Vernieuwde wko bij Nijmeegse universiteit is nu vooral een buffer

De warmte-koudeopslaginstallatie (wko) van de Radboud Universiteit in Nijmegen onderging vier jaar geleden een ingrijpende transformatie. Daarmee ging de efficiëntie omhoog en verminderde het koudeoverschot. De koude en warme bronnen fungeren nu vooral als een soort buffer, die bijspringt als de onderlinge uitwisseling tussen de gebouwen niet voldoet in de behoefte.

Tekst: Tijdo van der Zee
Dit artikel werd gepubliceerd in Gawalo op vrijdag 30 mei 2014

De Radboud Universiteit koos in 2003 voor een warmte-koudeopslagsysteem voor het nieuwe Huygensgebouw, waar de faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica zijn intrek nam. Het systeem werd gevoed door vijf warme en vijf koude bronnen van ongeveer vijftig meter diep met een debiet van maximaal 90 m3 per uur. Dat betekent een verwarmingscapaciteit van 4,5 MW en een koelvermogen van 8 MW. Enkele jaren later werd ook het Linnaeus-gebouw op het systeem aangesloten, waar ondersteunende diensten huizen zoals het Universitair Vastgoed Bedrijf.

Ontwerpfouten

Twee ‘ontwerpfouten’ van de installatie leidden echter tot een ondermaats presteren van de wko. Ten eerste was het systeem ingeregeld per seizoen. Dat betekent dat in de lente geput werd uit de koude bronnen. In de herfst schakelde het systeem om en werden de warme bronnen aangeboord. Dat maakte het systeem inflexibel: als een gebruiker koude nodig had in de winter, moest het systeem de koeltorens op het dak aanspreken. En bij benodigde warmte in de zomer, moesten de ketels bijspringen, zo legt Wim Kapel, energiecoördinator bij de Radboud Universiteit, uit. Een ander probleem was dat er geen toerenregelaars op de bronpompen waren geïnstalleerd. Dat betekende dat er alleen maar in grote stappen van telkens 90 m3 per uur kon worden bij- of afgeschakeld. Hierdoor werd er eigenlijk altijd teveel bronwater verpompt en dat leidde weer tot lage temperatuurverschillen tussen de koude en warme bronnen. Dit verschil was op een gegeven moment nauwelijks hoger dan 2 graden. Een bijkomende complicatie was dat de twee aangesloten gebouwen jaarlijks netto meer warmte vroegen dan koude, waardoor er uiteindelijk een koudeoverschot ontstond. Dat overschot bouwde zich in de jaren geleidelijk op. Een dieptepunt werd bereikt in de winter van 2011, toen het overschot piekte op 17.000 GJ. “Maar we hebben met de provincie afgesproken dat de balans in de bodem hersteld wordt en daarover rapporteren we ieder kwartaal”, aldus Kapel.

Buiten gebruik

De problemen die de Radboud Universiteit tegen kwam staan zeker niet op zichzelf. Dat wko’s in Nederland vaak niet optimaal presteren mag geen verrassing heten. Om een indicatie te geven van de omvang van het probleem een kleine statistiek van de Omgevingsdienst van het Noordzeekanaalgebied. Met de Wet Milieubeheer in de hand nam deze dienst wko’s van tientallen bedrijven in de regio onder de loep . In 85 procent van de gevallen is er “echt iets aan de hand is”, zo luidde de uitkomst. Zo’n 10 procent van de wko’s is zelfs helemaal buiten gebruik gesteld. Daar staat tegenover dat slechts 5 procent echt op orde is. Eind vorig jaar hield installatie-adviesbureau DWA in Bodegraven een wko-manifestatie. Daar stelde Patrick Teunissen, betrokken bij de wko-analyse in het Noordzeekanaalgebied, dat het tijd is om een boekwerk te publiceren met probleemgevallen. “Om lering uit te trekken. We hebben niets aan juichverhalen, als de schaduwkanten nooit belicht worden”, aldus Teunissen. Bij diezelfde manifestatie stelde DWA-directeur Hans Buitenhuis dat er lang verkeerd gekeken is naar wko’s. Vaak is de installatie de basis en allesbepalende factor van het klimaatsysteem in een gebouw. Buitenhuis wil deze zienswijze omdraaien en hij pleit dan ook voor een ‘integrale aanpak’ bij gebouwen. Daarbij worden de gebouwschil, het afgiftesysteem, de energiecentrale met wko en de ondergrondse opslag integraal in het ontwerp meegenomen. Kern van dit denken is dat de wko reageert op de energievraag van het gebouw en niet andersom. “De onderlinge samenhang tussen de elementen wordt hierbij nadrukkelijk van meet af aan meegenomen in ontwerp en in de uitvoering”, aldus Buitenhuis. Volgens Buitenhuis was de Radboud Universiteit met zijn seizoensgeregelde wko eerder uitzondering dan regel. “Zulke wko’s worden nauwelijks meer toegepast in de utiliteitsbouw. Het is toch echt wel gebruikelijk dat een koel-verwarmingscentrale met wko reageert op de vraag naar koude of warmte.” Overigens kan een seizoensgeregelde wko voor bijvoorbeeld middelbare scholen een prima oplossing zijn, zegt Buitenhuis: “Maar voor grootschaliger gebouwen met allerlei functies erin, moet je er als ontwerper rekening mee houden dat het gebouw op elk moment in het jaar warmte of koude kan vragen. Daar moet je dan ook het geschikte systeemconcept met wko bij selecteren en uitwerken.”

Twee ontwerpfouten van de installatie leidden tot ondermaats presteren van het wko-systeem van de Radboud Universiteit in Nijmegen. (Foto: Radboud Universiteit Nijmegen)

Maatregelen

Terug naar de Radboud Universiteit. In 2011 kreeg Installatieadviesbureau Deerns daar de opdracht om een systeem te engineeren dat beter werkt dan het oude. Imtech werd in het vervolgtraject verantwoordelijk voor de werktuigbouwkundige installaties en voor de meet- en regeltechnische installaties. De beperkte regelbaarheid van de wko werd teruggebracht. De bronnen zijn nu onderdeel geworden van een campusbreed energiesysteem, waarbij gewillig wordt gereageerd op de vraag van de aangesloten gebouwen. Drie maatregelen hebben de wko weer zover gekregen dat er plezier aan te bele

ven is, zo blijkt duidelijk uit de rondleiding die Wim Kapel langs de vernieuwde installaties geeft. Ten eerste is de seizoensinstelling losgelaten. Voorheen stroomde het water in één richting, afhankelijk van het seizoen. Om gelijktijdig van warmte en koude gebruik te kunnen maken, is er een tweepijpssysteem geïnstalleerd: een warme en een koude leiding. Daarbij bepaalt het gebouw door middel van een nieuwe pomp (geplaatst op de plek waar eerst een ketel gepland stond) van welke leiding het gebruik wil maken. De pompe

n bij de bronnen reageren desgewenst op de vraag uit de gebouwen door water in de bodem te injecteren dan wel eruit te onttrekken.

Op deze manier houdt het systeem zichzelf op druk. Maatregel twee is het toevoegen van toerenregelaars bij de bronpompen. Hierdoor kan er elke gewenste hoeveelheid water de bodem in dan wel uit, wat de efficiëntie verhoogt. Voor deze maatregel was het ook nodig om een regelafsluiter in combinatie met een drukhandhavingstoestel te plaatsen. Door deze combinatie kan het debiet over de bronnen gelijk verdeeld worden en ontstaat er geen drukverschil voor en achter de regelafsluiter, waardoor cavitatie (gasvorming) op zou kunnen treden, die de werking van het systeem aantast. Met bovengenoemde maatregelen werd de bruikbaarheid en efficiëntie van de wko wellicht verbeterd, maar het probleem van de onbalans werd er nauwelijks mee opgelost. Een uitkomst was dan ook de aansluiting van het HFML-gebouw, waarin het magenetenlab is gevestigd, in de zomer van 2012. Deze magneten moeten hun warmte kwijt. Die werd eerst afgefakkeld op het dak, maar kan nu in de leidingen geïnjecteerd worden.

Koudeoverschot

Door de toevoeging van het magnetenlab in het wko-netwerk, werd het ook mogelijk voor de gebouwen om hun warmte en koude onderling uit te wisselen, een mogelijkheid die inmiddels uitbundig benut wordt. Bij tijd en wijle hoeven de bronpompen zelfs helemaal niet te werken. Ze fungeren meer en meer als een soort buffer, die bijspringt als de onderlinge uitwisseling tussen de gebouwen niet voldoet in de behoefte. De koeltorens op het dak van het HFML-gebouw kunnen desgewenst ingezet worden om periodieke balans van de bronnen te bewerkstelligen. Inmiddels is het temperatuurverschil tussen de bronnen opgelopen naar 7 graden. Met die balans gaat het inmiddels redelijk de

goede kant op. Het grote koudeoverschot dat in tien jaar tijd is ontstaan zal de komende jaren niet onmiddellijk zijn weggewerkt, maar de Radboud Universiteit is er wel in geslaagd het niet verder te laten oplopen. Door nieuwe overheidsregels is een koudeoverschot sinds juli 2013 ook voor grote open systemen in principe toegestaan. De universiteit heeft afgesproken met de provincie Gelderland dat de balans in 2015 binnen de vergunningsgrenzen zal blijven

Nieuw gebouw

Dit jaar komt er een nieuw gebouw gereed op de Nijmeegse campus: het Grotiusgebouw voor de faculteit rechten. Ook dit gebouw krijgt een aansluiting op de warmte- en koudeleidingen op het terrein. De vraag rijst wel of dit gebouw, dat een netto warmtevraag zal hebben, de onbalans weer groter zal maken. Volgens Wim Kapel kunnen de warmte van de magneten en de inzet van (dry)koelers de energiebalans in evenwicht brengen, ook bij toevoeging van nieuwe gebouwen. “Het koudeoverschot is nu nog niet opgeheven. Dit jaar gaan we hier mee verder. Maar de ontwikkelingen brengen we eerst graag naar de provincie.”

 

Advertenties

Zonnestroomverdelers zetten in op corporatiewoningen

Het zonnesystemenbedrijf LENS, bekend van Herman de Zonnestroomverdeler, gaat zich in plaats van op VvE’s vooral richten op woningcorporaties. Gelijktijdig brengt het bedrijf nieuwe hardware en nieuwe software op de markt, die deze ommezwaai ondersteunen. LENS krijgt sinds kort concurrentie van de relatief nieuwe speler Cast4All en zijn partner Xemex, dat met het product Powershare soortgelijke ambities heeft.

Door: Tijdo van der Zee, in Installatie Journaal maart 2017

In november 2013 stond Herman de Zonnestroomverdeler volop in de schijnwerpers. LENS had zojuist de Herman Wijffels innovatieprijs gewonnen. ‘De zonnestroomverdeler maakt zonnestroom voor iedereen toegankelijk en rendabel. Het is ook een sociale innovatie: bewoners gaan samen zonnestroom opwekken en verdelen. Dat bevordert het onderlinge contact’, zo concludeerde de jury.

Nu, bijna 3,5 jaar later, en enkele honderden Herman-installaties verder, gaat LENS zich richten op woningcorporaties. VvE’s blijken namelijk trage en weifelende beslissers, zegt Jim Wiese, Chief
Technology Officer van Lens Energie. “Het enige beslismoment is de jaarlijkse vergadering van eigenaren. Dan moeten LENS en de aanjagende bewoners het voor elkaar krijgen om groen licht te
krijgen voor de zonnestroominstallatie. Maar het gebeurt nogal eens dat dit agendapunt wordt ondergesneeuwd door een onderwerp als een verkeerd geplaatste bloempot. Dan is ons momentum voorbij en moeten we weer een jaar wachten. Daar kan je moeilijk je bedrijf op bouwen.”

Voor LENS is dat de belangrijkste reden om zich te richten op een ander segment – waar ook nog de nodige vierkante meters ontgonnen kunnen worden: daken van woningcorporaties. Maar omdat corporaties toch weer wat andere wensen hebben dan VvE’s, moest LENS zijn assortiment bijwerken. Over hoe dat ging later meer, eerst nog even recapituleren wat Herman de Zonnestroomverdeler 1.0 nu eigenlijk is.

In dat concept wordt uitgegaan van een gezamenlijk dak en de onderliggende elektriciteitsaansluitingen van de woningen en vaak ook een collectieve voorzieningen meter. Om wél de salderingsmogelijkheid te benutten van al deze aansluitingen, maar niet te hoeven investeren in evenveel kleine omvormers, bedacht Christiaan Brester, algemeen directeur van LENS, in 2012
Herman de Zonnestroomverdeler. Dit is een fysiek onderdeel – een kastje – van de installatie dat wordt geïnstalleerd tussen één centrale grote omvormer en de verschillende huisinstallaties. In deze kast zijn relais gemonteerd die de aansluiting naar de woning kunnen aan- of uitzetten. Software, die via internet of gprs verbonden is met de systemen van Lens Energie, kunnen bepalen naar welk huishouden de eerstvolgende lading zonnestroom geleid wordt. Omdat nauwkeurig bijgehouden wordt hoeveel elk huishouden ontvangen heeft, en er tegelijkertijd in het contract is vastgesteld op hoeveel elektriciteit elk huishouden recht heeft, is het dag-op- dag eenvoudig om telkens te schakelen naar de juiste woning.

Lens Energie ontwierp twee verschillende hoofdsystemen van de Herman, (met inmiddels negen subtypen). Door deze in combinatie toe te passen kan het team van LENS voor alle denkbare situaties
een oplossing bieden. Het eerste systeem is een centraal systeem waarbij de relaiskast achter de omvormer wordt geplaatst en van daaruit lopen AC-kabels richting maximaal zestien (maar
gemiddeld zes) individuele aansluitingen, tot achter de meter. En dan is er een decentraal systeem, waarbij elke woning een eigen relaiskastje heeft, dat strak tegen de stoppenkast aan gemonteerd is, en die wordt aangestuurd door een communicatiekabeltje. Deze variant maakt de aanleg van AC-bekabeling in sommige gevallen makkelijker, bijvoorbeeld als er tussen twee groepen aansluitingen
een lange gang overbrugd moet worden. Dit is een besparende maar installatietechnisch complexere
oplossing.

LENS heeft niet stilgezeten. De nieuwe zonnestroomverdeler – Herman 2.0 – heeft niet alleen meerdere uitgangen richting de woningen en centrale voorzieningen, maar ook meerdere ingangen.
Op dit moment lopen drie pilotprojecten met deze nieuwe Herman, allen in Amsterdam. “Multigrid noemen we dit”, zegt Wiese. “Op die manier kunnen we meerdere omvormers en ook meerdere
energiebronnen op één Herman aansluiten en kunnen we dus nog grotere systemen engineeren.
Daarbij kunnen we nu ook meerdere soorten bronnen en meerdere soorten verbruikers in één systeem zetten. Wind- en zonne-energie in combinatie met een accu en dat geheel gaan we dan weer koppelen aan verbruikers zoals warmtepompen, woningen en auto’s, allemaal zonder ‘slimme’ meters”. Op deze ontwikkelingen heeft LENS patenten liggen.

Een concreet voorbeeld: Op het dak van een gestapelde woningbouwcomplex aan de Amsterdamse Louise Wentstraat liggen 432 pv-panelen. Het gaat hier om typische 1×40 Ampère aansluitingen, dat betekent NEN1010 afzekeren op 25 Ampère-groepen en dus een omvormer van 5000 Watt. Voor 432 panelen kom je dan op 18 omvormers en dus ook 18 Hermannen 1.0. Bij de multigrid Herman 2.0 zijn drie omvormers per Herman mogelijk, dus zou een soortgelijk project nu toe kunnen met zes Hermannen.

Nieuwe software
Bovenstaand is de hardwarematige verandering die LENS heeft doorgevoerd in de Herman productgroep. Daarnaast zijn er softwarematige aanpassingen gedaan. “Ons oude platform draait op
PHP en MySQL. Dat is heel gangbare programmatuur, maar het kent wel veel beperkingen. Met opschaling bijvoorbeeld. Of het feit dat je voor mobiel en desktop veel meer apart moet ontwikkelen.
Ook moesten installateurs bij het testen van de kanalen gebruik maken van sms en dat duurde best wel lang. Wat je wil is dat je direct resultaat hebt als je een aansluiting gaat testen. Als het dan in
orde is, dan kan de installateur de deur achter zich dicht trekken en verder. Maar dat ging dus niet met ons oude platform.”

“Vooral bij woningcorporaties is ontzorging erg belangrijk, stelt. Zij willen alles in één systeem krijgen. Of dat nu een signaal is van een Herman, van een omvormer of slimme meters. Woningcorporaties moeten dat allemaal geaggregeerd kunnen inzien.” De nieuwe software is ontwikkeld op basis van Javascript. “Je programmeert één regel code en die werkt dan op desktop, mobiel, Apple en Android. En zowel voor omvormers als voor de Hermannen.”

Sinds kort heeft LENS er een concurrent bij, die een product op de markt heeft gebracht dat behoorlijk wat gelijkenissen vertoont met de Herman. Dit product heet Powershare en is ontwikkeld door het Vlaamse Cast4All in samenwerking met het Nederlandse Xemex. De twee bedrijven hebben met de Powershare op dit moment een pilot lopen in Nederland. Maar ze houden nog even geheim waar dat is. “Over enkele weken zullen we hier met een persbericht naar buiten komen”, zegt Gert-Jan van den Hurk van Xemex.

Cast4All is ontstaan als startup uit de Universiteit van Antwerpen en richtte zich aanvankelijk vooral op het verzenden van grote databestanden, films naar bioscopen bijvoorbeeld, zegt Peter van der Stock, van Casst4All Technologies. Later is het bedrijf zich meer gaan specialiseren in het bouwen van robuuste monitor- en controleapplicaties waarbij gebruik gemaakt wordt van de zogenoemde Normalized Systems Technology, een softwaretechnologie ontwikkeld samen met de Universiteit
Antwerpen. Xemex heeft een historie in de wereld van de slimme meters. “Eigenlijk hebben wij de slimme meter ontworpen voordat de overheid deze grootschalig wilde invoeren”, aldus Van den Hurk. Het bedrijf had rond 2005 een manier ontwikkeld om de meterstanden van de analoge meter uit te kunnen lezen en deze via gprs te verzenden naar de netbeheerders.

Xemex ging daarna samenwerking aan met de slimme meter van Landis + Gyr. Dat resulteerde erin dat de Xemex-technologie nu is ingebouwd in elke slimme Landis + Gyr-meter in Nederland. “Dus dan hebben we het over miljoenen exemplaren”, zegt Van den Hurk. Het is precies deze slimme meter die Xemex en Cast4All nu gebruiken in hun PV-monitoringoplossingen en in hun product Powershare.

Deze meter wordt namelijk, net als de Herman van LENS, achter de omvormer gemonteerd (dat kan in de meterkast zijn, maar ook bijvoorbeeld vlakbij de omvormer). “Dit is dus een brutoproductiemeter, die alleen meet hoeveel de zonnepanelen opleveren”, zegt Van der Stock. En het feit dat deze meter MID (Measurement Instrument Directive) gecertificeerd is, maakt dat de data gebruikt kunnen worden voor het daadwerkelijk afrekenen van de geproduceerde zonne-energie. Overigens wordt de waarde van dit ‘unique selling point’ betwist door Jim Wiese van LENS. “Onze Herman heeft ook een MID, maar je hebt er in de praktijk niet zo veel aan.”

Geautomatiseerd systeem
“De slimme meter van Landis + Gyr heeft een aan/uit-relais. En we dacht dat we daar wel wat mee konden doen”, zegt Van den Hurk. Dat denken resulteerde in Powershare en het concept is vergelijkbaar met het decentrale systeem van Herman de Zonnestroomverdeler. In elke woning wordt een Landis+Gyr-meter gemonteerd, die dag-op- dag de toegang open of dicht zet, al naar
gelang de hoeveelheid elektriciteit waar dat huishouden wel of niet recht op heeft.

Een verschil met het concept van LENS, zegt Van der Stock, is dat Cast4All/Xemex de woningcorporaties doelbewust niet een end-to- end platform levert, waarop alle handelingen zijn in te zien en uit te voeren. In plaats daarvan gaat het bij Cast4All/Xemex om het leveren van diensten aan de ‘achterkant’: de data voor een geautomatiseerd meldingensysteem. Van der Stock: “Wij
vergelijken de opbrengst van de PV-panelen met onze software voortdurend met benchmarks, zoals de opbrengst van PV-panelen in de buurt. Daarvoor hebben we onze Clear Sky Performance Index
(CSPI) ontwikkeld. Als er dan iets niet klopt, wordt er automatisch melding gemaakt en kan er direct actie ondernomen worden. Dit is essentieel als je, zoals bij onze systemen, met Esco-constructies
werkt. Je return on investment verbetert daarmee enorm.”


Een lift alstublieft
Voor PV-installaties op corporatiedaken maakt nogal wat uit of een centrale voorzieningenruimte (CVZ) in een woningcomplex een lift heeft of niet. Een lift is namelijk een elektriciteitsslurper (al snel 10.000 kWh/j) van jewelste en met het salderen van deze elektriciteit komt een business case snel dichterbij. Dat heeft echter zin tot 50.000 kWh. Boven deze hoeveelheid gaat de energiebelasting drastisch omlaag en schiet salderen niet meer zoveel op. Dan is het nog wel mogelijk om SDE+-subsidie aan te vragen.

Ypenburgse warmtepomp levert warmte terug aan net van Eneco

Een warmtepomp in de Haagse wijk Ypenburg heeft afgelopen weekend warmte teruggeleverd aan het warmtenet van Eneco. De eigenaar van de warmtepomp wilde hiermee aantonen dat warmtenetten, net als het elektriciteitsnet, kunnen worden verduurzaamd door van consumenten prosumenten te maken.

Door: Tijdo van der Zee, in Energeia, 14 november 2016

Het fotootje van de warmtemeter van Landis + Gyr leverde op Twitter het bewijs: op dat moment registreerde de meter een negatieve warmte van -1,1 kW. Het gaat om de warmtemeter in de woning van Ardo de Graaf, eigenaar van installatiebedrijf Augustus Warmte en betrokken bij Bewoners Platform Ypenburg. “Mijn woning had op dat moment maar 4 kW aan warmte nodig, terwijl ik een warmtepomp heb van 5 kW. Dus ik kon ongeveer 1 kW aan warmte terugleveren.”

De Graaf koos bewust een koude dag uit (“het vroor”), omdat op koude dagen de warmtepomp hard moet draaien om het huis te verwarmen. Als er op deze piekmomenten nog capaciteit overblijft, dan weet je zeker dat dit ook bij minder koude dagen het geval is.

De Graaf heeft een Techneco lucht/waterwarmtepomp van 5 kW in zijn woning geïnstalleerd die de ruimteverwarming voor zijn rekening neemt. Het warme tapwater wordt geleverd door het warmtenet. Maar de warmtepomp is nog niet losgesneden van de retourleiding van het warmtenet en leverde dit weekend via deze leiding warmte van ongeveer 50 graden terug Eneco’s warmtenet. Dat betekent dat Eneco’s warmtekrachtkoppelingsinstallatie (wkk) minder hard hoeft te worden opgestookt om het retourwater weer op temperatuur te krijgen. De Graaf is op dit moment bezig om zijn systeem te patenteren.

Bewoners Platform Ypenburg en Eneco werken sinds juni vorig jaar samen in de zoektocht naar duurzamere warmtebronnen. In het persbericht werden toen biomassa, aardwarmte en zonnecollectoren genoemd. Warmtepompen kwamen niet in het verhaal voor. En warmtepompen zijn ook niet per definitie duurzaam, want ze gebruiken stroom uit het net om warmte op te wekken. Maar De Graaf heeft het volste vertrouwen dat de elektriciteitsvoorziening snel zal vergroenen.

Terugleveren heeft alleen zin als je de warmte kan salderen. De Graaf weet nog niet of de warmtemeter in zijn huis kan terugtellen. Dat moet binnenkort blijken. Maar dat is een kwestie van techniek. Grotere belemmeringen zullen zich voordoen op het wettelijke vlak. In de warmtewet wordt geen rekening gehouden met terugleveren, zegt Miriam van Ee, warmtewetkenner bij advocatenkantoor Eversheds. “Dit zit niet in de huidige warmtewet en ook niet in het concept-wetsvoorstel voor de herziene Warmtewet.” Volgens Van Ee zullen ‘prosumenten’ met “hun energieleverancier aan de slag moeten” om een regeling te treffen. Dat kan, zegt ze, zonder dat je daar de wet bij hoeft te betrekken.

Eventuele uitwerking van een salderingsregeling voor warmtenetten zal uiteraard parallellen vertonen met die regeling voor elektriciteitsnetten, zegt Van Ee, maar ook verschillen. “Bij het elektriciteitsnet saldeer je zowel de elektriciteitsprijzen als de belastingen. Bij warmtenetten gaat dat niet, omdat er geen energiebelasting over de warmte geheven wordt.” Van Ee vermoedt dat warmtenetexploitanten niet op terugleveraars zitten te wachten, omdat warmtenetbeheerders meestal ook producent zijn en andere invoeders hun “dure warmtenetten minder rendabel” zullen maken.

Warmtenetklanten betalen zowel vastrecht als voor de geleverde energie. Maar volgens Ardo de Graaf weerspiegelt deze berekening niet de exacte kosten die voor het netbeheer en de energie gemaakt worden. “Omdat netbeheerder en leverancier dezelfde partij is” hebben exploitanten geen reden om die kosten precies uit te splitsen. Maar zodra er teruggeleverd gaat worden, dan moet dit natuurlijk wel gebeuren. “Ik pleit er al sinds 2007 voor dat consumenten van warmte ook producenten kunnen zijn, maar tot nu toe komt er niets van terecht.” Hij vervolgt: “Bij het elektriciteitsnet kan het nu, maar we hebben daar jaren over moeten discussiëren. Laten we die discussie nu niet overdoen, maar gebruiken wat we van die discussies hebben geleerd.”

Eneco laat weten dat de warmteteruglevering niet onder de afspraken met Bewoners Platform Ypenburg valt. Woordvoerder Arie Spruit: “Dat heeft hij [De Graaf, red] vanuit zijn eigen interesse en expertise gedaan, niet vanuit het convenant. Het tekent zijn grote betrokkenheid. De uitdaging is echter groter dan één moment van teruglevering: we willen weten hoe we meerdere duurzame bronnen continu terug kunnen laten leveren binnen de geldende juridische en wettelijke kaders. Het uitgangspunt is op zichzelf simpel, maar dat is de uitwerking ervan niet.”

Uitbesteding energiebeheer Rotterdamse zwembaden met gesloten beurs

De negen Rotterdamse zwembaden besparen de komende 10 jaar 30% op hun energierekening. Maatregelen als WKK’s en kierafdichting moeten hiervoor zorgen. De investeringen kosten de gemeente Rotterdam niets; die worden namelijk gedaan door Strukton. Maar de financiële besparingen als gevolg van die investeringen, die zijn ook voor het bouw- en installatiebedrijf. Een overeenkomst met gesloten beurs dus, en één van de eerste grootschalige Esco-contracten in Nederland, die deze week van start ging.

Door Tijdo van der Zee, in Energeia, april 2011

 

“Strukton steekt de besparing in zijn zak en het kost ons niets. Dat is het idee”, zo legt de Rotterdamse gemeentewoordvoerder Karín Fraai in het kort het concept uit. Vorig jaar kondigde Rotterdam de aanbesteding aan en toen al maakte de gemeente duidelijk dat dat door middel van een Energy Service Company-contract (Esco) zou gebeuren. Het begrip Esco is in Nederland nog tamelijk onbeproefd, maar kan in landen als Groot-Brittannië en Amerika al een succesverhaal genoemd worden.

Daar werd ook het in Rotterdam gehanteerde ‘Building Retrofit-concept’ ontwikkeld door het Clinton Climate Initiative, dat hierin ook als partner en klankbord fungeert voor de gemeente Rotterdam. Dergelijke contracten hebben noodzakelijkerwijs een lange looptijd, zodat de Esco zijn investeringen terug kan verdienen. Annemarie Hoogendoorn, woordvoerder van Strukton, geeft wel aan dat het bedrijf na initiële investeringen niet op zijn lauweren kan gaan rusten: “In het contract staat dat wij door moeten blijven innoveren. Nieuwe technieken zullen de komende tien jaar dus telkens verouderde technieken vervangen.”

Strukton won de aanbesteding waaraan in totaal elf bedrijven meededen. In de laatste ronde bleven daar drie van over, die in een zogenaamde ‘concurrentiegerichte dialoog’ de gunst van Rotterdam probeerden te winnen. Strukton had nog geen ervaring met Esco’s en richtte er inderhaast eentje op. Hierin krijgt ook het bedrijf Hellebrekers Technieken een rol als onderaannemer. “Zij hebben namelijk verstand van zwembaden”, zegt Hoogendoorn. Zij vervolgt: “Wij waren erg gretig in deze aanbesteding. We beseffen goed dat dit een begin is van een veel grotere uitrol van deze vorm van contractering.”

Strukton investeert in energiebesparende maatregelen, maar zal daarnaast ook het beheer en onderhoud op zich nemen van de zwembaden, en zich ontfermen over de waterkwaliteit. Voorbeelden van energiebesparende maatregelen die worden genomen zijn Eco-verlichting, warmtekrachtkoppeling, warmtepompen, optimaliseren van ketels, frequentieregelaars, afdichten van glijbanen, aanwezigheidsdetectie, afdekken van zwembadbassins, toepassen van gebouwbeheersystemen en automatisch legionellabeheer.

De lucht- en waterkwaliteit wordt verbeterd door het verlagen van het gebonden chloorgehalte, waardoor kan de waterkwaliteit met minder chemicaliën worden gerealiseerd. Een bijkomend voordeel is dat het zwembadwater minder hoeft te worden ververst. Dit bespaart naast water ook energie omdat minder water hoeft te worden opgewarmd. Verwacht wordt verder dat de investeringen in nieuwe systemen voor lagere onderhoudskosten zullen zorgen.

Rotterdam start met de zwembaden omdat dit grootverbruikers zijn van energie en water. Doel is om op termijn al het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed, bestaande uit 1.500 gebouwen, door middel van Esco’s duurzaam te maken. Naast zwembaden gaat het hierbij onder meer om sporthallen, scholen, musea en theaters.

Testfaciliteit simuleert energiepieken

Het stedelijke elektriciteitsnetwerk is echter niet op deze veranderende energiestromen ingericht. Zo kan het in de toekomst gebeuren dat op een winderige dag windmolens zoveel elektriciteit produceren dat het elektriciteitsnet het niet aankan. Of dat in een buurt zoveel zonnepanelen op de daken liggen dat de zekeringen in het trafohuisje doorbranden. Dat dit geen theorie is maar écht zo in de praktijk kan uitpakken, werd vorig jaar april bewezen in Lochem. Daar werden in enkele straten bij wijze van proef alle elektrische auto’s tegelijkertijd opgeladen en ging ook nog eens in twintig woningen de oven aan om een pizza af te bakken. Dat bleek te veel: de buurt zat voor even in het donker.

‘Om overbelasting te voorkomen kun je het netwerk verzwaren, of je kunt slimmer met elektriciteit omgaan door vraagsturing toe te passen. Bijvoorbeeld door het dynamisch laden van elektrische auto’s’, stelt Hans de Heer, principal consultant Smart Energy bij energieconsultancybureau DNV GL. Eind 2013 won DNV GL (toen nog DNV KEMA geheten), samen met ICT Automatisering, de TU Eindhoven, de Vlaamse onderzoeksinstelling VITO, het Groningse energie-instituut EnTranCe en TNO, een tender binnen de Topsector Energieregeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om een testfaciliteit te bouwen. In deze faciliteit kan worden gesimuleerd welke effecten verschillende duurzame toekomstscenario’s hebben op het elektriciteitsnet.

Deze testfaciliteit, het International Test and Simulation Facility (ITSF), is geen fysiek laboratorium, maar een softwareprogramma dat zijn rekenkracht in de cloud heeft zitten. Het programma kan rekenen aan het laagspanningsnet, waar de woningen op zijn aangesloten, en het middenspanningsnet (inclusief de transformatorhuishuisjes die de schakel zijn tussen deze twee netten). Onlangs werd een eerste test afgerond in de gemeente Hellevoetsluis. De Heer: ‘We hebben hier nog geen scenario’s gesimuleerd. Deze test was bedoeld om te controleren of ons systeem werkt. Het gaat in een middelgrote gemeente als Hellevoetsluis namelijk al snel om tienduizenden elektrische apparaten. Wij hebben in Hellevoetsluis aangetoond dat het ITSF dit aankan.’

De Heer: ‘Het ITSF levert het inzicht dat nodig is voor zowel de netbeheerder als de gemeente om goed geïnformeerde beslissingen te nemen. De verkregen data kunnen daarnaast visualisaties opleveren. Beleidsmakers of burgers kunnen dan precies zien in welke buurten en bij welk scenario het elektriciteitsnet overbelast kan raken. Plekken met congestie lichten dan rood op.’ Essentieel bij deze simulaties is wel dat de elektriciteitsnetwerken tot in detail in kaart zijn gebracht. Dat blijkt niet altijd het geval. ‘In grotere steden, met vaak wat oudere netwerken, ontbreekt nog wel eens de juiste informatie.’

Een betrouwbaar elektriciteitsnet is de verantwoordelijkheid van de netbeheerder. Vragen en oplossingen over netverzwaring of smart grids worden dan ook in eerste instantie daar genomen. Maar gemeenten spelen eveneens een grote rol. Bijvoorbeeld op het gebied van het stimuleren van inwoners voor elektrische auto’s of bij de toewijzing van een locatie van een buurtbatterij die lokaal geproduceerde elektriciteit tijdelijk kan opslaan. ‘Het ITSF geeft gemeenten de mogelijkheid te anticiperen op de duurzame ontwikkelingen’, zegt De Heer.

Hij voegt eraan toe dat het tijdperk van de buurtbatterij nog niet echt is aangebroken in Nederland. ‘We hebben nu nog niet heel veel duurzame energie, dus ook nog niet zo veel last van volatiliteit in de elektriciteitsmarkt. Daarnaast hebben we in Nederland flexibele gascentrales die schommelingen vrij goed kunnen opvangen. Dit, gecombineerd met de huidige lage elektriciteitsprijs, maken de businesscase voor bedrijven die flexibele energiediensten willen leveren nog wat dunnetjes.’

Het consortium heeft besloten om naast de softwarefaciliteit een fysieke ruimte in te richten voor het ITSF. Dit ‘ITSF-loket’ wordt binnenkort geopend op het terrein van EnTranCe in Groningen. ‘Dan kunnen we meer visualiseren en wordt het tastbaarder waarvoor het ITSF precies kan worden gebruikt’, aldus De Heer.

 

Vandebron wil laatste kolencentrale Nuon ombouwen tot speeltuin

Voor de verandering werd ik als journalist eens zélf geïnterviewd, over de Hemweg-actie van Vandebron. Hieronder het artikel van 23 maart 2017.

https://nos.nl/op3/artikel/2164641-vandebron-wil-laatste-kolencentrale-nuon-ombouwen-tot-speeltuin.html 

Wat doe je als duurzame energieleverancier als het sluiten van een kolencentrale in jouw ogen te lang duurt? Dan probeer je een van die vervuilende fabrieken zelf te kopen.

Dat bedacht het groene energiebedrijf Vandebron. “Als ondernemers proberen wij het verschil te maken. Toen we hoorden dat Nuon van zijn kolencentrale in Amsterdam af wilde, besloten we zelf een bod te doen”, zegt Aart van Veller, een van de oprichters.

Vandebron biedt een miljoen euro voor de centrale aan de Hemweg, een schijntje in de dure energiesector. “Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus”, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee.

Nuon accepteert het bod van Vandebron niet. “We beschouwen het als een stuntbod”, zegt woordvoerder Gijsbert Siertsema. Vandebron wil de centrale teruggeven aan de stad Amsterdam. “We willen het ombouwen tot iets waar iedereen iets aan heeft, bijvoorbeeld een binnenspeeltuin”, zegt Van Veller.

Nuon zegt dat het bedrijf overweegt om de centrale te sluiten. Maar wil niet zeggen wat er daarna mee gaat gebeuren en of zo’n binnenspeeltuin een goed idee is. “We zijn continue in gesprek met de overheid. We gaan verder niet in op wat er met de centrale zou moeten gebeuren”, aldus Siertsema.

Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besloten wij te helpen.

Aart van Veller

De Hemwegcentrale is de laatste van Nuon in Nederland. Vorig jaar maakte de energieleverancier bekend dat ze hem graag sluiten, maar daar wel compensatie voor willen. Er werken nu namelijk 200 mensen en er zijn kosten verbonden aan het sluiten van zo’n fabriek. Nuon vroeg de overheid om hulp, maar kreeg die tot nu toe niet.

“De kolencentrale zorgt voor sterke vervuiling van de stad, de lucht en de natuur. Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besluiten wij te helpen”, zegt Van Veller. Hij is bang dat de centrale anders aan een partij wordt doorverkocht die kan blijven doorstoken.

Het bod van een miljoen euro is gebaseerd op een schatting. Het verbaast Van Veller dan ook dat Nuon hun bod niet serieus neemt. “Dit is absoluut geen stuntbod. Over twaalf jaar zijn alle kolencentrales dicht. Wie wil er dan nu zo’n centrale kopen op dit moment? We hebben het als serieus bod neergelegd. Nuon zegt niet wat ze er wel voor willen hebben, maar wat is dan wel de waarde van zo’n ding?” Vandebron financiert het bedrag met hulp van investeerders.

Leuk bedacht, maar hoe haalbaar is het?

In principe is het geen slecht idee, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee. “Toen vorig jaar duidelijk werd dat Nuon geen subsidie kreeg om biomassa in de centrale bij te stoken, was het einde verhaal. Eigenlijk hint het bedrijf al sinds 2011 op sluiting of verkoop.”

Maar hij zet er ook heel wat vraagtekens bij. “Als je kijkt naar hoeveel geld er gemoeid is bij een kolencentrale, is een miljoen niet veel. Nuon heeft recentelijk bijvoorbeeld nog een nieuw besturingssysteem voor die centrale aanbesteed en dat liep al in de miljoenen.”

Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus.

Energiejournalist Tijdo van der Zee

Daarnaast spelen gederfde inkomsten ook een rol, zegt hij. “Die centrale zou in principe nog wel vijftien jaar meekunnen, dus Nuon loopt dan veel geld mis.”

Vandebron ziet graag dat Nuon het miljoen gebruikt om een regeling te treffen met het personeel. Het is nog maar de vraag of dat bedrag volstaat. “En bij verkoop van een centrale zijn ook de ontmantelingskosten erg belangrijk”, zegt Van der Zee. “Wie die gaat dragen zal bepalend zijn of Nuon wil doorpraten.”

Of Nuon het uit handen wil geven is ook nog de vraag. “Op hetzelfde terrein staat ook een moderne gascentrale. Als ze zelf ontmantelen, kunnen ze misschien nog materiaal doorverkopen. Er staat vaak een kapitaal aan oud ijzer en machines in zo’n centrale.”

En die speeltuin dan? Geen goed idee, vindt Van der Zee. “Er zitten bij zo’n kolencentrale vaak heel wat giftige stoffen in de grond.” Van Veller spreekt dat tegen. “Deze centrale is in 1995 gebouwd, onder strenge milieu-eisen. Maar een speeltuin is ook maar het eerste idee. We willen met de gemeente een goede bestemming kiezen, iets waar de Amsterdammers plezier aan beleven.”

Nu Nuon het bod niet heeft geaccepteerd, is het onduidelijk of de speeltuin er komen gaat. “We gaan ons nu beraden wat we gaan doen”, zegt Van Veller. “Dit is zeker nog niet afgelopen.”

BIM en renovatie. Hoe gaat dat samen?

Het gebruik van BIM bij renovatieprojecten lijkt nog geen enorme vlucht te nemen. Toch willen sommige partijen in de bouw niet meer anders. “We hebben er veel baat bij.”

Tijdo van der Zee, in Cobouw special Renovatie, 2017

Bouwbedrijf De Nijs uit Warmenhuizen heeft zich gespecialiseerd in binnenstedelijk bouwen, ontwikkelen en renoveren. En Amsterdam is daarbij het favoriete werkterrein. Het bedrijf bouwt aan iconische nieuwbouwprojecten, zoals Pontsteiger aan het IJ. Maar bij ook renovatieprojecten is het De Nijs betrokken, zoals bij de transformatie van het oude gebouw van uitgeve rij Elsevier. Woningcorporaties Rochdale en DUWO gaven De Nijs hier de opdracht tot de realisatie van 270 studentenkamers en commerciële ruimtes.

Zowel bij Pontsteiger als bij het Elsevier-gebouw maakte De Nijs gebruik van de BIM-werkmethodiek. Dat wil zeggen: eerst virtueel bouwen en pas dan fysiek aan de slag. Nu is Bimmen bij nieuwbouw misschien niet meer zo bijzonder, maar bij renovaties en transformaties komt het minder vaak voor. “Wij hebben BIM nu ongeveer bij zeven renovatieprojecten gebruikt”, zegt Maaik de Nijs, BIM-regisseur bij De Nijs. “En toekomstige projecten zullen we ook in BIM doen. Het heeft zijn meerwaarde a

Een point cloud van de oude HBS in Brielle. Bron: DGA Ingenieursbureau IOB

bsoluut bewezen.”

Hij somt een rijtje op: “De Keizer – die oude kraakpanden – in de Spuistraat, de voormalige C&A aan het Damrak, panden aan de Cruquiuskade. En dan zijn we in Hoorn bezig met de transformatie van het oude seminarie het Missiehuis in Hoorn tot appartementencomplex. En we doen ook hotel De Roode Leeuw bij de Dam in Amsterdam, waar we het funderingsherstel en de uitdieping van de kelder doen. Allemaal met laserscans en BIM.”

Bij dat laatste project is de meerwaarde van BIM evident, zegt hij. “Het gebouw bestaat uit allemaal verschillende panden die in de loop van de tijd aan elkaar geknoopt zijn. Je moet dat echt perfect in kaart hebben gebracht voor je begint met werken.”

Dat spreekt eigenlijk wel voor zich, maar waarom volstaat dan niet het traditionele inmeten? “Dan pak je elke hoek van een ruimte en meet je de afstand. Maar dan meet je niet of een muur schuin staat of bol. Wij werken met een laserscan. Die levert een point cloud op met miljarden punten. Die cloud beschrijft de ruimte precies zoals hij is. Je ziet dus niks over het hoofd.” Dat ruwe databestand wordt vervolgens door BIM-modelleurs als onderlegger gebruikt voor een zogeheten solid model, een 3D-model dat als basis dient voor het verdere BIM-proces.

Een point cloud van de zolder van de oude HBS in Brielle. Bron: DGA Ingenieursbureau IOB

Een perfecte weergave van de werkelijkheid. Dat is ook wat Jaco Poldervaart van BIM Intelligence als groot voordeel ziet van Bimmen bij renova tieprojecten. Voor de Rijksoverheid vatte hij middels een laserscan zo’n zestig gebouwen op het Hembrugterrein in Zaandam in BIM-modellen. Ook in het Zuid-Hollandse Brielle was hij betrokken bij het virtualiseren van een bestaand gebouw. Daar wordt namelijk de oude HBS – “een prachtig monument met rijk metselwerk” – door VolkerWessels verbouwd tot appartementencomplex.

Verzakt

“Uit onze laserscan bleek dat het gebouw over de lengteas ongeveer dertig centimeter verzakt was. Dat was voor onze opdrachtgever, de gemeente Brielle, heel nuttige informatie, omdat dat toen meegenomen kon worden in de uitvraag. Als de opdrachtnemende ontwikkelaar daar in een later stadium achter was gekomen, had dat vervelende consequenties kunnen hebben.” Eerst scannen en dan netjes modelleren geeft de mogelijkheid om de exacte maatvoering en positie te kennen van de objecten, zegt Poldervaart. “Dit mits de modelleur niet alles ‘knip en plak’ uitvoert. Hier gaat het nog wel eens fout.”

Projectleider Patrick Meerkerk, van ingenieursbureau IOB, dat de technische advisering voor het project in Brielle verzorgt, zegt dat er na de opdrachtverlening aan VolkerWessels door Brielle een nieuwe point cloud is gemaakt en dat die de basis vormt van het huidige BIM-model. “Met name bij het bepalen van de indelingsmogelijk van de zolderruimte heeft de puntenwolk een grote toegevoegde waarde. Deze heeft namelijk diverse samengestelde dakvlakken met complexe spantconstructies en aansluitingen. De puntenwolk dient als praktisch communicatiemiddel tussen de samenwerkende partijen en de verschillende vakdisciplines. Onze afdelingen installatie- en constructietechniek kunnen met behulp van de puntenwolk eenvoudig de diverse indelingsvarianten van de architect beoordelen op aanpassingen en haalbaarheid.”

‘De puntenwolk dient als praktisch communicatiemiddel tussen de samenwerkende partijen’

Toch maakt de point cloud het ouderwetse handwerk niet overbodig, zo heeft Meerkerk gemerkt. “Zo zijn bij het inscannen delen van het exterieur weggevallen door overhangende bomen. De fijnere maatvoering, zoals de afmetingen van balk- en kozijnhout met profileringen en spouwmuurdiktes zijn niet uit de scan te herleiden. Samen met de verborgen ruimtes, bijvoorbeeld boven de systeemplafonds en de kruipruimte, zijn al deze elementen traditioneel onderzocht en ingemeten. De visuele opname gaf ons ook de mogelijkheid om de kwaliteit van de constructie en bouwdelen goed te beoordelen.”

Meerdere scans

Soms zijn meerdere scans, in verschillende stadia van de renovatie, onontbeerlijk, zeggen Poldervaart en De Nijs. “Een architect moet al snel aan de slag om een mooi ontwerp te maken. Dus moet je in een vroege fase al scannen. Maar op basis van die scan moet je niet je kozijnen gaan bestellen. Dan ga je de mist in. Als je het gebouw casco hebt gestript, dan kan je een nieuwe scan maken. Want dan heb je pas de exacte maatvoering”, zegt Poldervaart. Daar is Maaik de Nijs het mee eens. “Een grote valkuil is dat er maar met één scan gewerkt wordt. Wij gaan er van uit dat er meerdere scans komen.”

Het uitwerken van een point cloud tot 3D (Bim-)model is veel werk. Tegelijk zijn niet alle bouwpartners geïnteresseerd in dezelfde details. Daarom zijn ze bij De Nijs aan het onderzoeken of het mogelijk is dat de bouwpartners straks allemaal met de point cloud aan de slag gaan, in plaats van dat ze het uitgewerkte model krijgen aangeleverd. De Nijs: “Dan haal je er een stap tussenuit. Lijkt ons alleen maar goed.”

Journalistiek en Redactie