadrukken dat het geen wedstrijdje is tussen de verschillende technieken. Elke techniek heeft zijn specifieke toepassingsgebied. De kousmethode is bijvoorbeeld erg geschikt in steden, omdat de huisaansluitingen binnen één dag kunnen worden gemaakt. Maar ook omdat in steden veel gietijzeren leidingen liggen, die behoorlijk dik en stevig zijn. De beruchte brosheid van deze leidingen kan goed worden gecompenseerd door de taaie kous. In de buitengebieden ligt vaker staal onder de grond of PVC. En die materialen lijken minder geschikt voor de kousmethode. “Staal heeft een andere vorm van corrosie dan gietijzer, waardoor het mogelijk op grotere stukken zijn sterkte verliest”, zegt Enexis-man Bij de Leij. “En aan PVC hecht de kous niet goed.” Dit is ook de verklaring dat Alliander relatief veel ervaring heeft met de ‘kousmethode’ en Enexis juist weer met andere technieken. Alliander heeft veel stedelijk netwerk en Enexis zit meer in de buitengebieden. En in die buitengebieden is pipebursten weer meer gemeengoed, omdat daar het risico kleiner is dat met de machine naastgelegen kabels en leidingen worden geraakt.

Sleufloos vervangen is met een opmars bezig. Dat wil zeker niet zeggen dat de straat nooit meer open hoeft. In sommige gevallen is dit zelfs ronduit de beste optie, zegt Alliander-woordvoerder Nitschke. “Als de straat toch al open moet voor bijvoorbeeld de vervanging van het riool of waterleiding, dan is de keuze snel gemaakt.”

Duurzaam verwarmen en koelen met smart grid WKO’s

In: Stadswerk Magazine, januari 2018

Koelen en verwarmen van kantoren en andere utiliteitsgebouwen met warmte en koude uit de bodem is een effectieve manier om energie te besparen. Nieuwe inzichten over hoe je de bodembronnen beter kan benutten, maken de keus voor een WKO-systeem (warmte-/koudeopslag) nog aantrekkelijker. Hoewel de gemeente niet de bevoegde vergunningverlener is voor WKO’s, dat is de provincie, hebben gemeenten wel een belangrijke rol als aanjager.

Op de campus van de Nijmeegse Radboud Universiteit liggen de gebouwen wat verscholen in het groen. Alleen de hoge Erasmus-toren steekt met gemak boven al het groen uit. Rond het jaar 2000 besloot het universiteitsbestuur om het diepe grondwater dat zich onder de campus bevond te gaan gebruiken voor het verwarmen en koelen van enkele studiegebouwen. Om dat water naar boven te krijgen werden tien brongaten geboord tot een diepte van ongeveer 50 meter, voor vijf warme bronnen en vijf koude bronnen. In de winter werden de warme bronnen aangesproken en in de zomer de koude bronnen.

Dubbelpijps

In theorie was dit een mooi model. Maar de praktijk pakte niet precies zo uit. De gebouwen bleken gedurende het jaar namelijk meer warmte nodig te hebben dan koude. En zo ontstond er een ongewenst koude-overschot. Daar kwam nog eens bij dat de bronpompen maar een paar pompstanden kenden en dus meestal harder pompten dan strikt noodzakelijk. Dat kon en moest beter. Al was het alleen maar omdat universiteiten zich in de Meerjarenafspraken hebben gecommitteerd aan een jaarlijkse energiebesparing van 2%, waarover wordt gerapporteerd aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), zegt Toon Buiting, coördinator energiebeleid bij de Radboud Universiteit. “Sinds de optimalisering van ons WKO-systeem is het rendement op onze installatie verdubbeld”, zegt hij trots.

De ingreep die werd toegepast is even logisch als ingenieus. In plaats van een enkelpijpssysteem, dat water slechts in één richting laat stromen, werd een dubbelpijps systeem aangelegd, waardoor warmte en koude altijd beschikbaar zijn, ongeacht het seizoen. Niet het bronsysteem was nog leidend, met zijn seizoensinstelling, maar de energievraag uit de gebouwen zijn dat nu, het bronsysteem dient te volgen. Tegenwoordig wisselen op de Nijmeegse campus gebouwen bovengronds onderling warmte uit en is de ondergrondse WKO op momenten zelfs niet eens nodig. De volgende uitbreiding van het WKO-net zit er dan ook alweer aan te komen, zegt Buiting. “De markante Erasmustoren is over twee jaar aan de beurt.”

Niet optimaal

WKOs hadden  enige tijd geleden een minder goed imago. Om de werking van WKO’s te verbeteren heeft de overheid nieuwe regels aan de kwaliteit van bodemenergiesystemen voor ontwerp, aanleg en beheer gesteld. Hierdoor zijn de WKO-installaties nu efficiënt en betrouwbaar, zoals bovenstaand voorbeeld van de Radboud Universiteit illustreert.

Een paar honderd meter naast de WKO van de Radboud Universiteit is nóg een flinke WKO geïnstalleerd, bij het Universitair Medisch Centrum. Die is nu ongeveer vijf jaar in gebruik en is bij aanvang al ‘slim’ en flexibel ontworpen, zegt Els Sonnemans, strategisch adviseur energie van het Radboud UMC. Desalniettemin bleken wijzigingen in het bouwprogramma te leiden tot een warmteoverschot. Dat wordt aangepakt: “We gaan er nieuwe gebouwen op aansluiten die een warmtevraag hebben en we gaan water in de warmtapwaterleidingen tot 45 graden voorverwarmen met de warmte uit de WKO. Daarna verwarmen we het water verder tot 70 graden. Dat doen we conventioneel of misschien met een hoogtemperatuurwarmtepomp.”

Zowel de universiteit als het UMC in Nijmegen willen op termijn de capaciteit van hun WKO uitbreiden met extra bronnen, zeggen Buiting en Sonnemans. Om dit zo goed mogelijk te faciliteren heeft de gemeente Nijmegen drie jaar terug, samen met de universiteit, het UMC en de provincie , het in bodemenergie gespecialiseerde bedrijf IF Technology opdracht gegeven om precies in kaart te brengen wat de mogelijkheden en knelpunten hierbij zijn. Het probleem is namelijk dat de twee academische instituten niet als enige gebruik maken van de ondergrond daar ter plaatse: ten noorden zijn al twee andere WKO’s en het drinkwaterbedrijf Vitens gebruikt het zuidelijk deel van de bodem onder de campus als waterwingebied. De inventarisatie van IF Technology resulteerde in het informatieve rapport ‘Bodemenergieplan Campus Heyendaal, plan voor stimulering en ordening van bodemenergie’.

Momenteel onderzoekt Vitens de contouren waarbinnen het de komende 25 jaar water wil winnen en Buiting en Sonnemans zeggen dat hun organisaties wachten op de uitkomsten van dit onderzoek voor ze verdere plannen maken. Die uitkomsten zullen waarschijnlijk verwerkt worden in de nieuwe grenzen van het grondwaterbeschermingsgebied en wellicht ook in het bodemmasterplan van de gemeente. “Misschien betekent dit wel dat we moeten gaan boren buiten het campusgebied, in de publieke ruimte. In dat geval zullen we met de gemeente om tafel gaan zitten. Want zij zal aan moeten geven waar warme en koude putten geslagen kunnen worden.”

Van ster naar ring

Ook in de gemeente Utrecht staan WKO’s hoog op de agenda. De gemeente heeft zich opgeworpen als kennismakelaar en helpt initiatiefnemers met informatie over archeologische waarden en bodemverontreinigingen op de betreffende locatie. Ook tips over het goed inregelen van de WKO of over kansrijke allianties worden door de gemeente ruimhartig verstrekt.

Eén van de bekendere WKO’s in de stad is de WKO op de Uithof, de grote campus van de Universiteit Utrecht. Deze was oorspronkelijk ontworpen in een sterpatroon en seizoensgeregeld, zegt Fréderique Houben, hoofd van de afdeling Energie van de Universitaire Bestuursdienst en afgelopen november met haar team winnaar van de WKO Duurzaamheid Award. Ook hier heeft een flinke upgrade van het systeem plaatsgevonden, zo’n twee jaar geleden. \

“In plaats van een ster hebben we nu een ring, waarbij de gebouwen met elkaar verbonden zijn”, aldus Houben. Het nieuwe grid is ‘slim’, in de zin dat warmte en koude bínnen gebouwen met elkaar kan worden uitgewisseld (denk aan overtollige serverwarmte) en tússen gebouwen. De WKO komt alleen in actie als deze onderlinge uitwisseling niet toereikend is. De WKO als een soort buffer dus. Een speciaal voor de Uithof ontwikkeld bodemenergieplan – “daar zijn we best een beetje trots op” -dat precies in kaart brengt waar warme en waar koude bronnen gerealiseerd (kunnen) worden geeft de universiteit regie op de ondergrond en extra grip op de toekomstige ontwikkelingen.

Een WKO is een prachtig middel om energie te besparen en om de duurzaamheidsambities mede waar te maken, zo stellen Buiting, Sonnemans en Houben. Maar het is ook een complexe installatie, waar de juiste expertise voor aanwezig moet zijn. Gedeeltelijk komt die expertise van buiten. Sonnemans: “Het is belangrijk dat je al in een vroeg stadium experts bij het project betrekt en daarvan leert. Op die manier voorkom je kostbare fouten.” Dat is waar, zegt Houben, je moet niet meer willen doen dan je kan. “En als je de materie dan eigen heb gemaakt geldt, zeker voor grote organisaties als universiteiten, dat je de energiekennis in huis moet houden. Daarin investeren, zodat je niet om het minste incident meteen de adviseur hoeft te bellen.”

ECN in Eemshaven in ‘lastige situatie’

ECN heeft al een testveld voor turbines in de Wieringermeer in Noord-Holland. Dit ECN Windturbine Testpark Wieringermeer (EWTW) is operationeel sinds 2003. Hier draaien permanent 5 2,5 MW Nordex-turbines en verder is er plek voor vier prototype-turbines met een maximale ashoogte van 100 meter, met een vermogen van 6 MW. Zo werd in 2010 de komst op het park van de SWT-3.6 (3,6 MW) turbine van Siemens feestelijk onthaald. Dat was destijds de meest verkochte windturbine voor offshore windparken.

Maar met 100 meter ashoogte kom je er niet meer tegenwoordig. Daarom was ECN er op gebrand om bij Windpark Wieringermeer (in feite de herstructurering en uitbreiding van bestaande parken, waaronder het EWTW van ECN) te gaan voor hogere ashoogten. In het EWTW II is er de mogelijkheid van het testen van prototypes met een maximale ashoogte van 150 meter en een maximale rotordiameter van 175 meter. Inmiddels zijn er al twee nieuwe prototypes gebouwd en is de derde in aanbouw.

Dat is al mooi, zegt Rademakers, maar toch echt nog te weinig als je testen wil uitvoeren aan de offshore turbines die binnenkort de markt op komen. Daarbij komt dat de windturbines te groot worden om vanaf de IJsselmeerhaven bij Wieringerwerf te vervoeren. “Met een schoenlepel krijg je ze er wel in, maar het is een onhandige locatie.” Daarom is ECN al een jaar of vier in gesprek met de provincie Groningen om ten westen van de Eemshaven, vlak bij de Waddendijk, een testveld te bemachtigen waar het wel mogelijk is om drie à vier turbines van vermogens tussen 8 en 12 MW te testen.

“Omdat ECN zelf geen grondposities heeft in dit gebied zijn we [in 2014, red] een samenwerking aangegaan met Nuon en Eemswind”, laat Rademakers weten. Stichting Eemswind vertegenwoordigt de grondeigenaren in de Emmapolder en de Eemspolder. De hoop was dat het testveld in gebruik genomen had kunnen worden in “2016 of 2017, of bijvoorbeeld één locatie met een tijdelijke vergunning”. Maar de kans dat dit gebeurt is niet erg groot.

Want energiebedrijf RWE heeft net als Nuon cum sui het plan opgevat om Eemshaven West (100-130 MW) te ontwikkelen en deze bedrijven liggen in de clinch om de grondposities bij de Eemshaven. Volgens RWE, dat met windpark Westereems al vaste voet aan de grond heeft in de regio, hebben boeren hun grond twee keer verkocht: de ene hoek van hun land aan RWE en de andere hoek aan Nuon. De Duitse energiereus stapte in mei naar de rechter om de boeren te dagvaarden.

Het ministerie van Economische Zaken heeft Witteveen+Bos opdracht gegeven voor het uitvoeren van een milieueffectstudie (Mes) die duidelijk moet maken welk plan, dat van Nuon of RWE, de voorkeur geniet. “RWE wil windturbines realiseren in het profiel van de Waddenzeedijk. Nuon wil turbines vlak naast de Waddenzeedijk. Samen beschouwd staan de turbines te dicht op elkaar. Er moet dus gekozen worden tussen Nuon, RWE, een combinatie of een geheel nieuw alternatief. De Mes wordt uitgevoerd om gemotiveerd te kunnen reageren op de plannen van Nuon en RWE”, zo legt Economische Zaken het zelf uit. De bedoeling is dat er in maart een ‘voorkeursbeslissing’ wordt genomen. Dan komt er ook een besluit of er wel of geen Rijkscoördinatieregeling komt voor het gebied.

Maar ondertussen zit ECN “bij Nuon op de bagagedrager” en kan het niet veel anders dan wachten op een oplossing in deze “patstelling”, zegt Rademakers. “En dan moet nog het hele vergunningentraject worden opgestart. Het is vervelend.”

En opdrachten gaan aan de neus van ECN voorbij. “Adwen -voorheen Areva- heeft [eind 2014, red] met ons -ECN, Nuon, Eemswind-, de gemeente en de provincie onderzocht of en zo ja wanneer ze op het testveld van ECN een prototype van de 8MW turbine konden plaatsen. Helaas konden we toen geen perspectief bieden en zijn ze uitgeweken naar Bremerhaven”, laat Rademakers weten. In augustus van dit jaar begon in die Duitse haven inderdaad de bouw van het prototype van de 8 MW AD 8-180.

En terwijl we hier zitten te bakkeleien, gaan andere landen gewoon door met testen ontwikkelen van grote turbines. Rademakers geeft als voorbeeld Denemarken, waar begin deze maand het besluit werd genomen om het bestaande testveld Osterild uit te breiden “voor prototypes tot 300 meter tiphoogte”. Dus, lopen we hier in Nederland omzet mis? “Dat is wel waarschijnlijk.”

Wat is op dit moment voor ECN de beste strategie? “De ambitie van ECN is om dit testveld te realiseren samen met Nuon en Eemswind”, aldus Rademakers. En dat kan het best door “constructief met iedereen samen te werken om dit complexe probleem op te lossen”.

‘Woningwet staat verduurzaming in de weg’

Slibverwerkers en AVI’s met reststoffen in hun maag

Slibverwerkers en afvalverwerkingsinstallaties (AVI’s) hebben problemen met de export van hun rookgasreinigingsresidu en vliegasassen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verleent hier geen vergunningen meer voor, als gevolg van een uitspraak van de Europese rechter. Binnenkort volgt een bodemprocedure bij de Raad van State.

Door: Tijdo van der Zee, op Energeia  7 september 2018

Sinds vorig jaar verstrekt het ministerie van IenW geen vergunningen meer voor de export van met kwik verontreinigd rookgasreinigingsresidu van AVI’s, biomassacentrales en slibverwerkers en vliegas van AVI’s.

De bedrijven (zoals HVC en Twence) zijn het hier niet mee eens en zijn een bodemprocedure begonnen bij de Raad van State. Zij kunnen hun schadelijke afval wel kwijt bij Mineralz op de Maasvlakte, maar ze vrezen capaciteitsproblemen. Export is volgens deze bedrijven essentieel.

“Toch heeft het ministerie het juiste besluit genomen”, zegt jurist Andre Gaastra, gespecialiseerd in milieurecht en advocaat voor één van de partijen in de zaak -hij laat in het midden welke. “Het afval werd gestort in Duitse zoutmijnen. Maar je mag daar op grond van de Europese jurisprudentie geen gevaarlijke stoffen in toepassen. Of dat nu boven de grond is of onder de grond.”

Geen nuttige toepassing

In 2010 wilde een Italiaans bedrijf, Edilizia Mastrodonato, gedurende twintig jaar een oude steengroeve volstorten met gevaarlijke afvalstoffen. De Italiaanse rechter wist niet goed hoe te handelen en vroeg het Europese Hof van Justitie in Luxemburg om raad. Dat concludeerde in 2016 in een arrest dat het opvullen van zo’n groeve niet kon worden gezien als nuttige toepassing van gevaarlijk afval.

Het is deze Europese uitspraak waar het ministerie nu aan vasthoudt. Ook in het nieuwe Landelijke Afvalbeheerplan staan talloze verwijzingen naar het Edilizia-arrest. Gaastra: “De staatssecretaris kan dus niet anders dan de vergunningen weigeren.”

Binnenkort dient een bodemprocedure bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Stake over deze zaak. Tegen de uitspraak van de Raad van State is geen hoger beroep mogelijk. Ondertussen hoopten de afvalverwerkers op een tijdelijke vergunning, omdat ze anders misschien hun productie stil moeten leggen.

Maar staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Milieu, D66) ) heeft deze vrijdag besloten geen tijdelijke vergunning te verlenen om de tijd tot een uitspraak in de bodemprocedure te overbruggen. Wel wil ze meewerken aan een versnelde bodemprocedure.

Cuadrilla is vergunningen kwijt

Goedkoop offshore windpark dwingt pensioenbeheerder tot nieuwe keuzes

Duitse windparken, Nederlands luchtruim

De veiligheid van de slimme meter

De komst van de slimme gas- en elektriciteitsmeter brengt de nodige privacy- en veiligheidsissues met zich mee, die voorheen, met de oude analoge telwerken, niet speelden. Een inventarisatie van de zwakke punten van de P1- en de P4-poort en van de slimme meters zelf.

Door: Tijdo van der Zee, in Installatie Journaal 2016

Een vervelend probleem rond de slimme meter diende zich aan op de eerste dag van dit nieuwe jaar voor netbeheerders, energieleveranciers en energie-app- ontwikkelaars.  De stroommeter type 382 DSMR 2.2+ van het Sloveense bedrijf Iskrameco bleek onverwachts niet overweg te kunnen met het
jaartal ‘2016’ van de gasmeters van Flonidan en Landis+Gyr. Dat had als gevolg dat in 400.000 huishoudens de gasmeterstanden niet konden worden doorgegeven aan de netbeheerder, en ook niet via aan de P1-poort aan de energiedienstenaanbieders. Het euvel werd pas na ruim twee weken verholpen door het installeren van een software-update. “Bij facturatie zal in sommige gevallen een
schatting van het gasverbruik of het persoonlijk doorgeven van de gasmeterstand moeten plaatsvinden”, zegt Netbeheer Nederland-woordvoerder Martijn Boelhouwer. Hij benadrukt dat de data van de gasmeter nooit in gevaar zijn geweest, maar hij erkent wel dat de storing aantoont dat de introductie van software in de meterkast “bepaalde risico’s met zich meebrengt”.

Er kúnnen dus dingen fout gaan met de slimme meter. Maar dat betekent nog niet direct dat kwaadwillenden dat bewust, op afstand en op grote schaal zomaar even kunnen doen. De slimme meter moet namelijk voldoen aan wettelijke eisen, die zijn vastgelegd in het ‘Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen’. Die veiligheidseisen ontwikkelen mee met de voortschrijdende
technologie en worden dus steeds strenger. Dit is één van de redenen dat er telkens nieuwe meters op de markt komen (DSMR2.2, DSMR 4.0/4.2 en DSMR5.0).

In november vorig jaar rondde het European Network for Cyber Security (ENCS) – een in 2012 op Nederlands initiatief opgericht Europees kenniscentrum voor cybersecurity – een zeven maanden lange test af naar de betrouwbaarheid van de wat oudere generaties slimme meter, de DSMR 2.2 en DSMR 4.0. Voldeden deze nog aan de normen? Grotendeels wel, stelt security-adviseur Boas Bierings van netbeheerder Enexis, die bij de test betrokken was eerder. “Er zijn geen schokkende dingen uitgekomen. Als je zo lang test, kom je altijd wel verbeterpunten tegen, maar dat is op het niveau van punten en komma’s, bits en bytes”, zo zei hij tegen nieuwsbureau Energeia. Op dit moment is er geen dringende actie nodig, aldus de adviseur, aanpassingen kunnen worden meegenomen bij een volgende software-update van de digitale meters.

Wat die bits en bytes dan inhoudelijk betekenen, wil Bierings tegenover Installatie Journaal/Gawalo niet toelichten. “Wij zullen niet ingaan op de exacte resultaten van de securitytesten. De netbeheerders zullen de resultaten wel delen met de meterleveranciers en door middel van software updates kunnen de netbeheerders waar nodig de slimme meters verbeteren.” Bierings wijst op een positief effect van het besluit enige jaren geleden om de
mogelijkheid van op afstand afknijpen en afsluiten uit de meter te halen. Dat heeft er namelijk toe geleid dat “de impact van een mogelijk hack kleiner zal zijn”. Volgens Bierings hoeven installateurs
van de slimme meter overigens niet bang te zijn dat zij met een slordige installatie de veiligheid van het meetsysteem in gevaar brengen. “De security van de slimme meter is niet afhankelijk van de
installateur”, aldus Bierings beslist.

Identiteitsfraude
Het onderzoek van het ENCS beperkte zich tot de slimme meter zelf en liet de P1-poort en de P4-poort buiten beschouwing. Toch kennen deze poorten hun eigen gevaren. Dat bleek bijvoorbeeld
begin vorig jaar, toen journalist Jaap Meijers aantoonde hoe eenvoudig het was om bij ODA’s (onafhankelijke dienstenaanbieders) energiegegevens uit die P4-poort binnen te halen van iemand anders. ODA’s zijn bedrijven die, met toestemming van de klant, de energiedata die bij de netbeheerders liggen, op te vragen en door te sturen. Maar het bleek dat je met speels gemak de
naam en het adres van iemand anders dan jezelf kon invullen,  waarna de energiedata van die persoon je tegemoet stroomden.

Toen deze identiteitsfraudegevoeligheid bekend werd, trapte
Netbeheer Nederland onmiddellijk op de rem wat betreft gegevensverstrekking aan ODA’s. Inmiddels zijn de betrokken partijen hard bezig met het vinden van een algemeen geaccepteerde en juridisch verankerde oplossing voor het probleem. Die ligt in een gedragscode, waar netbeheerders, ODA’s, leveranciers, het ministerie van Economische Zaken, de ACM en het College voor de
Bescherming van Persoonsgegevens naar verwachting in februari hun handtekening onder zetten, waarna de code in de Staatscourant gepubliceerd zal worden.

Hoewel op dit moment dus nog niet bindend, hebben ODA’s zich al wel gecommitteerd aan de gedragscode, zegt Joost Zonneveld van VEDEK, de branchevereniging voor ODA’s. Die code behelst dat klanten vier verificatie-opties voorgeschoteld krijgen. Dat zijn een handtekening op papier, een toegestuurde brief met daarop een activatiecode, de meterstand of het meternummer. “Ook dit is
natuurlijk geen waterdicht systeem, maar het maakt fraude, en zeker massale fraude, een stuk moeilijker”, zegt Zonneveld. Ook voor verhuizingen komt een regeling, omdat nu iemand die verhuisd is nog de energiegegevens van de nieuwe bewoner doorkrijgt. Dat verandert. Zonneveld: “Bij een melding van een inhuizing of uithuizing wordt de doorgifte van de data stopgezet. En dan
moet men zich daarna actief weer aanmelden.” Of ODA’s nu blij zijn of niet, met deze maatregelen, is niet helemaal duidelijk. “In ieder geval kost het implementeren ervan wel een heleboel extra werk”,
aldus Zonneveld.

TV-programma’s
Blijft over de P1-poort. Deze poort is een mogelijke punt van zorg, omdat de energiedata uit de P1-poort zo gedetailleerd zijn, dat je er volledige gedragspatronen uit kan destilleren. Wellicht is dat iets
minder een security-verhaal, maar des te meer een privacy-issue. De informatie uit de slimme meter is namelijk zó gedetailleerd dat je er bijvoorbeeld uit op kan maken welk televisieprogramma je kijkt,
zo toonden de hackers Dario Carluccio en Stephan Brinkhaus vier jaar geleden al aan (video te zien op Youtube).

Eén van de producten die gebruik maakt van de gegevens uit de P1-poort, is de slimme thermostaat Toon (voorheen van Quby, tegenwoordig eigendom van Eneco). Deze thermostaat maakt gebruik van een open Toon-platform waar app-ontwikkelaars in de nabije toekomst apps kunnen ontwikkelen en aan Toon gebruikers kunnen aanbieden. Nu al is het bijvoorbeeld mogelijk om de rookmelder van Eneco aan Toon te koppelen.

\Bij Eneco is men zich er bewust van dat het gebruik van een open platform een privacy-risico met zich meebrengt, zegt Jilles van den Beukel, manager Regulatory Affairs bij Eneco. “Partijen die gebruik gaan maken van ons platform, moeten daarom ook onze privacy-uitgangspunten hanteren.” Eneco heeft in mei vorig jaar een privacy-board opgericht waarin vijf Eneco-medewerkers zitten, waaronder iemand van Toon. “Deze board is een spin in het web binnen Eneco. Iedereen die een product wil lanceren met een privacy-component moet langs deze board”, aldus Van den Beukel. Overigens is het aanstellen van een privacy officer onder de nieuwe EU privacyregelgeving binnenkort verplicht. Van den Beukel ziet in het algemeen dat privacy door bedrijven nogal eens defensief wordt geïnterpreteerd. “Wij willen daarin proactief zijn. Door de gebruiker bij nieuwe producten vooraf altijd goed te informeren.”