Geldbronnen voor groen

Duurzame energieprojecten kennen vaak hoge investeringskosten, lange looptijden en flinke risico’s. Hoe interesseer je financiers om in de buidel te tasten? Betrek ze vanaf het allereerste begin bij de plannen. ‘Financiering is nog veel te vaak een sluitpost.’

Door Tijdo van der zee

‘Geld is het probleem niet, er liggen bij fondsen en private equity-bedrijven miljoenen ongebruikte euro’s te wachten op het juiste project. Maar veel ontwikkelaars zijn niet in staat legitieme zorgen weg te nemen en een degelijke  business case  te presenteren’, zegt Ronald Huisman, universitair hoofddocent aan de Erasmus School of Economics. Auke de Boer, manager ING Groen Financieringen kan dat beamen: ‘Duurzame projecten zijn best te financieren, maar banken hebben moeite met onzekerheid.’

Onzekerheid en risico zijn verschillende grootheden. Huisman: ‘Er kan een bom vallen op je duurzame project. Dat is onzekerheid. Maar wanneer een ontwikkelaar een eerlijke inschatting maakt van wat er allemaal fout kan gaan in het proces, maak je onzekerheid voorspelbaar en geef je de potentiële investeerder de mogelijkheid een inschatting te maken van de risico’s. Op basis hiervan kan dan een weloverwogen beslissing genomen worden. Vaak krijgt de investeerder een rommelig Excel-sheet onder ogen met de verwachte kasstromen. Of hij even wil betalen.’ Wanneer je de risico’s van een project kent, zijn deze ook te managen. ‘Je weet dan aan welke knoppen je moet draaien als de zaken niet goed lopen,’ vult De Boer aan.

Grote energiebedrijven als Essent, Nuon en Eneco kunnen duurzame energieprojecten vaak grotendeels met eigen vermogen betalen en het project beheren vanuit een zogenoemde balansfinanciering, waarbij de risico’s voor eigen rekening zijn. Een kleine rondvraag op het Warmtecongres in Eindhoven levert de kennis op dat een groot deel van de aanwezigen die bezig zijn met het opzetten van een warmtenetwerk – waarbij huizen of bedrijven met restwarmte of aardwarmte worden verwarmd – bij een kleiner bedrijf werkzaam is. Dergelijke bedrijven zijn voor hun financiering veel meer afhankelijk van vreemd vermogen. In dat geval komt projectfinanciering in beeld, waarbij de risico’s voor rekening zijn van de financiers. ‘Daarbij gelden strakke regels, waardoor we snel kunnen ingrijpen’, stelt De Boer. De ING heeft een voorkeur voor bewezen technieken in plaats van innovatieve ontwerpen en ook juridisch stevige leveringscontracten. En verder: er moet een goed vooruitzicht zijn op inkomsten. De Boer: ‘Nog altijd geldt:  Cash is King! Men moet in staat zijn met de kasstroom rente en aflossing te betalen.’ Maar ook de ING heeft geleerd van de economische crisis en denkt dus wel twee keer na alvorens over te gaan tot een lening. Wie dat lukt, kan vervolgens wel profiteren van de gunstige groenlening, ‘waarbij de rente tot 100 basispunten lager ligt, en dat kan net dat zetje zijn dat het project nodig heeft.’ Deze groenlening geldt overigens alleen voor ‘groenprojecten’ die door het Agentschap NL van Economische Zaken zijn goedgekeurd. Deze zeggenschap heeft het ministerie omdat de lagere rente deels wordt gefinancierd door het Rijk. De ING hoeft groenspaarders namelijk minder rente te betalen zonder dat deze erop achteruit gaan, omdat spaarders fiscale voordelen genieten bij groen sparen.

Econoom Ronald Huisman ondervond na onderzoek naar de financieringsperikelen rond verscheidene warmteprojecten dat er voor geld te vaak alleen gekeken wordt naar banken. Private equitybedrijven, pensioen- en beleggingsfondsen hebben echter ook veel geld te besteden. Welke geldbron je aanboort zou volgens Huisman afhankelijk kunnen worden gemaakt van de fase waarin het duurzame project zich bevindt. Huisman onderscheidt vier fasen. Ten eerste het begin van het project, gekenmerkt door zeer hoge onzekerheid. Vervolgens gaat het project van start. Ook deze fase kent nog veel onzekerheid, maar er is ook een grote toename van kennis, oftewel waardeontwikkeling. In fasedrie is het warmtenet in bedrijf. De onzekerheid is inmiddels laag en het geld begint binnen te stromen. Ten slotte kan het project worden uitgerold naar andere warmtenetten. Daarbij komt de opgebouwde kennis van pas. Huisman: ‘In deze laatste fase kapitaliseert men de waardestijging uit fase twee. Ontwikkelaars zouden bij projectfinanciering deze waardestijging moeten benadrukken. Met kasstroom trek je een bank over de streep, maar waardestijging interesseert fondsen en private equitybedrijven veel meer.’

Financiering door de markt is het meest ideaal, want veel minder afhankelijk van telkens veranderende regelgeving. Toch staan of vallen de meeste projecten bij een of andere vorm van overheidssteun. Dat is vaak de SDE (Stimuleringsregeling duurzame energieproductie), maar ook de EIA (Energie-investeringsaftrek), KIA (Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek), VAMIL (Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen), een garantieregeling of MIA (Milieu-investeringsaftrek) komen al naar gelang het soort project in aanmerking. ‘Voor een bank zijn de risico’s vaak toch te groot om alleen te dragen’, zegt De Boer.

Bron: Groen Akkoord, SDU Uitgevers, oktober 2010

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s