Categorie archief: Slimme meter

‘Woningwet staat verduurzaming in de weg’

Advertenties

De veiligheid van de slimme meter

De komst van de slimme gas- en elektriciteitsmeter brengt de nodige privacy- en veiligheidsissues met zich mee, die voorheen, met de oude analoge telwerken, niet speelden. Een inventarisatie van de zwakke punten van de P1- en de P4-poort en van de slimme meters zelf.

Door: Tijdo van der Zee, in Installatie Journaal 2016

Een vervelend probleem rond de slimme meter diende zich aan op de eerste dag van dit nieuwe jaar voor netbeheerders, energieleveranciers en energie-app- ontwikkelaars.  De stroommeter type 382 DSMR 2.2+ van het Sloveense bedrijf Iskrameco bleek onverwachts niet overweg te kunnen met het
jaartal ‘2016’ van de gasmeters van Flonidan en Landis+Gyr. Dat had als gevolg dat in 400.000 huishoudens de gasmeterstanden niet konden worden doorgegeven aan de netbeheerder, en ook niet via aan de P1-poort aan de energiedienstenaanbieders. Het euvel werd pas na ruim twee weken verholpen door het installeren van een software-update. “Bij facturatie zal in sommige gevallen een
schatting van het gasverbruik of het persoonlijk doorgeven van de gasmeterstand moeten plaatsvinden”, zegt Netbeheer Nederland-woordvoerder Martijn Boelhouwer. Hij benadrukt dat de data van de gasmeter nooit in gevaar zijn geweest, maar hij erkent wel dat de storing aantoont dat de introductie van software in de meterkast “bepaalde risico’s met zich meebrengt”.

Er kúnnen dus dingen fout gaan met de slimme meter. Maar dat betekent nog niet direct dat kwaadwillenden dat bewust, op afstand en op grote schaal zomaar even kunnen doen. De slimme meter moet namelijk voldoen aan wettelijke eisen, die zijn vastgelegd in het ‘Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen’. Die veiligheidseisen ontwikkelen mee met de voortschrijdende
technologie en worden dus steeds strenger. Dit is één van de redenen dat er telkens nieuwe meters op de markt komen (DSMR2.2, DSMR 4.0/4.2 en DSMR5.0).

In november vorig jaar rondde het European Network for Cyber Security (ENCS) – een in 2012 op Nederlands initiatief opgericht Europees kenniscentrum voor cybersecurity – een zeven maanden lange test af naar de betrouwbaarheid van de wat oudere generaties slimme meter, de DSMR 2.2 en DSMR 4.0. Voldeden deze nog aan de normen? Grotendeels wel, stelt security-adviseur Boas Bierings van netbeheerder Enexis, die bij de test betrokken was eerder. “Er zijn geen schokkende dingen uitgekomen. Als je zo lang test, kom je altijd wel verbeterpunten tegen, maar dat is op het niveau van punten en komma’s, bits en bytes”, zo zei hij tegen nieuwsbureau Energeia. Op dit moment is er geen dringende actie nodig, aldus de adviseur, aanpassingen kunnen worden meegenomen bij een volgende software-update van de digitale meters.

Wat die bits en bytes dan inhoudelijk betekenen, wil Bierings tegenover Installatie Journaal/Gawalo niet toelichten. “Wij zullen niet ingaan op de exacte resultaten van de securitytesten. De netbeheerders zullen de resultaten wel delen met de meterleveranciers en door middel van software updates kunnen de netbeheerders waar nodig de slimme meters verbeteren.” Bierings wijst op een positief effect van het besluit enige jaren geleden om de
mogelijkheid van op afstand afknijpen en afsluiten uit de meter te halen. Dat heeft er namelijk toe geleid dat “de impact van een mogelijk hack kleiner zal zijn”. Volgens Bierings hoeven installateurs
van de slimme meter overigens niet bang te zijn dat zij met een slordige installatie de veiligheid van het meetsysteem in gevaar brengen. “De security van de slimme meter is niet afhankelijk van de
installateur”, aldus Bierings beslist.

Identiteitsfraude
Het onderzoek van het ENCS beperkte zich tot de slimme meter zelf en liet de P1-poort en de P4-poort buiten beschouwing. Toch kennen deze poorten hun eigen gevaren. Dat bleek bijvoorbeeld
begin vorig jaar, toen journalist Jaap Meijers aantoonde hoe eenvoudig het was om bij ODA’s (onafhankelijke dienstenaanbieders) energiegegevens uit die P4-poort binnen te halen van iemand anders. ODA’s zijn bedrijven die, met toestemming van de klant, de energiedata die bij de netbeheerders liggen, op te vragen en door te sturen. Maar het bleek dat je met speels gemak de
naam en het adres van iemand anders dan jezelf kon invullen,  waarna de energiedata van die persoon je tegemoet stroomden.

Toen deze identiteitsfraudegevoeligheid bekend werd, trapte
Netbeheer Nederland onmiddellijk op de rem wat betreft gegevensverstrekking aan ODA’s. Inmiddels zijn de betrokken partijen hard bezig met het vinden van een algemeen geaccepteerde en juridisch verankerde oplossing voor het probleem. Die ligt in een gedragscode, waar netbeheerders, ODA’s, leveranciers, het ministerie van Economische Zaken, de ACM en het College voor de
Bescherming van Persoonsgegevens naar verwachting in februari hun handtekening onder zetten, waarna de code in de Staatscourant gepubliceerd zal worden.

Hoewel op dit moment dus nog niet bindend, hebben ODA’s zich al wel gecommitteerd aan de gedragscode, zegt Joost Zonneveld van VEDEK, de branchevereniging voor ODA’s. Die code behelst dat klanten vier verificatie-opties voorgeschoteld krijgen. Dat zijn een handtekening op papier, een toegestuurde brief met daarop een activatiecode, de meterstand of het meternummer. “Ook dit is
natuurlijk geen waterdicht systeem, maar het maakt fraude, en zeker massale fraude, een stuk moeilijker”, zegt Zonneveld. Ook voor verhuizingen komt een regeling, omdat nu iemand die verhuisd is nog de energiegegevens van de nieuwe bewoner doorkrijgt. Dat verandert. Zonneveld: “Bij een melding van een inhuizing of uithuizing wordt de doorgifte van de data stopgezet. En dan
moet men zich daarna actief weer aanmelden.” Of ODA’s nu blij zijn of niet, met deze maatregelen, is niet helemaal duidelijk. “In ieder geval kost het implementeren ervan wel een heleboel extra werk”,
aldus Zonneveld.

TV-programma’s
Blijft over de P1-poort. Deze poort is een mogelijke punt van zorg, omdat de energiedata uit de P1-poort zo gedetailleerd zijn, dat je er volledige gedragspatronen uit kan destilleren. Wellicht is dat iets
minder een security-verhaal, maar des te meer een privacy-issue. De informatie uit de slimme meter is namelijk zó gedetailleerd dat je er bijvoorbeeld uit op kan maken welk televisieprogramma je kijkt,
zo toonden de hackers Dario Carluccio en Stephan Brinkhaus vier jaar geleden al aan (video te zien op Youtube).

Eén van de producten die gebruik maakt van de gegevens uit de P1-poort, is de slimme thermostaat Toon (voorheen van Quby, tegenwoordig eigendom van Eneco). Deze thermostaat maakt gebruik van een open Toon-platform waar app-ontwikkelaars in de nabije toekomst apps kunnen ontwikkelen en aan Toon gebruikers kunnen aanbieden. Nu al is het bijvoorbeeld mogelijk om de rookmelder van Eneco aan Toon te koppelen.

\Bij Eneco is men zich er bewust van dat het gebruik van een open platform een privacy-risico met zich meebrengt, zegt Jilles van den Beukel, manager Regulatory Affairs bij Eneco. “Partijen die gebruik gaan maken van ons platform, moeten daarom ook onze privacy-uitgangspunten hanteren.” Eneco heeft in mei vorig jaar een privacy-board opgericht waarin vijf Eneco-medewerkers zitten, waaronder iemand van Toon. “Deze board is een spin in het web binnen Eneco. Iedereen die een product wil lanceren met een privacy-component moet langs deze board”, aldus Van den Beukel. Overigens is het aanstellen van een privacy officer onder de nieuwe EU privacyregelgeving binnenkort verplicht. Van den Beukel ziet in het algemeen dat privacy door bedrijven nogal eens defensief wordt geïnterpreteerd. “Wij willen daarin proactief zijn. Door de gebruiker bij nieuwe producten vooraf altijd goed te informeren.”

Slimme meter-markt voor installateurs komt nog niet echt van de grond

De uitrol van de slimme meter heeft voor een beperkt aantal installateurs erg goed uitgepakt. Zij zijn door het plaatsen van honderdduizenden slimme gas- en elektriciteitsmeters de komende jaren verzekerd van werk. Maar van de markt voor ‘derdenplaatsers’ komt vooralsnog niet veel terecht. Installatie Journaal/Gawalo bezocht in Breda installateur Baas, die een flink deel van het Enexis-gebied voor zijn rekening neemt.

Door: Tijdo van der Zee in GAWALO november 2015

Erg veel ervaring met het plaatsen van de slimme meter had Baas BV niet, toen het zich in 2014 inschreef voor de aanbesteding van netbeheerder Enexis. Ja, het bedrijf had in 2006 in een pilot in
Sprang Capelle een aantal eerste generatie slimme meters gemonteerd. Maar daar hield het wel mee op. De kleinschalige uitrol had Baas aan zich voorbij laten gaan, maar de grootschalige uitrol was een wel érg wenkend perspectief. En het lukte. In het zuidelijke deel van het verzorgingsgebied van Enexis werd Baas, samen met Kemkens/Volta en Bam geselecteerd om tot 2020 elk huishouden een aanbieding te doen. Voor het noordelijke netwerk werden dat Bam en Geas Energiewacht.

Baas, Kemkens/Volta en Bam hebben het zuidelijke gebied onderling weer min of meer verdeeld. Baas kan voor deze opdracht voor Enexis voornamelijk westelijk Brabant tot zijn werkterrein
rekenen. De klus is groot en vraagt dan ook het nodige van de planningscapaciteit van Baas. Vorig jaar ging het om 12.000 adressen, die jaar moeten het er 30.000 worden, in 2016 zijn 40.000
huishoudens aan de beurt en in 2017 zelfs 50.000. “ De aantallen nemen toe gedurende het jaar. Dat is een lastig element aan deze opdracht. Je hebt daardoor steeds meer monteurs nodig.” Dat zegt
Roy Pals, die als projectleider Slimme Meters verantwoordelijk was voor de aanbesteding en de opzet van het project.

Baas heeft inmiddels een flinke buitendienst van monteurs die dagelijks op pad is om de oude meters voor nieuwe slimme exemplaren verruilen. Op het moment van schrijven (begin september) gaat het om ongeveer 20 man voor Enexis (niet alleen in het zuiden, ook in het noorden van het land), maar ook voor Stedin loopt een aantal monteurs rond. “In totaal zijn het er zo’n 40”, schat Pals. “En dagelijks nemen zij ieder zo’n 7 tot 9 huishoudens voor hun rekening.” Die monteurs krijgen allemaal een gedegen interne opleiding van vier weken, inclusief een meelooptraject, die wordt verzorgd door twee docenten, die tegelijk enkele dagen per week de gedane installaties op locatie inspecteert. Pals is trots op Baas’ opleiding. “Daarmee zijn wij onderscheidend”, stelt hij, “en het gaat dan niet alleen om technische kwalificaties, zoals een VIAG- en BEI-erkenning, maar ook om klantgerichtheid.”

Niet alle wijken lopen even soepel. Er zijn straten waarbij relatief veel mensen op de dag van de afspraak voor de meterwissel niet thuis blijken. Er zijn ook wijken waar het percentage juist heel
hoog ligt. “De gemiddelde dekkingsgraad ligt ongeveer op 90%, inclusief een weigeringspercentage van ongeveer 3%”, schat Pals.

Vanwege een tekort aan slimme gasmeters – de netbeheerders werken met gasmeters van Elster, Landis+Gyr en Itron – eerder dit jaar (zie kader) heeft Baas in de eerste maanden van 2015 veel wijken onder handen genomen met een warmtenet en waar in de woningen dus alleen een elektriciteitsmeter hangt, zoals in de Haagse Beemden in Breda. Monteurs hebben hier de keuze tussen e-meters van Landis+Gyr en Kaifa/IBM. “We hebben dit jaar zo’n 8.000 solo-elektrische woningen gedaan, dat is relatief veel”, zegt Pals. En de elektriciteitsmeter is ook wat lastiger om te vervangen. Vooral de 3-fase- meter (zo’n 35% van het totaal) vergt concentratie, onder meer vanwege de vele kleuren fasedraden. Pals: “Je hebt het over bestaande bouw, dus je ziet een heel palet aan kleuren voorbij komen.” Ook het feit dat er bij de e-meter spanningsloos gewerkt moet worden vraagt van de monteurs extra oplettendheid. De gasmeter is wat dat betreft minder veeleisend. Al komen de monteurs hier ook wel gekke dingen tegen, zoals een gasmeter die te ver weg hangt van de e-meter, waardoor de draadloze connectie niet tot stand kan komen. “De monteurs testen dit eerst, het zou niet fijn zijn als ze erachter kwamen dat de verbinding niet werkt als ze de meter al vervangen hebben”, zegt Pals.

Derdenplaatsing
Behalve via de contracten met de netbeheerders kunnen installateurs ook op een andere manier een plekje veroveren in de slimme-meter- markt. Dat namelijk via de regeling die ‘derdenplaatsing’ genoemd wordt. Consumenten kunnen namelijk al voordat ze officieel aan de beurt zijn in de grootschalige uitrolplanning voor een bedrag van enkele tientjes een slimme meter aanvragen. Installateurs die de juiste bevoegdheid hebben kunnen die derdenplaatsing verzorgen. Bijvoorbeeld tegelijk met de plaatsing van pv-panelen of een cv-ketel. Omdat de netbeheerder minder kosten

hoeft te maken als een ander bedrijf de installatie van de slimme meter voor zijn rekening neemt, moet de netbeheerder de installateur voor dit werk 19 euro betalen. Dat bedrag is bepaald door de bespaarde kosten te nemen en daar dan van af te trekken de administratieve kosten en de kosten die de netbeheerder maakt voor het oplossen van foutjes door de installateur. Volgens het ministerie van Economische Zaken kunnen installateurs op dit bedrag een redelijke business case bouwen, maar branchevereniging Uneto-VNI, die in een eerder stadium een nieuwe markt voor installateurs zag opdoemen, vindt het bedrag bespottelijk laag. Woordvoerder Dick Reijman van Uneto-VNI laat weten: “Volgens Uneto-VNI betekent dit dat de uitrol van slimme meters forse vertraging oploopt.”

Uneto-VNI vecht een moeizame strijd rond de derdenplaatsingen. In 2011 concludeerde DNV GL (toen nog Kema) dat “plaatsing door derden risico’s met zich meebrengt op het gebied van veiligheid
van de meetinfrastructuur, waardoor de netbeheerder extra kosten zou moeten maken.” En in 2013 stelde de Autoriteit Consument en Markt (ACM) dat de uitrol van de slimme meter eigenlijk wel
redelijk volgens planning verliep, waardoor “het geven van een impuls aan derdenplaatsingen op dit moment niet noodzakelijk is.” Toch is er sinds 2011 wel iets verbeterd. Toen stelde Kema nog voor
om het tarief op 0 euro te stellen, terwijl dit momenteel op 19 euro ligt. Deze verhoging wordt veroorzaakt door hogere uurlonen en hogere installatiekosten, omdat er tegenwoordig relatief meer
wordt geïnstalleerd in bestaande bouw.

Hoe het ook zij, Uneto-VNI legt zich er niet bij neer. Reijman: “We vinden dit tarief niet correct en zullen zeker nog actie ondernemen.” De suggestie dat er fouten gemaakt worden door onervaren
installateurs wijft Reijman weg. “We zien geen problemen ontstaan als kleine installateurs zich gaan bezighouden met de plaatsing van slimme meters. Om de kwaliteit te garanderen, heeft Uneto-VNI in
nauwe samenwerking met Netbeheer Nederland een opleiding en erkenningsregeling ontwikkeld. Ook kleinere installateurs zijn zo prima in staat een bijdrage te leveren aan de versnelde uitrol van slimme meters. Dit draagt bij aan meer energiebewustzijn en uiteindelijk aan minder energieverbruik in de gebouwde omgeving.”

Maar voor 19 euro zullen installateurs zich inderdaad niet snel laten bijscholen. Zij kijken liever nog even de kat uit de boom kijkt, zo blijkt uit de cijfers van erkenningsorganisatie Sterkin, waar installateurs hun slimme-meter- bevoegdheden kunnen halen. Volgens directeur Gert Jan Wilbrink van Sterkin heeft een “tiental” installateurs een aanvraag lopen, maar is er nog niet één echt erkend
omdat tot nu toe geen enkel bedrijf de juiste diploma’s heeft ingediend.


KADER

Logistieke problemen
Eerder dit jaar konden niet voldoende slimme meters geleverd worden vanwege logistieke problemen bij de fabrikanten en omdat één van de drie slimme gasmeters (een betrouwbare bron
meldt dat dit de Elster-gasmeter was) niet aan de kwaliteitseisen voldeed. Netbeheer Nederland heeft met het ministerie van Economische Zaken afgesproken om het doel voor dit jaar terug te
schroeven van 811.000 naar 744.000. Deze vermindering moet in de jaren 2016 en 2017 weer gecompenseerd worden, zodat de uitrol geen vertraging oploopt. Hoewel Netbeheer Nederland niet
wil zeggen welke gasmeter niet door de kwaliteitstest heen kwam, wil woordvoerder Martijn Boelhouwer wel kwijt om welke problemen het ging: “Onder meer om issues in de interne supply
chain (productie), de firmware en een microprocessor van een toeleverancier die niet aan de gestelde eisen voldeed.” Op dit moment zijn de gasmeters van de drie leveranciers wel in orde.

Zonnestroomverdelers zetten in op corporatiewoningen

Het zonnesystemenbedrijf LENS, bekend van Herman de Zonnestroomverdeler, gaat zich in plaats van op VvE’s vooral richten op woningcorporaties. Gelijktijdig brengt het bedrijf nieuwe hardware en nieuwe software op de markt, die deze ommezwaai ondersteunen. LENS krijgt sinds kort concurrentie van de relatief nieuwe speler Cast4All en zijn partner Xemex, dat met het product Powershare soortgelijke ambities heeft.

Door: Tijdo van der Zee, in Installatie Journaal maart 2017

In november 2013 stond Herman de Zonnestroomverdeler volop in de schijnwerpers. LENS had zojuist de Herman Wijffels innovatieprijs gewonnen. ‘De zonnestroomverdeler maakt zonnestroom voor iedereen toegankelijk en rendabel. Het is ook een sociale innovatie: bewoners gaan samen zonnestroom opwekken en verdelen. Dat bevordert het onderlinge contact’, zo concludeerde de jury.

Nu, bijna 3,5 jaar later, en enkele honderden Herman-installaties verder, gaat LENS zich richten op woningcorporaties. VvE’s blijken namelijk trage en weifelende beslissers, zegt Jim Wiese, Chief
Technology Officer van Lens Energie. “Het enige beslismoment is de jaarlijkse vergadering van eigenaren. Dan moeten LENS en de aanjagende bewoners het voor elkaar krijgen om groen licht te
krijgen voor de zonnestroominstallatie. Maar het gebeurt nogal eens dat dit agendapunt wordt ondergesneeuwd door een onderwerp als een verkeerd geplaatste bloempot. Dan is ons momentum voorbij en moeten we weer een jaar wachten. Daar kan je moeilijk je bedrijf op bouwen.”

Voor LENS is dat de belangrijkste reden om zich te richten op een ander segment – waar ook nog de nodige vierkante meters ontgonnen kunnen worden: daken van woningcorporaties. Maar omdat corporaties toch weer wat andere wensen hebben dan VvE’s, moest LENS zijn assortiment bijwerken. Over hoe dat ging later meer, eerst nog even recapituleren wat Herman de Zonnestroomverdeler 1.0 nu eigenlijk is.

In dat concept wordt uitgegaan van een gezamenlijk dak en de onderliggende elektriciteitsaansluitingen van de woningen en vaak ook een collectieve voorzieningen meter. Om wél de salderingsmogelijkheid te benutten van al deze aansluitingen, maar niet te hoeven investeren in evenveel kleine omvormers, bedacht Christiaan Brester, algemeen directeur van LENS, in 2012
Herman de Zonnestroomverdeler. Dit is een fysiek onderdeel – een kastje – van de installatie dat wordt geïnstalleerd tussen één centrale grote omvormer en de verschillende huisinstallaties. In deze kast zijn relais gemonteerd die de aansluiting naar de woning kunnen aan- of uitzetten. Software, die via internet of gprs verbonden is met de systemen van Lens Energie, kunnen bepalen naar welk huishouden de eerstvolgende lading zonnestroom geleid wordt. Omdat nauwkeurig bijgehouden wordt hoeveel elk huishouden ontvangen heeft, en er tegelijkertijd in het contract is vastgesteld op hoeveel elektriciteit elk huishouden recht heeft, is het dag-op- dag eenvoudig om telkens te schakelen naar de juiste woning.

Lens Energie ontwierp twee verschillende hoofdsystemen van de Herman, (met inmiddels negen subtypen). Door deze in combinatie toe te passen kan het team van LENS voor alle denkbare situaties
een oplossing bieden. Het eerste systeem is een centraal systeem waarbij de relaiskast achter de omvormer wordt geplaatst en van daaruit lopen AC-kabels richting maximaal zestien (maar
gemiddeld zes) individuele aansluitingen, tot achter de meter. En dan is er een decentraal systeem, waarbij elke woning een eigen relaiskastje heeft, dat strak tegen de stoppenkast aan gemonteerd is, en die wordt aangestuurd door een communicatiekabeltje. Deze variant maakt de aanleg van AC-bekabeling in sommige gevallen makkelijker, bijvoorbeeld als er tussen twee groepen aansluitingen
een lange gang overbrugd moet worden. Dit is een besparende maar installatietechnisch complexere
oplossing.

LENS heeft niet stilgezeten. De nieuwe zonnestroomverdeler – Herman 2.0 – heeft niet alleen meerdere uitgangen richting de woningen en centrale voorzieningen, maar ook meerdere ingangen.
Op dit moment lopen drie pilotprojecten met deze nieuwe Herman, allen in Amsterdam. “Multigrid noemen we dit”, zegt Wiese. “Op die manier kunnen we meerdere omvormers en ook meerdere
energiebronnen op één Herman aansluiten en kunnen we dus nog grotere systemen engineeren.
Daarbij kunnen we nu ook meerdere soorten bronnen en meerdere soorten verbruikers in één systeem zetten. Wind- en zonne-energie in combinatie met een accu en dat geheel gaan we dan weer koppelen aan verbruikers zoals warmtepompen, woningen en auto’s, allemaal zonder ‘slimme’ meters”. Op deze ontwikkelingen heeft LENS patenten liggen.

Een concreet voorbeeld: Op het dak van een gestapelde woningbouwcomplex aan de Amsterdamse Louise Wentstraat liggen 432 pv-panelen. Het gaat hier om typische 1×40 Ampère aansluitingen, dat betekent NEN1010 afzekeren op 25 Ampère-groepen en dus een omvormer van 5000 Watt. Voor 432 panelen kom je dan op 18 omvormers en dus ook 18 Hermannen 1.0. Bij de multigrid Herman 2.0 zijn drie omvormers per Herman mogelijk, dus zou een soortgelijk project nu toe kunnen met zes Hermannen.

Nieuwe software
Bovenstaand is de hardwarematige verandering die LENS heeft doorgevoerd in de Herman productgroep. Daarnaast zijn er softwarematige aanpassingen gedaan. “Ons oude platform draait op
PHP en MySQL. Dat is heel gangbare programmatuur, maar het kent wel veel beperkingen. Met opschaling bijvoorbeeld. Of het feit dat je voor mobiel en desktop veel meer apart moet ontwikkelen.
Ook moesten installateurs bij het testen van de kanalen gebruik maken van sms en dat duurde best wel lang. Wat je wil is dat je direct resultaat hebt als je een aansluiting gaat testen. Als het dan in
orde is, dan kan de installateur de deur achter zich dicht trekken en verder. Maar dat ging dus niet met ons oude platform.”

“Vooral bij woningcorporaties is ontzorging erg belangrijk, stelt. Zij willen alles in één systeem krijgen. Of dat nu een signaal is van een Herman, van een omvormer of slimme meters. Woningcorporaties moeten dat allemaal geaggregeerd kunnen inzien.” De nieuwe software is ontwikkeld op basis van Javascript. “Je programmeert één regel code en die werkt dan op desktop, mobiel, Apple en Android. En zowel voor omvormers als voor de Hermannen.”

Sinds kort heeft LENS er een concurrent bij, die een product op de markt heeft gebracht dat behoorlijk wat gelijkenissen vertoont met de Herman. Dit product heet Powershare en is ontwikkeld door het Vlaamse Cast4All in samenwerking met het Nederlandse Xemex. De twee bedrijven hebben met de Powershare op dit moment een pilot lopen in Nederland. Maar ze houden nog even geheim waar dat is. “Over enkele weken zullen we hier met een persbericht naar buiten komen”, zegt Gert-Jan van den Hurk van Xemex.

Cast4All is ontstaan als startup uit de Universiteit van Antwerpen en richtte zich aanvankelijk vooral op het verzenden van grote databestanden, films naar bioscopen bijvoorbeeld, zegt Peter van der Stock, van Casst4All Technologies. Later is het bedrijf zich meer gaan specialiseren in het bouwen van robuuste monitor- en controleapplicaties waarbij gebruik gemaakt wordt van de zogenoemde Normalized Systems Technology, een softwaretechnologie ontwikkeld samen met de Universiteit
Antwerpen. Xemex heeft een historie in de wereld van de slimme meters. “Eigenlijk hebben wij de slimme meter ontworpen voordat de overheid deze grootschalig wilde invoeren”, aldus Van den Hurk. Het bedrijf had rond 2005 een manier ontwikkeld om de meterstanden van de analoge meter uit te kunnen lezen en deze via gprs te verzenden naar de netbeheerders.

Xemex ging daarna samenwerking aan met de slimme meter van Landis + Gyr. Dat resulteerde erin dat de Xemex-technologie nu is ingebouwd in elke slimme Landis + Gyr-meter in Nederland. “Dus dan hebben we het over miljoenen exemplaren”, zegt Van den Hurk. Het is precies deze slimme meter die Xemex en Cast4All nu gebruiken in hun PV-monitoringoplossingen en in hun product Powershare.

Deze meter wordt namelijk, net als de Herman van LENS, achter de omvormer gemonteerd (dat kan in de meterkast zijn, maar ook bijvoorbeeld vlakbij de omvormer). “Dit is dus een brutoproductiemeter, die alleen meet hoeveel de zonnepanelen opleveren”, zegt Van der Stock. En het feit dat deze meter MID (Measurement Instrument Directive) gecertificeerd is, maakt dat de data gebruikt kunnen worden voor het daadwerkelijk afrekenen van de geproduceerde zonne-energie. Overigens wordt de waarde van dit ‘unique selling point’ betwist door Jim Wiese van LENS. “Onze Herman heeft ook een MID, maar je hebt er in de praktijk niet zo veel aan.”

Geautomatiseerd systeem
“De slimme meter van Landis + Gyr heeft een aan/uit-relais. En we dacht dat we daar wel wat mee konden doen”, zegt Van den Hurk. Dat denken resulteerde in Powershare en het concept is vergelijkbaar met het decentrale systeem van Herman de Zonnestroomverdeler. In elke woning wordt een Landis+Gyr-meter gemonteerd, die dag-op- dag de toegang open of dicht zet, al naar
gelang de hoeveelheid elektriciteit waar dat huishouden wel of niet recht op heeft.

Een verschil met het concept van LENS, zegt Van der Stock, is dat Cast4All/Xemex de woningcorporaties doelbewust niet een end-to- end platform levert, waarop alle handelingen zijn in te zien en uit te voeren. In plaats daarvan gaat het bij Cast4All/Xemex om het leveren van diensten aan de ‘achterkant’: de data voor een geautomatiseerd meldingensysteem. Van der Stock: “Wij
vergelijken de opbrengst van de PV-panelen met onze software voortdurend met benchmarks, zoals de opbrengst van PV-panelen in de buurt. Daarvoor hebben we onze Clear Sky Performance Index
(CSPI) ontwikkeld. Als er dan iets niet klopt, wordt er automatisch melding gemaakt en kan er direct actie ondernomen worden. Dit is essentieel als je, zoals bij onze systemen, met Esco-constructies
werkt. Je return on investment verbetert daarmee enorm.”


Een lift alstublieft
Voor PV-installaties op corporatiedaken maakt nogal wat uit of een centrale voorzieningenruimte (CVZ) in een woningcomplex een lift heeft of niet. Een lift is namelijk een elektriciteitsslurper (al snel 10.000 kWh/j) van jewelste en met het salderen van deze elektriciteit komt een business case snel dichterbij. Dat heeft echter zin tot 50.000 kWh. Boven deze hoeveelheid gaat de energiebelasting drastisch omlaag en schiet salderen niet meer zoveel op. Dan is het nog wel mogelijk om SDE+-subsidie aan te vragen.

Bam zet capaciteit van 200 nul-op-de-meter-woningen in als flexdienst

Bouwbedrijf Bam wil de capaciteit van zo’n 200 nul-op-de-meter-woningen in de regio Utrecht gaan inzetten als flexibiliteitsdienst aan Stedin.

Door: Tijdo van der Zee
In: Energeia.nl, 11 mei 2015

Eerder deze maand kreeg Bam voor dit driejarige Rennovates-project van de Europese Commissie EUR 5 mln toegezegd vanuit subsidieprogramma Horizon 2020.

Bam is betrokken bij het programma Stroomversnelling, waarin 111.000 woningen worden gerenoveerd tot nul-op-de-meter-woning. In het Rennovates-project betekent dit onder meer dat de gasaansluiting wordt verwijderd, dat elektriciteit wordt opgewekt door zonnepanelen en de warmte door warmtepompen. In de winter zal er daardoor extra vraag naar stroom zijn en in de zomer wordt juist een overschot verwacht, dat wordt teruggeleverd aan het net. Netto moet dit optellen tot nul.

Ook na de renovatie zal Bam betrokken blijven. Het bouwbedrijf is namelijk voor dertig jaar verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de gerenoveerde woningen. In een energie service contract met de woningcorporatie tekent Bam voor de energieprestatie van gebouwgebonden installaties; de warmtepomp en zonnepanelen. Bam staat niet garant voor onzuinig gebruik van huishoudelijke elektrische apparaten door bewoners: die krijgen een jaarlijks energiebudget van ongeveer 2.500 kWh. Wat ze daarboven gebruiken, moeten ze extra afrekenen. Lees verder Bam zet capaciteit van 200 nul-op-de-meter-woningen in als flexdienst

HeatMatcher maakt de warmte-installatie slim

In de ketelruimte van seniorencomplex in Krommenie staat sinds enige maanden een laptop opgesteld naast de regelkast. Op die laptop staat het softwareprogramma HeatMatcher. Dat programma laat verschillende onderdelen van de verwarmings- en warmtapwaterinstallatie met elkaar communiceren en onderling ‘bepalen’ welk onderdeel op welk moment de warmte levert, afhankelijk van prijs en beschikbaarheid. Uit eerste tests blijkt dat de HeatMatcher vaker dan normale regelunits gebruik maakt van de warmtepomp.

Door: Tijdo van der Zee
In: GAWALO juli 2013

Het comfortabele woonblok aan het Durghorstplantsoen van 79 woningen en een overdekt atrium werd een paar jaar geleden opgeleverd met een duurzame installatie van 80 vierkante meter zonnecollectoren en een (gesloten) WKO-systeem. De zonnewarmte wordt gebruikt om het tapwater te verwarmen. De WKO is de basis voor de ruimteverwarming. Het tapwatersysteem wordt geholpen door twee 65 kW Remeha-gasketels, de ruimteverwarming kan bij piekvraag rekenen op twee exemplaren van 115 kW. De gehele installatie wordt aangestuurd door een regelunit van Priva.

Energy Service Company (Esco) ZON Energie Groep uit Spanbroek is eigenaar van de installatie en voert het beheer uit. Daarbij betalen de bewoners een energiefactuur via het NMDA (niet meer dan anders)-principe, waaruit ZON Energie gas en elektriciteit aanschaft en afschrijvingen op de installatie betaalt. Hoe meer ‘gratis’ duurzame energie uit bodemwarmte en zonnecollectoren ZON Energie gebruikt, hoe sneller de investering zich laat terugverdienen. Lees verder HeatMatcher maakt de warmte-installatie slim

CV-ketel wandelt internet-of-things tijdperk binnen

De markt van de home automation staat volop in de belangstelling. In die snelle wereld van sensoren, data en communicatieprotocollen keken CV-ketelfabrikanten lang de kat uit de boom. Maar nu komt die markt wel degelijk in beweging.

Nee, ze zijn afgelopen januari niet in Las Vegas geweest. Maar volgend jaar moet het er toch echt van komen. Aan het woord zijn Ferry Overweg en Peter Mooiman, productmanager controls en projectleider bij ketel- en thermostatenfabrikant Remeha. De mannen hebben het niet over een goktripje naar The Bellagio of Ceasars Palace, maar over de Consumer Electronics Show, ofwel de CES, die plaats vond van 6 tot en met 9 januari. “We willen wel, maar zo’n tripje is erg duur”, zegt Overweg lachend.

Waar in voorgaande edities van de CES slimme horloges of mobiele telefoons nog de show stalen, was het dit jaar de beurt aan thermostaten en domotica. Google toonde de nieuwste functies in zijn thermostaat Nest en ook Quby, de leverancier van Eneco’s Toon was van de partij. Het moge duidelijk zijn er dat voor ketelfabrikanten genoeg te zien was.

Misschien kan de CES wel als definitief markeringspunt worden aangemerkt; vanaf nu is huisverwarming sexy. “De vele startups zullen een swing aan de markt geven”, zegt Arjen Noorbergen. Noorbergen is voorzitter van de vereniging OpenTherm. Hij nam in maart vorig jaar het stokje over van Dieter Kramer, werkzaam bij het Duitse Theben, die het voorzitterschap acht jaar bekleedde. De nieuwe functie bij OpenTherm doet Noorbergen erbij. In het dagelijks leven is hij technisch directeur bij Quby.Foto1

“Opentherm gaat nooit een volledig domoticabesturingsprotocol doorontwikkelen. Dat zullen anderen doen. Maar we moeten wel kunnen aansluiting bij de initiatieven die er zijn. Dus als je de ketel wil meenemen in het grotere domotica-systeem, dan moeten de ketelfabrikanten die op gestandaardiseerde wijze kunnen aanbieden, zodat andere partijen daar weer makkelijk op kunnen aansluiten. Op die manier kan elke ketel meedoen in bijvoorbeeld een alarmsysteem van leverancier A of een verlichtingssyteem van leverancier B”, zegt Noorbergen, die beseft dat er nog heel wat werk verzet moet worden voor het zover is. Standaardisering is een lastig proces, en het mislukt ook wel eens. “Bij OpenTherm hebben we gediscussieerd over standaardisering van de communicatie naar radiatorkranen. Dat lukt niet meer, er zijn inmiddels te veel technieken. En als er al een protocol dominant zal worden, dan lijkt dat Z-Wave te zijn”, zo schat Noorbergen.

Remeha-app
Ketelfabrikant Remeha zit inmiddels niet stil. Het bedrijf uit Apeldoorn adopteerde OpenTherm al vroeg en produceert sinds 2000 geen ketels meer die werken volgens het aan/uit-principe. Ook heeft het bedrijf al enige tijd (draadloze) thermostaten in zijn assortiment (qSense en iSense). In het tweede kwartaal van dit jaar komt Remeha met een thermostaat die via internet en een app te bedienen zijn. Maar daar houdt het niet op.

Met de komst van internet-of-things kan je eindeloos filosoferen wat er allemaal aan elkaar geknoopt kan worden. “The sky is the limit”, zegt Overweg. “Theoretisch is het nu mogelijk om de verwarming aan te passen aan je stemming, zoals je bij verlichting nu al ziet. Of om de verwarming automatisch wat lager te zetten als de stofzuiger aangaat.”

Remeha volgt de technologische ontwikkelingen met belangstelling en staat open voor samenwerking met andere partijen. Maar net als Arjen Noorbergen zien Overweg en Mooiman dat  de diverse communicatieprotocollen op de markt het Remeha wel moeilijk maken. Moet het bedrijf voor één techniek kiezen en de andere laten voor wat ze zijn? Feit is dat Remeha moeilijk alle verschillende communicatietechnieken in huis kan halen. Maar een harde keuze, dat is ook weer niet de bedoeling. “Wij zouden niet alle kaarten willen inzetten op Zigbee of Z-Wave,” zegt Mooiman. “Het zou inderdaad mooi zijn als wij met één protocol kunnen meedoen in een groter systeem. Dus ja, standaardisatie is geen gek idee.”

Automatische diagnoses
Een andere ontwikkeling die nu onder de aandacht staat is het beheer en onderhoud van de CV-ketel op afstand. Met het OpenTherm-protocol stuurt de ketel nu al foutmeldingen naar de thermostaat. Een fout wordt weergegeven als een getal tussen 1 en 255, en dat getal correleert met een bepaalde melding. Zo staat fout 5 bij een bepaalde fabrikant bijvoorbeeld gelijk aan een defecte pomp. Maar bij een andere fabrikant kan deze foutmelding iets heel anders betekenen. De meeste onderhoudsbedrijven hebben de verschillende onderhoudsboekjes wel op de plank liggen en kunnen bij elk merk en elk type snel zien wat welke foutcode  zou kunnen betekenen.

Anders wordt het als die foutcodes worden gebruikt als input van een rekenprogramma. Dan wordt het zinnig als alle fabrikanten hun foutcodes met elkaar in lijn brengen. Net zoals data uit de slimme meter kunnen leiden tot nuttige informatie, kan informatie uit de ketel een schat aan wetenswaardigheden opleveren. In verschillende pilots wordt inmiddels getest of het combineren van foutcodes en gebruiksdata uit de ketel via complexe algoritmes voor onderhoudsbedrijven en installateurs gebruiksklare diagnoses kan genereren. Uit de data kan uiteindelijk zelfs een voorspelling worden gedaan over wanneer een ketel een volgende servicebeurt nodig heeft, waarmee ook een nieuw servicemodel in het verschiet ligt. “Onderhoudsmonteurs, de Bonariussen en Feenstra’s, kunnen op die manier meteen het juiste gereedschap of onderdelen in de bus leggen, zodat ze niet bij de ketel aangekomen ontdekken dat ze iets vergeten zijn”, zegt Noorbergen, die voor OpenTherm de taak ziet om deze processen enigszins te stroomlijnen, bijvoorbeeld via standaard foutcodes. “In een recente pilot, waarin ook Eneco mee deed, hebben wij zo’n 150 serviceboekjes zitten overtypen”, zegt Noorbergen, die nog wel meer partijen ziet die kunnen aanhaken. “Ook een groothandel als Wasco kan hierin mee, die kan dan automatisch nieuwe onderdelen klaarleggen.”

Ook Remeha zal binnenkort meedraaien in een dergelijke pilot, waarover meer uit de doeken zal worden gedaan bij de bouwbeurs in februari in Utrecht. Maar een tipje van de sluier willen de mannen wel oplichten. “Het gaat om een proef in bestaande woningen. Eerder hebben we al getest in het lab en die resultaten waren positief. De ketel zal in die woningen de foutcodes, samen met verbruiksdata, via internet rechtstreeks naar de installateur zenden.” En of die foutcodes gestandaardiseerd moeten worden? “Niet perse. Van de installateurs krijgen wij in ieder geval geen klachten. Remeha zal hier niet over één nacht ijs gaan. En er moet vanuit de markt ook wel echt vraag naar zijn.”

————————————–

Multi-master
OpenTherm (OT) is een gestandaardiseerd communicatieprotocol  dat ervoor moet zorgen dat thermostaten en CV-ketels bij modulerend stoken merkonafhankelijk met elkaar kunnen communiceren, en waarbij de ketel de stroom levert aan de thermostaat. Recente updates van het OpenTherm-protocol maken het mogelijk om meer apparatuur te bedienen en een gateway tussen de thermostaat en de ketel te plaatsen, die meerdere apparaten kan koppelen. Onlangs is weer een nieuwe versie van OpenTherm gedefinieerd. Deze moet nu worden getest, voordat hij definitief kan worden vastgesteld. Deze nieuwe versie staat vooral toe dat er meerdere apparaten tegelijkertijd kunnen worden aangesloten op OpenTherm (multi-master). Vanuit de markt gaan ook geluiden op om nog weer wat meer vermogen beschikbaar te stellen vanuit de ketel aan de thermostaat. Dat is nu bijvoorbeeld te weinig om Wi-Fi te kunnen implementeren. Maar daarin voorziet de nieuwe versie vooralsnog niet.

Door: Tijdo van der Zee
Verschenen in: GAWALO, 2015