Categorie archief: Energie in Europa, Nederland en de wereld

Sloop oude boorplatforms is miljardenmarkt, maar hergebruik heeft z’n voordelen

Grote olie- en gasvelden in de Noordzee raken de komende jaren uitgeput. Veel boorplatforms zullen dus overbodig worden. De sloopbranche voorziet een miljardenbusiness, maar de producenten houden het geld voor deze decommissioning en abandonment, ofwel sluiten en netjes achterlaten, liever zo lang mogelijk op zak. Dat kan door ook de laatste restjes olie en gas op te boren, of door de platforms te gebruiken als spil in een netwerk van kleine velden.

Door Tijdo van der Zee

De cijfers spreken voor zich. Het ontmantelen van boorplatforms is een potentiële miljardenbusiness. Op het IIR-congres ‘Re-use & Decommissioning’ vorige week in Amsterdam schotelde Brian Nixon, directeur van Decom North Sea, zijn toehoorders indrukwekkende statistieken voor. Decom North Sea wordt gefinancierd door het bedrijfsleven en wordt tot eind 2011 ook gesteund door de Britse overheid. De organisatie richt zich op het ontsluiten van decommissioning-informatie en het bijeenbrengen van de verschillende spelers in de markt.

“Alleen al in het Britse continentale vlak wordt jaarlijks zo’n EUR 500 mln gespendeerd aan decommissioning en dit bedrag neemt toe”, schetst Nixon. “De komende tien jaar zou de markt alleen al op het Britse vlak kunnen groeien tot EUR 10 mrd.” Volgens Decom stonden er in 2009 op de Britse, de Noorse en Nederlandse continentale vlakken bijna 600 boorplatforms, waarvan 54% ouder was dan 15 jaar. “De gemiddelde leeftijd van gesloten platforms is momenteel 17 jaar. Decommisioning wordt dus heel belangrijk dit decennium.”

De ontwikkelingen rond het platform Brent Spar van Shell in de jaren ’90 markeren het begin van deze groeimarkt. Shell wilde dit platform na enkele decennia trouwe dienst laten afzinken in zee, maar Greenpeace wist dit te voorkomen door te claimen dat de zware metalen in het platform een milieuramp zouden veroorzaken. Hoewel later bleek dat Greenpeace stevig had gegoocheld met cijfers, leidde het incident wel tot nieuwe regels rond offshore platforms. In 1998 werd door Europese landen rond de Noordzee plus nog een aantal Europese landen afgesproken dat afzinken verboden werd en dat platforms voortaan netjes opgeruimd dienden te worden. Overigens geldt deze plicht in Nederland niet voor pijpleidingen en kabels van en naar het platform. Hierover kan de minister per project een beslissing nemen.

Deze wetgeving en rooskleurige toekomstcijfers ten spijt, valt het aantal platforms dat nu al daadwerkelijk afgebroken is een beetje tegen. Om weer op het Britse continentale vlak te blijven: in de jaren 2000 tot en met 2009 werden daar 22 grote installaties opgeruimd, iets meer dan twee per jaar. In het Nederlandse vlak staan “ruim 130 intstallaties, waarvan er minder dan een handvol is opgeruimd”, zegt Jelto Terpstra van de Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie, Nogepa. “Doordat het nog zo weinig gebeurt, is het lastig om te profiteren van de leercurve. De prijzen blijven daardoor hoog”, zegt Nixon.

En dat niet alleen. Die kosten lopen soms ook gierend uit de hand, zegt Thor Sterker van Platform Brokers. Platform Brokers werkte als onderaannemer van sloper Heerema mee aan de ontmanteling van North West Hutton van BP in de buurt van de Shetlandeilanden in 2009. In 1992 raamde men het opruimen van dit platform op EUR 41 mln. In 2005 was dit bedrag opgelopen tot EUR 189 mln. “Er zijn vaak te weinig gegevens waar je op kan vertrouwen, dat maakt het lastig om de kosten goed in te schatten”, zegt Sterker. “Je ziet wel dat de kleine platforms makkelijker binnen budget blijven, dan grote.”

Exploitanten moeten er dus vanaf het begin van de boring in hun begroting rekening mee houden dat ze op het eind nog forse kosten zullen hebben. Maar als puntje bij paaltje komt willen veel exploitanten deze decommissioning-kosten zo lang mogelijk uitstellen. Dat kan door bijvoorbeeld beter je best te doen om ook de laatste druppels olie en wolkjes gas uit het veld te persen. Al moet dat wel daadwerkelijk gebeuren, want de vergunning kan worden ingetrokken als er twee jaar geen significante activiteiten plaats vinden. Maar een platform kan ook in gebruik blijven door het als centraal element in een netwerk van kleine velden te laten meedraaien. Daarbij word gas uit kleine naastgelegen boortorentjes, of zelfs onderzeese installaties, in pijpleidingen vervoerd naar het grote platform, om daar opgewerkt te worden. Vandaar wordt het getransporteerd naar land.

Welke herbestemming een platform ook krijgt, volgens Ruud van Wijk, platforminspecteur bij Bureau Veritas, dat inspecties uitvoert bij onder meer offshore installaties, blijven de meeste platforms veel langer in bedrijf dan je op grond van hun voorspelde levensduur zou verwachten. “Mijn ervaring is dat decommissioning nauwelijks plaats vindt. Ik voer telkens inspecties uit omdat exploitanten de levensduur van het platform willen verlengen.”

Decommissioning is prima, maar nu nog even niet”, zegt Floor Jansen van Energie Beheer Nederland (EBN). De Nederlandse overheid heeft sinds enkele jaren een kleine-veldenbeleid, dat moet helpen om de huidige Nederlandse offshore gasproductie van 30 mrd kuub gas te handhaven tot 2030, ondanks de dalende productie van de bestaande grote velden. “Die installaties kunnen we dus goed gebruiken.” EBN, een staatsonderneming, participeert voor 40% in alle productieboringen in Nederland. Om bedrijven te stimuleren is er een regeling dat 25% van de investeringen in de ontwikkeling van kleine velden van het bedrijfsresultaat waarover winstbelasting moet worden betaald mag worden afgetrokken.

Het uitwringen van oude velden en de ontwikkeling van nieuwe kleine velden zijn min of meer dezelfde taken als waarvoor de platforms altijd al gebruikt zijn. Maar er zijn meer mogelijkheden. Zo valt er te denken aan het gebruiken van platforms voor het opslaan van aardgas of voor de opslag van CO2 (CCS), die daarvoor overigens wel eerst moeten worden omgebouwd. Voor die laatste functie zijn vergevorderde plannen voor een platform en leeg gasveld van Taqa in het P18-blok voor de kust van Rotterdam. Max Oosterhuis van Loyens en Loeff denkt dat er qua wetgeving nog wel wat moet veranderen, wil CCS aantrekkelijk worden. “Wie aardgas op wil slaan in zijn oude veld, kan zijn bestaande vergunning omzetten in een gasopslagvergunning, maar als een exploitant CO2 op wil slaan, moet hij zijn vergunning inleveren en daarna weer een CCS-vergunning aanvragen.”

Er zijn zelfs idealistische vergezichten die de boorplatforms willen aansluiten op een toekomstige elektriciteitsring, op de bodem van de Noordzee, die de stroom van de vele windturbines op zee naar land van verschillende Noordzeelanden moet brengen. De platforms zouden dan opgetuigd kunnen worden als gas to wire-installaties, een soort offshore gascentrales, die het onzekere aanbod van windstroom kunnen compenseren. Dit idee opperde Carel Cronenberg, van adviesbureau DHV op het congres in Amsterdam. Nuon en Eneco noemden dit idee ook bij hun gezamenlijke plan voor een offshore windpark in de Noordzee. Of exploitanten met lege velden kunnen wachten met decommissioning tot het zover is, lijkt niet erg waarschijnlijk.

Verschenen in Energeia, 25 mei 2011

Een legitieme Europese energiemarkt geeft zichzelf bloot

Twee artikelen in Energeia over transparantieregels voor de Europese energiemarkt

Transparante Europese energiemarkt stapje dichterbij

Een transparante energiemarkt die handelaren belet met voorkennis hun slag te slaan is weer een stapje dichterbij gekomen. Dinsdag stemde de Commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie van het Europees Parlement in overgrote meerderheid (42 voor, 0 tegen, 3 onthoudingen) voor de ontwerp-verordening ‘Integriteit en transparantie van de energiemarkt’.

Door Tijdo van der Zee

Als de verordening, in het Engels Regulation on Energy Market Integrity and Transparency (Remit) genoemd, later dit jaar stemmingen in het Europees Parlement en de Europese Ministerraad overleeft, worden deelnemers aan energiehandel verplicht gegevens openbaar te maken over de capaciteit en het gebruikt vermogen van productiefaciliteiten, opslag, en distributiegegevens van elektriciteit, gas en LNG. Ook verbiedt de verordening handel in voorkennis. Zo moet marktmanipulatie en prijsbeïnvloeding tegen worden gegaan.

Sinds 2003 bestaat al een Europese richtlijn voor de financiële sector die handel met voorkennis verbiedt, maar die bleek niet toegesneden op de energiesector. “De bestaande regeling heeft tot leemten in de toepasselijke regelgeving geleid en het transparantieniveau beperkt”, zo staat er in het ontwerpdocument. De mogelijkheden om in die ondoorzichtige markt op een dubieuze manier te handelen kan het vertrouwen van de consument in de energiemarkt ondermijnen. “Potentiële oneerlijke handelspraktijken moeten doeltreffend worden aangepakt, zo niet ondermijnen zij het vertrouwen van het publiek, ontmoedigen zij investeringen, vergroten zij de volatiliteit van de energieprijzen en kunnen zij in het algemeen tot hogere energieprijzen leiden.”

Het Europese agentschap van energieregulatoren (Acer) zal een spilfunctie vervullen. Vanuit de lidstaten stromen straks de vrijgegeven data naar Acer’s kantoor in het Sloveense Ljubljana. “Acer zal een specifieke eenheid moeten oprichten, bestaande uit deskundigen met een ruime ervaring op het gebied van energiemarkten en financiële OTC-markten [Over The Counter: deals tussen bedrijven zonder tussenkomst van een handelsplatform, red.].”

Energie Nederland, de belangenbehartiger van Nederlandse energiebedrijven, reageerde eerder tegenover Energeia al gematigd enthousiast. “Wij hebben in principe geen bezwaar tegen meer transparantie op Europees niveau. Belangrijk is dat dezelfde regels gelden voor alle partijen op de Europese markt”, zei woordvoerder Sjoerd Marbus. Ook de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA), de Nederlandse energieregulator, ziet de Europese verordening met genoegen tegemoet. Woordvoerster Barbara van der Rest-Roest: “Wij verwachten dat deze verordening van waarde zal zijn bij het opsporen en bestrijden van ‘insider dealing’ en marktmanipulatie op de energiemarkt. Het is een markt waar met enige regelmaat verdenkingen de kop opsteken van gedrag van marktpartijen die leiden tot hogere prijzen voor eindverbruikers.”

Zowel Energie Nederland en de NMA zijn enigszins bevreesd voor de kosten die met het nieuwe systeem gepaard gaan. NMA-zegsvrouw Van der Rest-Roest: “Voorwaarde is wel dat de administratieve lasten voor marktpartijen beperkt blijven.” Hierover biedt de concepttekst weinig duidelijkheid. Die luidt: “Meldingsverplichtingen mogen voor marktdeelnemers geen nodeloze kosten met zich meebrengen.” Over het woordje ‘nodeloze’ is wat te doen geweest; een advies van de Commissie Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement om ‘nodeloze’ te vervangen door ‘vermijdbare’ heeft het uiteindelijk niet gehaald.

De verordening maakt ook niet duidelijk hoe de gegevens worden verzameld, en hoe ze vervolgens geïnterpreteerd dan wel gepubliceerd worden. “De verordening belast Acer met het verzamelen, evalueren en delen van gegevens betreffende de groothandelsmarkten voor energie”, zo staat er. Hoe vaak er informatie wordt aangeleverd is ook ongewis. “Marktdeelnemers maken tijdig voorwetenschap openbaar”, stond er in een vroege versie. Maar in de uiteindelijke tekst die dinsdag zo enthousiast door de Eurocommissie werd aangenomen, was het woordje ‘tijdig’ weer verdwenen. Acer deelt de informatie met nationale toezichthouders en “kan beslissen delen van de verkregen informatie openbaar te maken op voorwaarde dat geen commercieel gevoelige informatie over afzonderlijke marktdeelnemers of transacties wordt bekendgemaakt”. De tekst sluit de mogelijkheid dus niet uit van een eventueel real time en openbaar informatiesysteem.

Overigens zijn er nog enkele voor de energiesector relevante Europese regels in de maak, met name de verordening ‘OTC Derivaten’ (Emir wordt die genoemd) en de richtlijn ‘Markets in Financial Instruments Directive’ (Mifid) zijn van belang. Deze zijn in eerste instantie bedoeld voor de financiële sector, maar zullen ook handel in energieproducten raken. Er bestaat, onder meer bij CEER, de Europese belangenbehartiger van de nationale energieregulatoren (niet te verwarren met Acer), de vrees dat er door al deze nieuwe regels veel interferentie en daarmee onduidelijkheid zal ontstaan in de energiemarkt. Hoe deze regels precies op elkaar in gaan haken, is nog onduidelijk.

Verschenen in Energeia, 13 juli 2011

Europese regels over transparante energiehandel nog deze winter in werking

De Europese energiemarkt wordt transparanter en eerlijker. Dat is in ieder geval de bedoeling van een verordening die woensdag door het Europees Parlement is aangenomen. Op 10 oktober stemt de Europese ministerraad nog wel over het document, maar daar is het een hamerstuk. Half december, zo is de verwachting, treedt de verordening dan in werking.

Door Tijdo van der Zee

De verordening, de Regulation on Energy Market Integrity and Transparency (Remit), gebiedt deelnemers aan de energiehandelsbeurzen de gegevens en contracten over capaciteit en het gebruikt vermogen van productiefaciliteiten, opslag, en distributiegegevens van elektriciteit, gas en LNG door te geven aan de Europese energieregulator Acer. De verordening geldt voor alle deelnemers op de beurs, dus hoogspanningsnetbeheerders (gas en elektriciteit), leveranciers, handelaren, producenten, energiemakelaars en grote gebruikers.

Deze openheid moet ervoor zorgen dat marktmanipulatie en ‘insider dealing’ tot het verleden gaan behoren. In de verordening wordt hier dan ook de nodige aandacht aan besteed. Barbara van der Rest-Roest, woordvoerster van de Nederlandse Mededingingsautoriteit NMA, die nauw zal samenwerken met Acer, vertelde eerder tegen Energeia dat de NMA positief staat tegenover de regelgeving, want: “Het is een markt waar met enige regelmaat verdenkingen de kop opsteken van gedrag van marktpartijen die leiden tot hogere prijzen voor eindverbruikers.”

De Europese Unie is er van overtuigd dat deze transparantie niet bereikt kan worden door de lidstaten afzonderlijk, omdat de markten steeds meer met elkaar verweven zijn geraakt. In Remit staat het zo: “Sterke monitoring over de grenzen heen is essentieel in het verwezenlijken van een goed functionerende Europese energiemarkt.”

Acer krijgt een belangrijke rol. Het agentschap dat zetelt in de Sloveense hoofdstad Ljubljana speelt namelijk de handelsgegevens weer door aan de nationale energiewaakhonden, die op hun beurt passende maatregelen kunnen nemen wanneer een handelaar over de schreef gaat. Die maatregelen worden overigens niet geharmoniseerd. Het staat de nationale regulatoren vrij om ook nog op nationaal niveau gegevens te verzamelen, zo wordt in de tekst benadrukt. Ook staat er in de verordening dat een stevige relatie tussen Acer en de energiehandelbeurzen in het verschiet ligt. Acer krijgt een doorslaggevende stem. Bij zaken aangaande de implementatie van de verordening moet het Europese agentschap de landelijke regulatoren wel om advies vragen, maar hieraan is het niet gebonden.

Nadat de Europese ministers hun handtekening onder de verordening hebben gezet, wordt Remit in het het Europese Publicatieblad gepubliceerd. Twintig dagen later treedt de verordening dan in werking. Maar die is dan toch nog niet helemaal klaar. De Europese Commissie moet namelijk nog wel hier en daar de puntjes op de ‘i’ zetten. “Zo is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of handelaren hun gegevens nu in papieren versie of via internet naar Acer kunnen opsturen”, zegt Europarlementwoordvoerder Kristina-Antigoni Elefterie. Ook bijvoorbeeld de frequentie van de gegevensoverdracht moet nog worden vastgesteld. Pas een half jaar na alle noodzakelijke uitwerkingen van de Commissie zullen de energiehandelaren hun gegevens daadwerkelijk moeten gaan insturen.

De nieuwe regels in de energiemarkt volgen in zekere zin de regulering in de financiële markten, namelijk Mifid (Markets in Financial Instruments Directive), om beleggers te beschermen en een gelijk speelveld te creeëren, en Mad (Market Abuse Directive), om marktmanipulatie te voorkomen. Maar Mifid en Mad staan momenteel op het verlanglijstje van de Europese Commissie om zodanig aangepast te worden, dat ook de energiemarkt er onder valt. Emir (European market infrastructure regulation) en CRD (beter bekend als het bankenakkoord Basel II) gaan ook nog voor de nodige opschudding zorgen in de energiewereld. Maar voorlopig zijn dit alleen nog plannen. Remit is bijna werkelijkheid.

Verschenen in Energeia, 15 september 2011

“Duurzame voorlopers mogen een steuntje in de rug, why not?”

Interview met Europarlementariër Jan Cremers

Bij overheden zijn het al lang niet meer alleen de milieuafdelingen die zich met CO2-reductie bezig houden. ‘Duurzaamheid’ wordt steeds meer een integraal onderdeel van alle beleidssectoren. En dus komt het onderwerp ook in het vizier van Europarlementariër Jan Cremers. “Duurzaam ondernemen is een must, we hebben geen keuze.”

Door Tijdo van der Zee

Het Europees Parlement is sinds begin mei met reces. De dossiers en rapporten kunnen even in de kast. De betekent niet dat onze afgevaardigden hun rust kunnen nemen. Vandaag, 4 juni, kiest Nederland zijn nationale vertegenwoordigers in Brussel. En wie wil dat er op hem of haar gestemd wordt, moet het land in, de kiezer overtuigen. PvdA-kandidaat Jan Cremers hoeft zich met zijn derde positie op de lijst weinig zorgen te maken. Toch zit hij niet stil. “Gisteren had ik vier debatten.”

Wat drijft u om u weer beschikbaar te stellen?
“Ik ben vorig jaar begonnen in de verwachting dat het maar voor vijftien maanden zou zijn. In de korte tijd dat ik in het Europees parlement zat, bleek echter dat de kennis die ik van buiten meegenomen had heel belangrijk was. Na enig aarzelen heb ik rond de kerst besloten om nog een termijn door te gaan. Dat heeft de PvdA beloond met een mooie derde plek op de lijst. In mijn dossiers heb ik het over belangrijke zaken als duurzaamheid, werkgelegenheid en interne markt. En op die gebieden is het Europees parlement medewetgever, heeft dus iets te zeggen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld buitenlands beleid, waarbij het parlement eerder een symbolische functie heeft.”

Wat maakt volgens u iemand tot een goede Europarlementariër?
“Iemand moet focus hebben, los van de politieke hype. Wil je in de kikkerbak van 785 parlementariërs verschil maken, dan is het van belang dat je expertise meeneemt uit de nationale politiek, of uit het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties. Het systeem werkt zo: de Europese Commissie doet voorstellen en het Europees Parlement wijst een lid aan dat op dat dossier rapporteert. Als je de focus mist, als je niet een langetermijnagenda hebt, dan missen je rapporten coherentie. Dan wordt je een soort scharrelkip die overal maar een beetje mee bezig is. Ik zie teveel parlementariërs met pretpakketjes van symboolpolitiek.”

De afgelopen tien jaar was bij de PvdA Dorette Corbey belast met milieu- en energievraagstukken. Nu stopt ze er mee. Er is nog geen opvolger. Wat is Corbey’s verdienste?
“Zij is een goed voorbeeld van hoe consciëntieus werken tot goede resultaten kan leiden. Vaak ben je wel tien jaar bezig om iets voor elkaar te krijgen, omdat je als Europarlementariër weinig macht hebt, en omdat je wordt tegengewerkt door de Europese Commissie en door verschillende ministers uit de lidstaten. Het is monnikenwerk. Veel kandidaten denken dat Brussel op hen zit te wachten. Vergeet het. Dorette Corbey is vanaf het begin betrokken bij de Europese milieubesprekingen en het is voor haar natuurlijk heel mooi dat die in december 2008 uitmondden in het Europese klimaatpakket [waarin de 20-20-20 doelstellingen staan, red.] en waar ze door haar focus belangrijk werk voor heeft verricht.”

De Nederlandse rijksoverheid wil per 2010 100 procent duurzaam inkopen. Lagere overheden schakelen per 2015 over op duurzame inkoop. Zou Europa ook duurzaam moeten inkopen?
“Dat vind ik wel. De overheid heeft een modelfunctie. We gaan ons toch steeds meer afvragen hoe we het publieke domein duurzaam kunnen inrichten. En voor de markt is de overheid natuurlijk een zeer belangrijke klant.”

Wat zijn de obstakels voor duurzaam inkopen?
“Hoe houd je als bedrijf zicht op de lagere echelons van toeleveranciers, hoe weet je of hun productieproces duurzaam is? Een gedragscode is mooi, maar handhaving blijkt moeilijk. Ik heb gevallen meegemaakt waarbij bedrijven, vanwege risico’s op reputatieschade, niet in zee gingen met Russische bedrijven. Je doet dan namelijk geheid zaken met de Russische maffia, waarbij duurzaamheid niet echt het handelsmerk is.”

Heeft een groen productieproces invloed op het welzijn en de productiviteit van de werknemers?
“Ik zie niet direct een causale relatie tussen die twee. Maar er is wel degelijk correlatie. Organisaties die duurzaamheid hoog op de agenda hebben staan, hebben ook veel meer oog voor werknemersposities. Bij dat soort bedrijven heeft de ‘werkvloer’ veel meer invloed bij het vinden van nieuwe oplossingen. De oude piramidale structuur met iemand aan de top die alles weet en alles kan, verhoudt zich slecht met duurzaamheiddoelstellingen.”
“Het oude model van een bedrijf waar kapitaalbezitters, managers en werknemers samenwerken aan de productie en de winst verdelen heeft plaatsgemaakt voor een model waar aandeelhouders veel meer voor het zeggen hebben. Die gaan voor het snelle rendement en zijn dan weg. De werknemers blijven altijd zitten. Als je in staat bent de positie van de werknemers op te waarderen, krijg je dus automatisch een draai naar langetermijndoelen, die per definitie duurzaam zijn.”

Op welke manier kunt u vanuit uw portefeuille ‘Interne Markt’ werken aan CO2-doelstellingen en energiebesparing?
“Bedrijven die qua duurzaamheid vooroplopen mogen wat mij betreft best een steuntje in de rug. Ik wil niet naar positieve discriminatie, maar ja, why not? Ik ga me ook sterk maken voor een nieuw, eenduidiger aanbestedingsregime, waarbij sociale en duurzaamheidclausules integraal onderdeel worden van het hele verhaal, zonder dat bijvoorbeeld Nederland zegt dat ‘het niet mag van Brussel’. De fossiele brandstofvoorraad is eindig en we stevenen af op een aantal klimatologische veranderingen. Duurzaam ondernemen is een must, we hebben geen keuze.”

Tijdo van der Zee

EnergieGids.nl/Energiek Europa

District heating companies welcome new Dutch Heat Act

The Dutch Warmtewet – Heat Act – will pass the legislature at the end of this spring. It is designed to protect consumers from high costs and provide supply security. The contours of the law are now taking shape. Stichting Warmtenetwerk (the Dutch Heating Association) welcomes the result.

Door: Tijdo van der Zee

In: Hot|Cool International Magazine on District Heating and Cooling No.1 – ’11 – pg 22-23 (Weblink)

The law has its background in the liberalisation of the energy market in 2002. Liberalisation presumes the possibility of choosing your own supplier. These suppliers should then offer the best product for the lowest possible price. But households and firms that are heated by district heating networks are deprived of that choice, theoretically giving suppliers the opportunity to charge high prices. This prospect worried the Dutch parliament and in 2003 it began drafting a law that would prevent suppliers from doing so.

The law was completed in 2008. Consumer prices would be regulated by two mechanisms. First, there was a fixed ceiling, set at the price that consumers would pay ‘as if’ they heated their houses with gas. This mechanism is called ‘Niet Meer Dan Anders (NMDA)’ – not more than otherwise. The second mechanism held that suppliers should never charge more than is reasonable for doing sound business, a price that would allow for a maximum 7.5 % on invested capital. This reasonable price was to be determined for each project separately. The lowest of the two prices – the maximum or reasonable price – was to be charged to the customer. Parliament assumed that this reasonable tariff would on average be much lower than the maximum – NMDA – tariff. As we shall see, this assumption proved to be wrong.

A second important element of the law defined its scope. The intention was to protect not only households, but also small- and medium-sized enterprises (SME) from high tariffs. No distinction, however, would be made between small and large consumers as the ceiling was set at 1,000 kW. All of these customers were to be charged the same rate, based on the  NMDA estimate for a household. Stichting Warmtenetwerk submitted a lobby letter protesting this provision, saying that suppliers with many medium-sized and large customers would incur substantial losses, as they would be charged using the same rate structure as households, despite the fact that their NMDA situation differs considerably from a household. In addition, Gijs de Man, Chairman of the association, argues that many large customers, including many greenhouse gardeners, do not like being stuck to a non-negotiable fixed price. “These are professional clients, well capable of making choices and negotiating deals.”

Research done by NMa, the Dutch Competition Authority, in 2009 made things very different. The organization analysed the business results of the four big suppliers, Nuon (subsidiary ofVattenfall), Essent (RWE), Eneco and Cityheating Purmerend. It concluded that the method of two price mechanisms was too complex and, more importantly, the returns on capital were too low, from -0.4 % for Nuon, to 4 % for Eneco – far below the maximum of 7.5 %. This is primarily due to the NMDA-ceiling. This ceiling is low because of low gas prices, and the introduction of high performance gas boilers. Moreover, district heating suppliers have had high costs because of recent investments in decentralized and sustainable nets. “District heating can be attractive for investors, who seek low risk and relatively low, but predictable, returns for a longer period. This law, with its many tricky provisions, scared those investors away”, says Chairman Gijs de Man.

These results embarrassed the parliamentarians: for years they had suspected that heating suppliers were earning unjustifiably high profits, but they were wrong. The Socialist MP Paulus Jansen put it like this: “I wished I had these research results by NMa five years ago.” The parliamentarians, who initiated the law in 2003, asked the Minister to change some aspects of the law in June 2010. In January of this year, the cabinet announced that they had agreed on the text. Now the document will go to the Council of State, which will advise on the matter. From there it will be sent to the parliament, who, as mentioned before, will decide on it by the end of spring. The text will remain confidential for some time, but the cabinet has already communicated several proposed changes.

First, the price determination; the maximum rate will remain in place. The Competition Authority will then monitor the returns on capital on a portfolio basis, not for each separate project. Second, the scope will decrease from 1,000 kW connections to 100 kW; a better approximation of SME. The Stichting Warmtenetwerk welcomes the cabinet’s conclusions.

The next round of lobbying will now take place in the parliament. Having had most of its initial suggestions fulfilled, the association will try to agenda another topic concerning the property of the heat meters. In over 80 % of the cases, the meter is owned by the supplier, but the law allows customers to bring in their own meter (other than with gas and lectricity), which they also may manage and maintain themselves. This enhances the risk of oxygen entering the system, with its unwanted corrosive effects. Warmtenetwerk proposes that the government transfer ownership to the supplier because of its greater expertise.

But Warmtenetwerk should not rest on its laurels, for the subject remains complex, with many different stakeholders having sometimes fiercely conflicting interests. Stimulation of heat is not part of the new Warmtewet. For example, there are no real options for discounting the environmental value of the low carbon heat supply in the NMDA rate scheme. Even so, Warmtenetwerk pleads for the CO2-reducing potential of district heating to reflect somehow in the price. It is yet not clear how this should be accomplished.

Other stimuli could come from the new energy norms for buildings. The Dutch government and the Normalisation Institute are working on sustainable district solutions to quantify energy norms for individual buildings. This will certainly support the role of many district heating nets. The Warmtewet will go into effect sometime in late 2011.

Universiteit en ziekenhuis betalen zonnepanelen door emissierechtenruil

De Radbouduniversiteit in Nijmegen en het aangrenzende Universitair Medisch Centrum St. Radboud hebben een deel van hun emissierechten ingeruild voor emissierechten in het Clean Development Mechanism (CDM). Dat leverde de instituten genoeg geld op om 48 zonnepanelen aan te schaffen, zonder gebruik van subsidie.

Door Tijdo van der Zee

“We besloten dat we dit voordeel op deze manier mooi konden verzilveren”, zegt Toon Buiting, coördinator energiebeleid bij de Radboud Universiteit.

De universiteit en het ziekenhuis zijn samen deelnemer in het ETS-systeem, de verplichte Europese emissiehandel. In Nederland mogen bedrijven 10% van de hun toegewezen emissierechten inruilen voor deelnemingen in Joint Implementation-projecten (JI), in Oost-Europa, of in Clean Development Mechanism-projecten (CDM), in ontwikkelingslanden. Daarvoor worden ook emissierechten afgegeven.

Het Radboud ging voor een project in India. Daar worden rijstvliesjes verbrand om elektriciteit op te wekken. Normaal rotten die vliesjes weg op de velden. Het ziekenhuis en de universiteit verkochten hun gewone emissierechten en kochten de CDM-emissierechten, die Cer’s (Certified Emission Reductions) worden genoemd, die van dit project afkomstig zijn. Die staan voor een gelijke hoeveelheid CO2-equivalenten, maar zijn goedkoper, omdat besparingen in die landen goedkoper te realiseren zijn. En van het verschil konden dus 48 zonnepanelen geplaatst worden. Buiting wil niet zeggen hoeveel de installatie precies kostte: “Van de opbrengst uit de ruil konden we precies de zonnepanelen aanschaffen. Het voorbereidende werk wordt hierin dan niet meegenomen.”

De installatie beslaat 80 vierkante meter met panelen van Scheuten Solar. Deze hebben een piekvermogen van 11 kW en een geschatte jaarlijkse opbrengst van 10 MWh. Buiting: “De studenten willen graag zulke in het oog springende maatregelen. Maar optimalisatie van onze warmte/koude-opslag (WKO) en energiebesparing in oude gebouwen moet meer opleveren.”

De universiteit en het ziekenhuis doen zuinig met hun rechten, omdat de verwachting is dat ze wat dit betreft in de toekomst minder goed in de slappe was zitten. “We zullen straks steeds minder rechten krijgen, terwijl energiebesparing hier niet makkelijk is. Er komen meer studenten, de openingstijden verruimen en er zijn ook steeds meer apparaten die veel stroom vreten, zoals MRI-scanners.”

Verschenen in Energeia, 15 september 2011

‘Emissiehandel is met nieuwe maatregelen zo veilig als een bank’

De CO2-emissiehandel is de afgelopen jaren herhaaldelijk getroffen door criminele acties van malafide figuren die van de povere beveiliging gebruik maakten om veel geld uit het systeem te trekken. De komende tijd komt de Nederlandse Emissieautoriteit (Nea) daarom met een hele waslijst aan maatregelen tegen cybercriminaliteit die het systeem “zo veilig als een bank” maken. Dat zei Harm van de Wetering, hoofd registratie emissiehandel bij de Nea woensdag op de IIR-conferentie ‘Het Nationale CO2-platform 2011’.

Door Tijdo van der Zee

Allereerst zijn er de ‘besmette’ emissierechten. In Nederland zijn geen gedupeerden van wie emissierechten zijn gestolen. Wel zijn er hier handelaren met ‘besmette’ emissierechten in hun bezit. Zij kochten, zonder het te weten, gestolen emissierechten. Hier speelde de vraag: waren zij schuldig aan heling, of genoten zij kopersbescherming? De beslissing is genomen ten gunste van de huidige eigenaren. Argument hierbij was dat de unieke nummers niet duidelijk zichtbaar zijn, maar ergens “op pagina drie”, aldus Van de Wetering, zijn weggestopt. De Nea heeft deze nummers, waaraan elk document dus afzonderlijk herkenbaar is, weg gegumd. Hierdoor zijn ze niet meer van schone rechten te onderscheiden en kunnen ze weer zonder problemen verhandeld worden. Overigens blijven de nummers voor de Nea wel zichtbaar.

Om diefstal in de toekomst te voorkomen is een hele trits aan maatregelen in voorbereiding (geïnitieerd vanuit Europa of de taskforce Diefstal Emissierechten) of al genomen. Het voert te ver om die hier allemaal in detail te bespreken, maar een aantal opmerkelijke elementen kunnen worden belicht.

Sinds kort moeten gebruikers naast hun gebruikersnaam en wachtwoord een SMS-code invullen bij het inloggen op het Nederlandse Register CO2 Emissiehandel. Deze maatregel is ook getroffen in bijvoorbeeld Duitsland en Tsjechë. Op deze manier wordt phishing tegengegaan. Daarbij worden door valse mails inloggegevens buitgemaakt. Gebruikers wordt in die mails gevraagd om bijvoorbeeld een aantal ‘essentiële zaken’ op de account aan te passen. Eenmaal binnen kunnen de boeven pakken wat ze willen. Vanaf komend jaar gaat aan individuele transacties ook een SMS-code vooraf.

Vanaf deze week moeten transacties in principe altijd door twee gebruikers van een rekening uitgevoerd worden, tenzij de tegenrekeningen door twee personen aan een lijst van ‘vertrouwde rekeningen’ wordt toegevoegd. Dit 4-ogenprincipe op transacties is een Nederlandse maatregel die in sommige andere EU-lidstaten ook getroffen wordt, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk.

Ook is de beveiliging tegen virussen verbeterd. Virussen zijn in staat om zaken in de computer zodanig te veranderen, dat criminelen op afstand de computer overnemen. De Nea gaat bij signalen van dreigende beveiligingsaanvallen al haar gebruikers benaderen via e-mail met het verzoek oplettend te zijn en niet in te gaan op misleidende e-mails en telefoontjes. Maar het gaat verder. De Nea heeft een onderzoek laten uitvoeren naar eventuele computervirussen op de IP-adressen van de registergebruikers. De gebruikers die gekoppeld zijn aan IP-adressen met veel virussen zijn benaderd met het verzoek na te gaan wat er op hun systeem of PC aan de hand is. “Dit is een vrij experimentele maatregel die nog niet zo vaak is toegepast”, zegt Bram Maljaars, Coördinator Registratie Emissiehandel bij de Nea in een toelichting.

Ook komt er een al eerder aangekondigde vertraging van 26 uur tussen de aankoop en de daadwerkelijke overdracht van emissierechten. In de tussentijd kan de overboeking worden geannuleerd. Deze maatregel voorkomt heel snelle doorboekingen van emissierechten, waardoor het overzicht verloren gaat. Deze laatste maatregel komt uit de nieuwe Europese registerverordening die per 1 januari 2012 in werking treedt. Eerder al werd BTW-fraude aangepakt.

Verschenen in Energeia, 25 augustus 2011

Nieuwe regels toewijzing emissierechten, bedrijven in hun nopjes

Emissierechten voor de industrie worden vanaf 2013 niet meer per se alleen aan hele bedrijfsterreinen toegewezen. Bedrijven krijgen ook de mogelijkheid losse installaties aan te melden. Dat heeft staatssecretaris Joop Atsma van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) woensdag per brief meegedeeld aan ondernemingsorganisatie VNO-NCW. Die reageert verheugd op het besluit. Het aantal toegewezen emissierechten zou hierdoor flink kunnen stijgen.

Door Tijdo van der Zee

Het ministerie verwacht dat vooral grote chemische bedrijven met veel installaties hier financieel voordeel van zullen hebben. Wel waarschuwt het ministerie voor een toename van de administratieve lastendruk. In een persbericht stelt I&M: “Bedrijven zullen zelf de afweging moeten maken of de toename van administratieve lasten opweegt tegen het voordeel dat met de nieuwe berekeningsmethode is te behalen.” Volgens het ministerie komt het besluit voort uit “intensief en constructief overleg” tussen rijk, VNO-NCW en vertegenwoordigers van bedrijven die onder het emissiehandelssysteem vallen.

VNO-NCW stelt in een reactie “blij” te zijn met het besluit van Atsma. “Voortaan kunnen bedrijven kiezen of zij een toewijzing per installatie aanvragen of een toewijzing per bedrijfsterrein. Nu is alleen die tweede optie mogelijk, waardoor geclusterde bedrijven slechter uit zouden zijn.”

Vanaf 2013 gaat de derde fase van het Europese emissiehandelssysteem in. Energiebedrijven moeten vanaf dan voor het eerst hun emissierechten kopen op een veiling. Verschillende sectoren in de industrie doen ook mee in het emissiehandel, maar die krijgen hun emissierechten in die derde fase (tot 2020) nog toegewezen, volgens een behoorlijk ingewikkelde berekeningsmethode.

“Dit besluit zal leiden tot een toename in de hoeveelheid toegewezen emissierechten”, zegt Maarten Neelis, unit manager van de Carbon Market Strategies unit bij Ecofys. “Niet van 50%, maar ik verwacht toch wel tussen de 5% en 10%.” Dat is dan per bedrijf en niet voor de BV Nederland als geheel, zo voegt Neelis er in een e-mail aan toe. I&M-woordvoerster Elif Bagci laat weten dat het ministerie verwacht dat er door het besluit 250.000 tot 300.000 rechten per jaar extra zullen worden toegewezen. Op een verwacht totaal aantal toegewezen rechten van 30 tot 40 miljoen is dat net iets minder dan 1%. “Voor specifieke bedrijven, die bij de nieuwe mogelijkheid baat hebben, kan het percentage iets hoger uitpakken.”

Neelis legt uit wat volgens hem die stijging veroorzaakt. In de berekeningsmethode, zoals die nu op de tekentafel ligt, mogen bedrijven kiezen welke jaren ze als historische basisjaren mogen gebruiken. Ze kunnen kiezen tussen de periodes 2005 tot 2008 of 2009 tot 2010. Tot nu toe zou gelden dat het hele bedrijfsterrein voor één van die twee periodes gaat, maar wanneer een bedrijf per installatie mag opsplitsen, dan kan het voor iedere afzonderlijke installatie kiezen in welke periode deze het meeste uren draaide. Want hoe meer deze draaide, hoe meer emissierechten worden toegewezen.

Een tweede reden waarom het aantal toegewezen rechten omhoog zal gaan, volgens Neelis, is omdat er in fase drie een regel komt die stelt dat wanneer het bedrijf 10% of meer gegroeid is in een periode, er extra emissierechten worden toegewezen. Wanneer het bedrijf zich opsplitst in kleinere delen, is het makkelijker voor ten minste enkele delen om boven die grens uit te komen. Maar voor het bedrijfsterrein als geheel is zo’n groei moeilijk te halen.

Neelis denkt dat het besluit van Atsma een vertragende werking heeft op het allocatiebesluit. Dit staat tot nu toe gepland in januari komend jaar, maar zou vertraagd kunnen worden tot de zomer. “Omdat bedrijven nu een paar maanden de tijd krijgen om hun nieuwe gegevens aan te leveren. Nederland hoort straks waarschijnlijk tot de laatste lidstaten in de Europese Unie die hun allocatieplan inleveren.”

Neelis zegt dat het besluit van Atsma nog wel voorgelegd moet worden aan Europa, maar hij wil niet speculeren over wat de Europese Commissie hiervan zal vinden. Het ministerie zelf verwacht hier geen problemen. “Uit de tekst van de richtlijn blijkt dat er meerdere installaties per vergunning kunnen zijn”, aldus Bagci. Volgens I&M komt alleen in Vlaanderen een soortgelijk systeem. “In Duitsland gebeurt wel iets vergelijkbaars, namelijk het bedrijfsterrein opdelen in meerdere vergunningen.”

Emissiehandelspecialist Jos Cozijnsen vindt het een goede zaak dat losse installaties straks ook aangemeld kunnen worden. Bedrijventerreinen waar bedrijven onderling energie uitwisselen, bijvoorbeeld met restwarmte, zouden volgens hem anders “gestraft” worden voor hun energiezuinigheid, omdat het terrein als geheel dan minder emissierechten krijgt.

Verschenen in Energeia, 1 september 2011