Categorie archief: Schaliegas

Cuadrilla is vergunningen kwijt

Advertenties

Dan ga je toch ondergronds!

De ondergrond is het laatste stukje Wilde Westen in Nederland. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, geldt hier. Maar niet lang meer. Want de landmeters hebben hun instrumentarium inmiddels naar beneden gericht en brengen de bodem nauwgezet in kaart. De strijd tussen ondergrondse CO2-opslag en gebruik van het warme grondwater ging inmiddels van start.

Door Tijdo van der Zee

Op twee kilometer diepte bevinden zich op veel plekken in Nederland waterlagen van ongeveer 70 graden celcius. Een  uitstekende temperatuur om tuinbouwkassen nagenoeg gratis mee te verwarmen. Tuinders in het Westland buitelden de  afgelopen jaren dan ook over elkaar heen om een opsporingsvergunning voor aardwarmte te bemachtigen. Het ministerie van Economische Zaken verstrekte die vergunningen ruimhartig, met als gevolg een lappendeken van tientallen grote en kleine vergunningsgebieden in deze kassenregio. Door deze gehaaste run op vergunningen viel al snel de term ‘Wilde Westen in de ondergrond’.

Victor van Heekeren, voorzitter van de Stichting Platform Geothermie: ‘Vooral begin 2009, toen de gasprijs piekte, wilde iedereen er snel bij zijn. Inmiddels is de druk wat van de ketel.’ Maar als de opsporingsvergunning eenmaal binnen is, is het ellebogenwerk nog niet voorbij. Vergunninghouders kunnen elkaar namelijk ook ondergronds in de weg zitten. Aardwarmteputten bestaan uit doubletten: een warmwaterput met bijbehorende warmwaterbel en een put waarin het gebruikte en afgekoelde water wordt teruggepompt. Een koudwaterbel uit het ene vergunningsgebied zou in contact kunnen komen met een warmwaterbel van een buurman, die daarmee inlevert op rentabiliteit. ‘De kans dat putten elkaar negatief beïnvloeden is klein, maar wel aanwezig. Je zou zo’n kassengebied prachtig kunnen ordenen en met een meetlat de ideale boorlocatie kunnen uittekenen. Zo benut je de aanwezige aardwarmte natuurlijk maximaal,’  aldus Van Heekeren.

Het geothermische potentieel in Nederland is enorm, maar boringen zijn duur en tot voor kort was de financiële tegemoetkoming vanuit het Rijk onvoldoende om de risico’s op mislukkingen te dekken. Voeg hier een lage gasprijs en de lage prijs die tuinders het afgelopen jaar voor hun producten kregen aan toe en de verklaring is gevonden waarom aardwarmteprojecten in Nederland vooralsnog op de vingers van één hand te tellen zijn. Van Heekeren verwacht echter dat het er snel meer zullen worden, vooral door toepassing in de gebouwde omgeving. ‘De recente aardwarmteboring in Den Haag gaat een grote uitstraling krijgen.’

Naast concurrentie om ruimte kan er in de ondergrond ook concurrentie ontstaan om functie. Nederland kent veel lege gasvelden, die zouden kunnen dienen als opslag voor het broeikasgas CO2. Op verzoek van minister Van der Hoeven van Economische Zaken stelde onderzoekscentrum TNO daarom een lijst samen van negen lege gasvelden in de drie noordelijke provincies die hiervoor in aanmerking kunnen komen. Deze lijst ontlokte bij provincies terughoudende reacties. Een officiële verklaring van Gedeputeerde Staten van Drenthe sprak boekdelen: ‘Met het oog op nieuwe technische ontwikkelingen wil het college deze velden beschikbaar houden voor bijvoorbeeld duurzaam groen gas. Ook geeft het college meer prioriteit aan de winning van aardwarmte uit het hete water dat diep in de ondergrond voorkomt in dezelfde lagen als die waarin het gas zit.’ De provincie wil dus niet alle gasvelden voor CO2 beschikbaar stellen. ‘Veel keuzes voor de ondergrond kun je maar één keer maken. Daarom moeten we zorgen dat we meteen de juiste en meest duurzame maken,’ licht gedeputeerde Tanja Klip-Martin toe.

De ondergrond is een driedimensionale ruimte waarbij verschillende functies prima boven elkaar kunnen bestaan. Denk aan een net van leidingen en kabels, waaronder een parkeergarage gebouwd is, daaronder wordt drinkwater gewonnen en weer daaronder bevindt zich ten slotte een aardgasveld. In dergelijke gevallen is een zorgvuldige afstemming vereist, maar de functies sluiten elkaar niet per definitie uit. Anders is dat wanneer functies zich op ongeveer dezelfde diepte bevinden. Dan zijn er afvallers. Geologische geschiktheid van de bodem voor de betreffende functie is in de selectie natuurlijk een belangrijk criterium. Zo waande Terschelling zich enkele jaren geleden rijker dan het was. Van zes tot tien kilometer diepte zou water naar boven gepompt worden van boven de 100 graden celcius. De zo verkregen stoom zou turbines kunnen aandrijven, die heel Terschelling van duurzame elektriciteit konden voorzien. Helaas, uit onderzoek bleek de temperatuur onder het eiland te laag en de doorlaatbaarheid van de bodem te gering. Ook Texel hoopt nog te profiteren van de zegeningen van diepe geothermie, maar het eiland moet zich maar eens gaan afvragen of die hoop niet ijdel is. Kortom, betrouwbare informatie over de ondergrond kan teleurstellingen voorkomen.

Een groot deel van die informatie ligt er al, zij het versnipperd. Diverse kennisinstituten ontsluiten langzaam hun schatten. Zo publiceerde TNO onlangs op basis van metingen van de afgelopen dertig jaar de prachtige en gratis website ThermoGIS, die het geothermisch potentieel van heel Nederland van anderhalf tot vier kilometer diepte in kaart brengt. ThermoGIS maakt onderdeel uit van de rijke ondergrondverzameling van TNO. Die vormt binnenkort samen met het Bodem Informatie Systeem van Alterra, het kennisinstituut van de Wageningen Universiteit, de basis van een centraal informatiepunt over de bodem. Deze Basisregistratie Ondergrond (BRO) moet in 2013 operationeel zijn. Gelijkopgaand met het optuigen van deze basisregistratie werken verschillende bestuurslagen aan visiedocumenten over de bodem. Zo presenteerde het kabinet in april de beleidsvisie Duurzaam gebruik ondergrond. Daarin klinkt onder meer de vurige wens door om vaart te maken met de opslag van CO2. Het kabinet hangt het adagium ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ aan, maar laat er geen misverstand over bestaan dat het Rijk weinig tegenspraak duldt bij strategische keuzes van nationaal belang, zoals CO2-opslag: ‘Op de plekken waar dergelijke functies worden benut, zullen strijdige activiteiten boven- en ondergronds moeten wijken.’

Met enige argwaan zou je in de ontwikkeling van de BRO en uit het visiedocument pogingen van het Rijk kunnen zien om bij de ruimtelijke ordening van de ondergrond de baas te spelen. Vrom-medewerker Dirk van Barneveld kan zich hier niet in vinden: ‘De BRO sluit aan bij het streven naar een goede informatievoorziening over de ondergrond. Zonder een adequate informatievoorziening is het niet mogelijk de ondergrondruimte goed te ordenen. En het streven naar centralisatie van bevoegdheden is niet in de beleidsvisie verwoord.’

‘Ik vind Economische Zaken in deze kwestie erg stellig. Natuurlijk ken ik de term “decentraal wat kan, centraal wat moet”, maar zelf zeg ik liever “decentraal moet, tenzij het alleen centraal kan”,’ zegt gedeputeerde Klip-Martin. Geothermie en eventueel de opslag van groen gas in lege gasvelden geniet de voorkeur, zeker in Drenthe. Als eerste provincie ontwikkelde Drenthe daarom zijn eigen visie op de ondergrond. ‘Wij putten uit precies dezelfde informatiebronnen als Vrom en EZ, hebben dus geen informatieachterstand en kunnen goed gewapend de discussie aangaan,’ zegt Klip-Martin. ‘We zijn niet per definitie tegen of voor, maar willen verantwoorde keuzes.’ De gedeputeerde beseft dat besluiten over de diepe ondergrond worden genomen op basis van bepalingen uit de Mijnbouwwet en dat de provincie hier dus geen zeggenschap over heeft. ‘Maar ook het Rijk heeft draagvlak nodig. Dat begint men trouwens wel te beseffen. Ik merk dat vooral Vrom langzaam onze kant op schuift.’

Tekenend wellicht in de beweging die Vrom maakte is het convenant  “Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties” met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen, waarin ook het vraagstuk over duurzaam gebruik van de ondergrond is opgenomen. Ruimtelijke ordening van de ondergrond is volgens Klip-Martin bij uitstek een provincietaak, omdat boven- en ondergrond niet meer los van elkaar te zien zijn: ‘In de buurt van Hoogeveen zit bijvoorbeeld een grote warmwaterbel in de diepe ondergrond. Een uitbreiding van het bovengrondse bedrijventerrein moet je dus plannen boven die bel, zodat je de warmte kunt gebruiken.’

De procedures voor de winning van aardwarmte, CO2-opslag en gasopslag staan in de Mijnbouwwet uit 2002, die eigenlijk niet veel meer is dan stroomlijning van vier veel oudere, nog Franstalige mijnwetten uit het begin van de negentiende eeuw. Deze wet wordt nu herzien. Zoals het er nu naar uitziet, kan geothermie straks geweigerd worden als het Rijk vindt dat opslag van CO2 of gas voorrang heeft. De wet is waarschijnlijk niet eerder klaar dan in 2012. Het lobbywerk rond de vormgeving van de nieuwe wet is nog in volle gang. Zo pleitte land- en tuinbouworganisatie LTO voor de mogelijkheid van twee boringen in verschillende aardlagen in één afgebakend gebied. Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, opperde eerder dit jaar beprijzing van ondergronds ruimtegebruik: ‘Het afwegen van kosten en baten van ander of intensiever gebruik van de ondergrond blijft lastig zolang er geen verband is tussen de prijs van grond per vierkante meter (ruimtevraag) en die per kubieke meter (functievraag).’

Beprijzing, het is een idee waar Victor van Heekeren van gruwelt. ‘Accijnzen zouden de opmars van geothermie ernstig dwarsbomen.’

Bron: Groen Akkoord, SDU Uitgevers, oktober 2010

“Openheid over ‘bedrijfsgeheime chemicaliën’ bij onconventioneel-gas essentieel”

De winning van onconventioneel gas in Nederland moet nog goed en wel beginnen, maar stuit nu al op maatschappelijke weerstand. Een goede communicatie is daarom essentieel voor een succesvolle introductie van de techniek, zo meent Berend Scheffer, technisch directeur bij Energie Beheer Nederland (EBN). Communicatie over de gebruikte chemicaliën bijvoorbeeld.

Door Tijdo van der Zee

Scheffer sprak onlangs in Arnhem tijdens het symposium Unconventional Gas van de Koninklijke Vereniging van Gasfrabrikanten in Nederland (KVGN). “Ook al gaat het om heel kleine percentages chemicaliën, de leek is erg huiverig”, zei hij. Scheffer liet een lijst zien van het Amerikaanse Department of Energy (DOE) met chemicaliën die gebruikt werden bij het fraccen in het Amerikaanse Fayetteville. “Dergelijke lijsten zijn niet makkelijk te vinden, maar ze zijn er wel”, zei hij.

Daarmee reageerde Scheffer op verontwaardigde woorden eerder die dag van Clingendael-expert Coby van der Linde. “Een probleem in Nederland is het Nimby-gedrag [Not in my backyard, red.]. Je krijgt bijna het gevoel dat hier helemaal niks meer kan. Het is daarom heel belangrijk dat je op de juiste manier communiceert. Men wil bijvoorbeeld weten welke chemicaliën worden gebruikt. Maar zelfs mij is het tot nu toe niet gelukt om een betrouwbare lijst te vinden.”

Volgens Scheffer bestaat een fracmengsel voor 90% uit water en 9,5% uit zand. “De resterende 0,5% bestaat uit chemicaliën. Daarbij is ook een trend waarneembaar naar groenere chemicaliën.” Scheffer meldde niet om welke groene chemicaliën het ging. Ook stelde hij dat de mengsels erg in samenstelling verschillen, al naar gelang het soort gesteente waarin geboord wordt.

In Nederland is aan drie bedrijven opsporingsvergunningen voor onconventioneel gas verleend. Van deze drie bedrijven is Cuadrilla daadwerkelijk van plan nog dit jaar te beginnen met proefboringen in het Brabantse Boxtel. Tegen deze boringen is inmiddels de nodige maatschappelijke weerstand. Eén van de chemicaliën in de lijst van het DOE, glutaraldehyde, wordt door de tegenstanders expliciet gevreesd.

Een lijst zien van het Amerikaanse Department of Energy (DOE). (Bron: DOE)
In september vorig jaar stelde toenmalige minister voor Economische Zaken Maria van der Hoeven in antwoord op vragen van Groenlinks-Kamerlid Liesbeth van Tongeren over fraccen dat de lijst van gebruikte chemicaliën bekend zijn bij het Staatstoezicht op de Mijnen (SODM), maar ook stelde zij: “De samenstelling van de chemicaliën is vaak bedrijfsgeheim, omdat deze mede het succes en de effectiviteit van het ‘kraken’ bepaalt. De concurrentie op deze markt is groot.”

Onconventioneel gas werd lang gezien als commercieel oninteressant, maar mede door verbeterde technieken is de onconventionele gaswereld de laatste jaren enorm in omvang toegenomen. Het meest wordt hierbij verwacht van tight gas (gas uit moeilijk doordringbaar gesteente) en schaliegas (gas uit kleilagen). Om dit gas beschikbaar te maken, wordt een mengsel van water, zand en chemicaliën onder hoge druk de grond in gepompt, waarbij scheuren in het gesteente ontstaan, waardoor het gas makkelijker kan ontsnappen. Dit proces heetfraccen.

De jaarlijkse gasproductie uit kleine gasvelden in Nederland loopt in het huidige scenario terug van 30 BCM (miljard kubieke meters per jaar) anno nu naar 10 BCM in 2030. De overheid heeft echter de ambitie uitgesproken om deze 30 BCM te handhaven door het beter benutten van kleine velden en het ontwikkelen van onconventionele gasvelden, met name schaliegas en tight gas.

Verschenen in Energeia, 27 april 2011