Alle berichten door Tijdo van der Zee

Freelance Journalist

Ypenburgse warmtepomp levert warmte terug aan net van Eneco

Een warmtepomp in de Haagse wijk Ypenburg heeft afgelopen weekend warmte teruggeleverd aan het warmtenet van Eneco. De eigenaar van de warmtepomp wilde hiermee aantonen dat warmtenetten, net als het elektriciteitsnet, kunnen worden verduurzaamd door van consumenten prosumenten te maken.

Door: Tijdo van der Zee, in Energeia, 14 november 2016

Het fotootje van de warmtemeter van Landis + Gyr leverde op Twitter het bewijs: op dat moment registreerde de meter een negatieve warmte van -1,1 kW. Het gaat om de warmtemeter in de woning van Ardo de Graaf, eigenaar van installatiebedrijf Augustus Warmte en betrokken bij Bewoners Platform Ypenburg. “Mijn woning had op dat moment maar 4 kW aan warmte nodig, terwijl ik een warmtepomp heb van 5 kW. Dus ik kon ongeveer 1 kW aan warmte terugleveren.”

De Graaf koos bewust een koude dag uit (“het vroor”), omdat op koude dagen de warmtepomp hard moet draaien om het huis te verwarmen. Als er op deze piekmomenten nog capaciteit overblijft, dan weet je zeker dat dit ook bij minder koude dagen het geval is.

De Graaf heeft een Techneco lucht/waterwarmtepomp van 5 kW in zijn woning geïnstalleerd die de ruimteverwarming voor zijn rekening neemt. Het warme tapwater wordt geleverd door het warmtenet. Maar de warmtepomp is nog niet losgesneden van de retourleiding van het warmtenet en leverde dit weekend via deze leiding warmte van ongeveer 50 graden terug Eneco’s warmtenet. Dat betekent dat Eneco’s warmtekrachtkoppelingsinstallatie (wkk) minder hard hoeft te worden opgestookt om het retourwater weer op temperatuur te krijgen. De Graaf is op dit moment bezig om zijn systeem te patenteren.

Bewoners Platform Ypenburg en Eneco werken sinds juni vorig jaar samen in de zoektocht naar duurzamere warmtebronnen. In het persbericht werden toen biomassa, aardwarmte en zonnecollectoren genoemd. Warmtepompen kwamen niet in het verhaal voor. En warmtepompen zijn ook niet per definitie duurzaam, want ze gebruiken stroom uit het net om warmte op te wekken. Maar De Graaf heeft het volste vertrouwen dat de elektriciteitsvoorziening snel zal vergroenen.

Terugleveren heeft alleen zin als je de warmte kan salderen. De Graaf weet nog niet of de warmtemeter in zijn huis kan terugtellen. Dat moet binnenkort blijken. Maar dat is een kwestie van techniek. Grotere belemmeringen zullen zich voordoen op het wettelijke vlak. In de warmtewet wordt geen rekening gehouden met terugleveren, zegt Miriam van Ee, warmtewetkenner bij advocatenkantoor Eversheds. “Dit zit niet in de huidige warmtewet en ook niet in het concept-wetsvoorstel voor de herziene Warmtewet.” Volgens Van Ee zullen ‘prosumenten’ met “hun energieleverancier aan de slag moeten” om een regeling te treffen. Dat kan, zegt ze, zonder dat je daar de wet bij hoeft te betrekken.

Eventuele uitwerking van een salderingsregeling voor warmtenetten zal uiteraard parallellen vertonen met die regeling voor elektriciteitsnetten, zegt Van Ee, maar ook verschillen. “Bij het elektriciteitsnet saldeer je zowel de elektriciteitsprijzen als de belastingen. Bij warmtenetten gaat dat niet, omdat er geen energiebelasting over de warmte geheven wordt.” Van Ee vermoedt dat warmtenetexploitanten niet op terugleveraars zitten te wachten, omdat warmtenetbeheerders meestal ook producent zijn en andere invoeders hun “dure warmtenetten minder rendabel” zullen maken.

Warmtenetklanten betalen zowel vastrecht als voor de geleverde energie. Maar volgens Ardo de Graaf weerspiegelt deze berekening niet de exacte kosten die voor het netbeheer en de energie gemaakt worden. “Omdat netbeheerder en leverancier dezelfde partij is” hebben exploitanten geen reden om die kosten precies uit te splitsen. Maar zodra er teruggeleverd gaat worden, dan moet dit natuurlijk wel gebeuren. “Ik pleit er al sinds 2007 voor dat consumenten van warmte ook producenten kunnen zijn, maar tot nu toe komt er niets van terecht.” Hij vervolgt: “Bij het elektriciteitsnet kan het nu, maar we hebben daar jaren over moeten discussiëren. Laten we die discussie nu niet overdoen, maar gebruiken wat we van die discussies hebben geleerd.”

Eneco laat weten dat de warmteteruglevering niet onder de afspraken met Bewoners Platform Ypenburg valt. Woordvoerder Arie Spruit: “Dat heeft hij [De Graaf, red] vanuit zijn eigen interesse en expertise gedaan, niet vanuit het convenant. Het tekent zijn grote betrokkenheid. De uitdaging is echter groter dan één moment van teruglevering: we willen weten hoe we meerdere duurzame bronnen continu terug kunnen laten leveren binnen de geldende juridische en wettelijke kaders. Het uitgangspunt is op zichzelf simpel, maar dat is de uitwerking ervan niet.”

Uitbesteding energiebeheer Rotterdamse zwembaden met gesloten beurs

De negen Rotterdamse zwembaden besparen de komende 10 jaar 30% op hun energierekening. Maatregelen als WKK’s en kierafdichting moeten hiervoor zorgen. De investeringen kosten de gemeente Rotterdam niets; die worden namelijk gedaan door Strukton. Maar de financiële besparingen als gevolg van die investeringen, die zijn ook voor het bouw- en installatiebedrijf. Een overeenkomst met gesloten beurs dus, en één van de eerste grootschalige Esco-contracten in Nederland, die deze week van start ging.

Door Tijdo van der Zee, in Energeia, april 2011

 

“Strukton steekt de besparing in zijn zak en het kost ons niets. Dat is het idee”, zo legt de Rotterdamse gemeentewoordvoerder Karín Fraai in het kort het concept uit. Vorig jaar kondigde Rotterdam de aanbesteding aan en toen al maakte de gemeente duidelijk dat dat door middel van een Energy Service Company-contract (Esco) zou gebeuren. Het begrip Esco is in Nederland nog tamelijk onbeproefd, maar kan in landen als Groot-Brittannië en Amerika al een succesverhaal genoemd worden.

Daar werd ook het in Rotterdam gehanteerde ‘Building Retrofit-concept’ ontwikkeld door het Clinton Climate Initiative, dat hierin ook als partner en klankbord fungeert voor de gemeente Rotterdam. Dergelijke contracten hebben noodzakelijkerwijs een lange looptijd, zodat de Esco zijn investeringen terug kan verdienen. Annemarie Hoogendoorn, woordvoerder van Strukton, geeft wel aan dat het bedrijf na initiële investeringen niet op zijn lauweren kan gaan rusten: “In het contract staat dat wij door moeten blijven innoveren. Nieuwe technieken zullen de komende tien jaar dus telkens verouderde technieken vervangen.”

Strukton won de aanbesteding waaraan in totaal elf bedrijven meededen. In de laatste ronde bleven daar drie van over, die in een zogenaamde ‘concurrentiegerichte dialoog’ de gunst van Rotterdam probeerden te winnen. Strukton had nog geen ervaring met Esco’s en richtte er inderhaast eentje op. Hierin krijgt ook het bedrijf Hellebrekers Technieken een rol als onderaannemer. “Zij hebben namelijk verstand van zwembaden”, zegt Hoogendoorn. Zij vervolgt: “Wij waren erg gretig in deze aanbesteding. We beseffen goed dat dit een begin is van een veel grotere uitrol van deze vorm van contractering.”

Strukton investeert in energiebesparende maatregelen, maar zal daarnaast ook het beheer en onderhoud op zich nemen van de zwembaden, en zich ontfermen over de waterkwaliteit. Voorbeelden van energiebesparende maatregelen die worden genomen zijn Eco-verlichting, warmtekrachtkoppeling, warmtepompen, optimaliseren van ketels, frequentieregelaars, afdichten van glijbanen, aanwezigheidsdetectie, afdekken van zwembadbassins, toepassen van gebouwbeheersystemen en automatisch legionellabeheer.

De lucht- en waterkwaliteit wordt verbeterd door het verlagen van het gebonden chloorgehalte, waardoor kan de waterkwaliteit met minder chemicaliën worden gerealiseerd. Een bijkomend voordeel is dat het zwembadwater minder hoeft te worden ververst. Dit bespaart naast water ook energie omdat minder water hoeft te worden opgewarmd. Verwacht wordt verder dat de investeringen in nieuwe systemen voor lagere onderhoudskosten zullen zorgen.

Rotterdam start met de zwembaden omdat dit grootverbruikers zijn van energie en water. Doel is om op termijn al het gemeentelijk maatschappelijk vastgoed, bestaande uit 1.500 gebouwen, door middel van Esco’s duurzaam te maken. Naast zwembaden gaat het hierbij onder meer om sporthallen, scholen, musea en theaters.

Testfaciliteit simuleert energiepieken

Het stedelijke elektriciteitsnetwerk is echter niet op deze veranderende energiestromen ingericht. Zo kan het in de toekomst gebeuren dat op een winderige dag windmolens zoveel elektriciteit produceren dat het elektriciteitsnet het niet aankan. Of dat in een buurt zoveel zonnepanelen op de daken liggen dat de zekeringen in het trafohuisje doorbranden. Dat dit geen theorie is maar écht zo in de praktijk kan uitpakken, werd vorig jaar april bewezen in Lochem. Daar werden in enkele straten bij wijze van proef alle elektrische auto’s tegelijkertijd opgeladen en ging ook nog eens in twintig woningen de oven aan om een pizza af te bakken. Dat bleek te veel: de buurt zat voor even in het donker.

‘Om overbelasting te voorkomen kun je het netwerk verzwaren, of je kunt slimmer met elektriciteit omgaan door vraagsturing toe te passen. Bijvoorbeeld door het dynamisch laden van elektrische auto’s’, stelt Hans de Heer, principal consultant Smart Energy bij energieconsultancybureau DNV GL. Eind 2013 won DNV GL (toen nog DNV KEMA geheten), samen met ICT Automatisering, de TU Eindhoven, de Vlaamse onderzoeksinstelling VITO, het Groningse energie-instituut EnTranCe en TNO, een tender binnen de Topsector Energieregeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) om een testfaciliteit te bouwen. In deze faciliteit kan worden gesimuleerd welke effecten verschillende duurzame toekomstscenario’s hebben op het elektriciteitsnet.

Deze testfaciliteit, het International Test and Simulation Facility (ITSF), is geen fysiek laboratorium, maar een softwareprogramma dat zijn rekenkracht in de cloud heeft zitten. Het programma kan rekenen aan het laagspanningsnet, waar de woningen op zijn aangesloten, en het middenspanningsnet (inclusief de transformatorhuishuisjes die de schakel zijn tussen deze twee netten). Onlangs werd een eerste test afgerond in de gemeente Hellevoetsluis. De Heer: ‘We hebben hier nog geen scenario’s gesimuleerd. Deze test was bedoeld om te controleren of ons systeem werkt. Het gaat in een middelgrote gemeente als Hellevoetsluis namelijk al snel om tienduizenden elektrische apparaten. Wij hebben in Hellevoetsluis aangetoond dat het ITSF dit aankan.’

De Heer: ‘Het ITSF levert het inzicht dat nodig is voor zowel de netbeheerder als de gemeente om goed geïnformeerde beslissingen te nemen. De verkregen data kunnen daarnaast visualisaties opleveren. Beleidsmakers of burgers kunnen dan precies zien in welke buurten en bij welk scenario het elektriciteitsnet overbelast kan raken. Plekken met congestie lichten dan rood op.’ Essentieel bij deze simulaties is wel dat de elektriciteitsnetwerken tot in detail in kaart zijn gebracht. Dat blijkt niet altijd het geval. ‘In grotere steden, met vaak wat oudere netwerken, ontbreekt nog wel eens de juiste informatie.’

Een betrouwbaar elektriciteitsnet is de verantwoordelijkheid van de netbeheerder. Vragen en oplossingen over netverzwaring of smart grids worden dan ook in eerste instantie daar genomen. Maar gemeenten spelen eveneens een grote rol. Bijvoorbeeld op het gebied van het stimuleren van inwoners voor elektrische auto’s of bij de toewijzing van een locatie van een buurtbatterij die lokaal geproduceerde elektriciteit tijdelijk kan opslaan. ‘Het ITSF geeft gemeenten de mogelijkheid te anticiperen op de duurzame ontwikkelingen’, zegt De Heer.

Hij voegt eraan toe dat het tijdperk van de buurtbatterij nog niet echt is aangebroken in Nederland. ‘We hebben nu nog niet heel veel duurzame energie, dus ook nog niet zo veel last van volatiliteit in de elektriciteitsmarkt. Daarnaast hebben we in Nederland flexibele gascentrales die schommelingen vrij goed kunnen opvangen. Dit, gecombineerd met de huidige lage elektriciteitsprijs, maken de businesscase voor bedrijven die flexibele energiediensten willen leveren nog wat dunnetjes.’

Het consortium heeft besloten om naast de softwarefaciliteit een fysieke ruimte in te richten voor het ITSF. Dit ‘ITSF-loket’ wordt binnenkort geopend op het terrein van EnTranCe in Groningen. ‘Dan kunnen we meer visualiseren en wordt het tastbaarder waarvoor het ITSF precies kan worden gebruikt’, aldus De Heer.

 

Vandebron wil laatste kolencentrale Nuon ombouwen tot speeltuin

Voor de verandering werd ik als journalist eens zélf geïnterviewd, over de Hemweg-actie van Vandebron. Hieronder het artikel van 23 maart 2017.

https://nos.nl/op3/artikel/2164641-vandebron-wil-laatste-kolencentrale-nuon-ombouwen-tot-speeltuin.html 

Wat doe je als duurzame energieleverancier als het sluiten van een kolencentrale in jouw ogen te lang duurt? Dan probeer je een van die vervuilende fabrieken zelf te kopen.

Dat bedacht het groene energiebedrijf Vandebron. “Als ondernemers proberen wij het verschil te maken. Toen we hoorden dat Nuon van zijn kolencentrale in Amsterdam af wilde, besloten we zelf een bod te doen”, zegt Aart van Veller, een van de oprichters.

Vandebron biedt een miljoen euro voor de centrale aan de Hemweg, een schijntje in de dure energiesector. “Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus”, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee.

Nuon accepteert het bod van Vandebron niet. “We beschouwen het als een stuntbod”, zegt woordvoerder Gijsbert Siertsema. Vandebron wil de centrale teruggeven aan de stad Amsterdam. “We willen het ombouwen tot iets waar iedereen iets aan heeft, bijvoorbeeld een binnenspeeltuin”, zegt Van Veller.

Nuon zegt dat het bedrijf overweegt om de centrale te sluiten. Maar wil niet zeggen wat er daarna mee gaat gebeuren en of zo’n binnenspeeltuin een goed idee is. “We zijn continue in gesprek met de overheid. We gaan verder niet in op wat er met de centrale zou moeten gebeuren”, aldus Siertsema.

Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besloten wij te helpen.

Aart van Veller

De Hemwegcentrale is de laatste van Nuon in Nederland. Vorig jaar maakte de energieleverancier bekend dat ze hem graag sluiten, maar daar wel compensatie voor willen. Er werken nu namelijk 200 mensen en er zijn kosten verbonden aan het sluiten van zo’n fabriek. Nuon vroeg de overheid om hulp, maar kreeg die tot nu toe niet.

“De kolencentrale zorgt voor sterke vervuiling van de stad, de lucht en de natuur. Nuon en de overheid hebben elkaar in de houdgreep, dus besluiten wij te helpen”, zegt Van Veller. Hij is bang dat de centrale anders aan een partij wordt doorverkocht die kan blijven doorstoken.

Het bod van een miljoen euro is gebaseerd op een schatting. Het verbaast Van Veller dan ook dat Nuon hun bod niet serieus neemt. “Dit is absoluut geen stuntbod. Over twaalf jaar zijn alle kolencentrales dicht. Wie wil er dan nu zo’n centrale kopen op dit moment? We hebben het als serieus bod neergelegd. Nuon zegt niet wat ze er wel voor willen hebben, maar wat is dan wel de waarde van zo’n ding?” Vandebron financiert het bedrag met hulp van investeerders.

Leuk bedacht, maar hoe haalbaar is het?

In principe is het geen slecht idee, zegt energiejournalist Tijdo van der Zee. “Toen vorig jaar duidelijk werd dat Nuon geen subsidie kreeg om biomassa in de centrale bij te stoken, was het einde verhaal. Eigenlijk hint het bedrijf al sinds 2011 op sluiting of verkoop.”

Maar hij zet er ook heel wat vraagtekens bij. “Als je kijkt naar hoeveel geld er gemoeid is bij een kolencentrale, is een miljoen niet veel. Nuon heeft recentelijk bijvoorbeeld nog een nieuw besturingssysteem voor die centrale aanbesteed en dat liep al in de miljoenen.”

Het is natuurlijk goede promotie voor Vandebron. Ik denk dat het deels een stunt is, deels serieus.

Energiejournalist Tijdo van der Zee

Daarnaast spelen gederfde inkomsten ook een rol, zegt hij. “Die centrale zou in principe nog wel vijftien jaar meekunnen, dus Nuon loopt dan veel geld mis.”

Vandebron ziet graag dat Nuon het miljoen gebruikt om een regeling te treffen met het personeel. Het is nog maar de vraag of dat bedrag volstaat. “En bij verkoop van een centrale zijn ook de ontmantelingskosten erg belangrijk”, zegt Van der Zee. “Wie die gaat dragen zal bepalend zijn of Nuon wil doorpraten.”

Of Nuon het uit handen wil geven is ook nog de vraag. “Op hetzelfde terrein staat ook een moderne gascentrale. Als ze zelf ontmantelen, kunnen ze misschien nog materiaal doorverkopen. Er staat vaak een kapitaal aan oud ijzer en machines in zo’n centrale.”

En die speeltuin dan? Geen goed idee, vindt Van der Zee. “Er zitten bij zo’n kolencentrale vaak heel wat giftige stoffen in de grond.” Van Veller spreekt dat tegen. “Deze centrale is in 1995 gebouwd, onder strenge milieu-eisen. Maar een speeltuin is ook maar het eerste idee. We willen met de gemeente een goede bestemming kiezen, iets waar de Amsterdammers plezier aan beleven.”

Nu Nuon het bod niet heeft geaccepteerd, is het onduidelijk of de speeltuin er komen gaat. “We gaan ons nu beraden wat we gaan doen”, zegt Van Veller. “Dit is zeker nog niet afgelopen.”

BIM en renovatie. Hoe gaat dat samen?

Het gebruik van BIM bij renovatieprojecten lijkt nog geen enorme vlucht te nemen. Toch willen sommige partijen in de bouw niet meer anders. “We hebben er veel baat bij.”

Tijdo van der Zee, in Cobouw special Renovatie, 2017

Bouwbedrijf De Nijs uit Warmenhuizen heeft zich gespecialiseerd in binnenstedelijk bouwen, ontwikkelen en renoveren. En Amsterdam is daarbij het favoriete werkterrein. Het bedrijf bouwt aan iconische nieuwbouwprojecten, zoals Pontsteiger aan het IJ. Maar bij ook renovatieprojecten is het De Nijs betrokken, zoals bij de transformatie van het oude gebouw van uitgeve rij Elsevier. Woningcorporaties Rochdale en DUWO gaven De Nijs hier de opdracht tot de realisatie van 270 studentenkamers en commerciële ruimtes.

Zowel bij Pontsteiger als bij het Elsevier-gebouw maakte De Nijs gebruik van de BIM-werkmethodiek. Dat wil zeggen: eerst virtueel bouwen en pas dan fysiek aan de slag. Nu is Bimmen bij nieuwbouw misschien niet meer zo bijzonder, maar bij renovaties en transformaties komt het minder vaak voor. “Wij hebben BIM nu ongeveer bij zeven renovatieprojecten gebruikt”, zegt Maaik de Nijs, BIM-regisseur bij De Nijs. “En toekomstige projecten zullen we ook in BIM doen. Het heeft zijn meerwaarde a

Een point cloud van de oude HBS in Brielle. Bron: DGA Ingenieursbureau IOB

bsoluut bewezen.”

Hij somt een rijtje op: “De Keizer – die oude kraakpanden – in de Spuistraat, de voormalige C&A aan het Damrak, panden aan de Cruquiuskade. En dan zijn we in Hoorn bezig met de transformatie van het oude seminarie het Missiehuis in Hoorn tot appartementencomplex. En we doen ook hotel De Roode Leeuw bij de Dam in Amsterdam, waar we het funderingsherstel en de uitdieping van de kelder doen. Allemaal met laserscans en BIM.”

Bij dat laatste project is de meerwaarde van BIM evident, zegt hij. “Het gebouw bestaat uit allemaal verschillende panden die in de loop van de tijd aan elkaar geknoopt zijn. Je moet dat echt perfect in kaart hebben gebracht voor je begint met werken.”

Dat spreekt eigenlijk wel voor zich, maar waarom volstaat dan niet het traditionele inmeten? “Dan pak je elke hoek van een ruimte en meet je de afstand. Maar dan meet je niet of een muur schuin staat of bol. Wij werken met een laserscan. Die levert een point cloud op met miljarden punten. Die cloud beschrijft de ruimte precies zoals hij is. Je ziet dus niks over het hoofd.” Dat ruwe databestand wordt vervolgens door BIM-modelleurs als onderlegger gebruikt voor een zogeheten solid model, een 3D-model dat als basis dient voor het verdere BIM-proces.

Een point cloud van de zolder van de oude HBS in Brielle. Bron: DGA Ingenieursbureau IOB

Een perfecte weergave van de werkelijkheid. Dat is ook wat Jaco Poldervaart van BIM Intelligence als groot voordeel ziet van Bimmen bij renova tieprojecten. Voor de Rijksoverheid vatte hij middels een laserscan zo’n zestig gebouwen op het Hembrugterrein in Zaandam in BIM-modellen. Ook in het Zuid-Hollandse Brielle was hij betrokken bij het virtualiseren van een bestaand gebouw. Daar wordt namelijk de oude HBS – “een prachtig monument met rijk metselwerk” – door VolkerWessels verbouwd tot appartementencomplex.

Verzakt

“Uit onze laserscan bleek dat het gebouw over de lengteas ongeveer dertig centimeter verzakt was. Dat was voor onze opdrachtgever, de gemeente Brielle, heel nuttige informatie, omdat dat toen meegenomen kon worden in de uitvraag. Als de opdrachtnemende ontwikkelaar daar in een later stadium achter was gekomen, had dat vervelende consequenties kunnen hebben.” Eerst scannen en dan netjes modelleren geeft de mogelijkheid om de exacte maatvoering en positie te kennen van de objecten, zegt Poldervaart. “Dit mits de modelleur niet alles ‘knip en plak’ uitvoert. Hier gaat het nog wel eens fout.”

Projectleider Patrick Meerkerk, van ingenieursbureau IOB, dat de technische advisering voor het project in Brielle verzorgt, zegt dat er na de opdrachtverlening aan VolkerWessels door Brielle een nieuwe point cloud is gemaakt en dat die de basis vormt van het huidige BIM-model. “Met name bij het bepalen van de indelingsmogelijk van de zolderruimte heeft de puntenwolk een grote toegevoegde waarde. Deze heeft namelijk diverse samengestelde dakvlakken met complexe spantconstructies en aansluitingen. De puntenwolk dient als praktisch communicatiemiddel tussen de samenwerkende partijen en de verschillende vakdisciplines. Onze afdelingen installatie- en constructietechniek kunnen met behulp van de puntenwolk eenvoudig de diverse indelingsvarianten van de architect beoordelen op aanpassingen en haalbaarheid.”

‘De puntenwolk dient als praktisch communicatiemiddel tussen de samenwerkende partijen’

Toch maakt de point cloud het ouderwetse handwerk niet overbodig, zo heeft Meerkerk gemerkt. “Zo zijn bij het inscannen delen van het exterieur weggevallen door overhangende bomen. De fijnere maatvoering, zoals de afmetingen van balk- en kozijnhout met profileringen en spouwmuurdiktes zijn niet uit de scan te herleiden. Samen met de verborgen ruimtes, bijvoorbeeld boven de systeemplafonds en de kruipruimte, zijn al deze elementen traditioneel onderzocht en ingemeten. De visuele opname gaf ons ook de mogelijkheid om de kwaliteit van de constructie en bouwdelen goed te beoordelen.”

Meerdere scans

Soms zijn meerdere scans, in verschillende stadia van de renovatie, onontbeerlijk, zeggen Poldervaart en De Nijs. “Een architect moet al snel aan de slag om een mooi ontwerp te maken. Dus moet je in een vroege fase al scannen. Maar op basis van die scan moet je niet je kozijnen gaan bestellen. Dan ga je de mist in. Als je het gebouw casco hebt gestript, dan kan je een nieuwe scan maken. Want dan heb je pas de exacte maatvoering”, zegt Poldervaart. Daar is Maaik de Nijs het mee eens. “Een grote valkuil is dat er maar met één scan gewerkt wordt. Wij gaan er van uit dat er meerdere scans komen.”

Het uitwerken van een point cloud tot 3D (Bim-)model is veel werk. Tegelijk zijn niet alle bouwpartners geïnteresseerd in dezelfde details. Daarom zijn ze bij De Nijs aan het onderzoeken of het mogelijk is dat de bouwpartners straks allemaal met de point cloud aan de slag gaan, in plaats van dat ze het uitgewerkte model krijgen aangeleverd. De Nijs: “Dan haal je er een stap tussenuit. Lijkt ons alleen maar goed.”

Biogasnet en multigasketel komen nog niet echt uit de startblokken

De commerciële introductie van de multigasketel van ATAG komt niet echt van de grond. Hoewel het product kant-en- klaar op de plank ligt en op elk moment ingezet kan worden, blijkt de markt voor dit type HR-combiketel zich maar moeizaam te ontwikkelen. Omdat biogas niet voor subsidie in aanmerking komt, is de business case moeilijk rond te breien.

Door: Tijdo van der Zee
In: GAWALO, april 2017

De multigasketel van ATAG werd in 2012 door de jury bekroond met de VSK Award in de categorie ‘Vuur’. Deze HR-combiketel weet raad met gas van verschillende samenstellingen en dat is handig omdat in de toekomst veel meer Russisch gas en aardgas uit Noorwegen
zal stromen, met een heel andere samenstelling dan het gas uit Slochteren. Zo zit er in Slochterengas relatief weinig methaan en veel stikstof. Maar waar de ketel vooral geschikt voor is, is het verbranden van biogas. Biogas is het product van vergistingsprocessen, bijvoorbeeld van rioolwater of van mest en ander organisch materiaal bij boeren.

In dit biogas zit relatief veel CO2 – een zogeheten ‘inert’ gas, dat niet snel reageert met andere gassen. Doorgaans wordt dit biogas ofwel in een opwerkingsinstallatie opgewerkt naar aardgaskwaliteit, waarna het Groen Gas heet, ofwel in een verbrandingsmotor omgezet in Lees verder Biogasnet en multigasketel komen nog niet echt uit de startblokken

Biogas uit afvalwaterzuivering terug naar papierfabriek

In: Energeia, 8 juli, 2015

In het Gelderse Eerbeek is de aanleg begonnen van een drie kilometer lange waterleiding en gasleiding van afvalwaterzuiveringsinstallatie IWE naar papierfabriek DS Smith Paper. Het biogas en het schone industriewater kunnen worden gebruikt in het productieproces van de fabriek. Het Alliander-plan om het biogas te gebruiken in honderden vakantiewoningen is daarmee -voorlopig in ieder geval- van de baan.

IWE staat voor Industriewater Eerbeek. Het bedrijf is een samenwerkingsverband van drie papierfabrieken in de buurt, te weten DS Smith Paper en verder Papierfabriek ‘Coldenhove’ en Mayr-Melnhof Eerbeek. IWE verwerkt het afvalwater dat bij de productie van papier vrijkomt. Bij het zuiveren van het water wordt jaarlijks tussen de 3,5 en 5 miljoen kuub aardgasequivalenten biogas geproduceerd, dat IWE nu nog verbrandt in twee MTU-gasturbines, die er elektriciteit van maken. “Maar hier gaat veel energie verloren. Als ik een rendement haal van 35% mag ik blij zijn. De rest vliegt als warmte de lucht in”, zegt IWE-directeur Walter Hulshof.

Met Alliander Duurzame Gebiedsontwikkeling (DGO) en Atag werd in 2013 het plan opgevat om het biogas een ‘Bionet’ in te sturen. Op dat net zouden dan driehonderd tot vierhonderd vakantiewoningen kunnen worden aangesloten, die met het biogas overweg kunnen door het te Lees verder Biogas uit afvalwaterzuivering terug naar papierfabriek

Warmtepompendrama in nieuwbouwwijk Dongen

Bewoners van nieuwbouwwijk De Beljaart in Dongen kampten jarenlang met een gebrekkige energievoorziening. Gemeente Dongen ligt nu in de clinch met Stewitech Duurzaam, dat de systemen installeerde. Een second opinion die de gemeente liet uitvoeren werpt een gedetailleerd inkijkje in wat er mis ging. Maar oplossingen zijn nog niet direct voorhanden.

Tekst Tijdo van der Zee | in GAWALO februari 2017

De Beljaart is een nieuwbouwwijk waarin de gemeente Dongen hoge duurzaamheidsambities heeft uitgesproken. De wijk werd opgeleverd in verschillende fases. In Fase I gaat het om 137 woningen die zijn aangesloten op een collectief warmte-koudeopslagsysteem (wko-systeem). Een centrale warmtepomp levert vervolgens warmte, koude en warm tapwater dat via drie afzonderlijke leidingen naar de woningen wordt getransporteerd. Dit systeem werd opgeleverd door Nuon, maar werd in 2015 verkocht aan Greenspread. Volgens Tom Sloots, operationeel manager bij Greenspread, heeft Nuon, voordat het systeem werd overgedragen, de nodige verbeteringen doorgevoerd, waardoor klachten verholpen werden. Lees verder Warmtepompendrama in nieuwbouwwijk Dongen

‘Borging kwaliteit is nu ook al goed geregeld’

Dit artikel verscheen in 2016 in GAWALO

Het wetsvoorstel Private Kwaliteitsborging in de Bouw ligt na jaren soebatten eindelijk bij de Tweede Kamer. De bedoeling van de wet is dat de markt zélf verantwoordelijk wordt voor de kwaliteit van bouwwerken. Niet het gemeentelijke bouw- en woningtoezicht, maar een onafhankelijke kwaliteitsborger zet straks z’n stempel. Wat gaat de installateur van de wet merken? En moet er nog wat aan worden geschaafd voor de wet de goedkeuring kan wegdragen van de installatiewereld?

Lang was niet zeker of er überhaupt een wetsvoorstel zou komen. Zo traag en onzeker was het proces er naar toe, zegt René de Kwaadsteniet, directeur van kennisorganisatie en adviesbureau Building Changes. “Het proces is al heel lang gaande. Het speelt al sinds 2002. Er waren de afgelopen periode momenten waarop we dachten dat de wet er niet zou komen. Dat heeft alles te maken met de veelheid aan belangen en het draagvlak dat de overheid voor de wet moet zien te verwerven.” Lees verder ‘Borging kwaliteit is nu ook al goed geregeld’

Brandstofcel in Utrechtse woning levert warmte en warm water

In een woongebouw in de Utrechtse wijk Oudwijk heeft woningcorporatie Bo-Ex afgelopen week een brandstofcel geïnstalleerd die aardgas gebruikt om elektriciteit, warm tapwater en warm CV-water te leveren. “Een unicum, voor zover wij weten”, aldus Henk Wierenga, productmanager bij fabrikant Nefit Bosch.

Door Tijdo van der Zee, in: Energeia, 28 sept 2015

Vooropgesteld: het gaat hier om een demonstratieproject, waar de komende twee jaar wordt bekeken of de brandstofcel voor gebruik in ééngezinswoningen naar behoren werkt. Geld is er met het innovatieve product van Nefit Bosch nog niet te verdienen. “Dit is het tussenstadium tussen de experimenten in het lab en het seriematig produceren voor de markt”, zegt persvoorlichter Jan Blom van Nefit Bosch. “We gaan nu niet de illusie wekken dat de brandstofcel volgend jaar al in de winkel ligt.” Over geld wordt dus nog niet gesproken. De investering in Utrecht wordt gedaan door de woningcorporatie, de installateur Bos en Nefit Bosch en de kosten worden niet doorberekend aan de huurders. Die profiteren juist wel van het hoge rendement van de brandstofcel en gaan er volgens Bo-Ex EUR 500 tot EUR 750 op vooruit. Woordvoerder Esther Gruter van Bo-Ex: “Als we de kosten zouden doorberekenen dan zou de huur onbetaalbaar worden.”

De plaatsing van de brandstofcelketel in Utrecht maakt deel uit van een groter door Europa gesubsidieerd project genaamd Enefield. Nefit Bosch installeert in het kader van dit project binnenkort een tweede brandstofcelketel in een woning ergens in Nederland. Waar dat is maakt Nefit Bosch nog niet bekend. Nefit werd tien jaar geleden overgenomen door het Duitse concern Bosch. De brandstofcel die nu in Utrecht draait is ontwikkeld in de Duitse laboratoria. Het aantal installaties van het nieuwe product is in Duitsland dan ook het grootst. “Dat zijn er al gauw honderd”, zegt productmanager Wierenga.

De manshoge installatie van Nefit Bosch ziet er door de witglimmende behuizing uit als een solide eenheid. Maar haal die schil er af en je ziet dat de installatie bestaat uit verschillende met elkaar verbonden units. Meest in het oog springend is de hoogtemperatuur (800 graden) solid oxide fuel cell (SOFC) brandstofcel, waarin waterstof en zuurstof met elkaar reageren tot water, en waar elektriciteit en warmte bij vrijkomen. Dan is er nog een conventionele CV-ketel ingebouwd die eventuele warmtevraagpieken op kan vangen. Dan twee buffervaten. Eén voor warm tapwater (80 liter) en één voor CV-water (120 liter). Ten slotte zit er nog een gasreinigingsunit in, die zwavel en geurstoffen uit het toegevoerde aardgas absorbeert. “In een commerciële uitvoering zou de installateur dat vaatje om de drie à vier jaar moeten schoonmaken.”

Eenmaal op temperatuur, kraakt de SOFC-brandstofcel vervolgens het zuivere aardgas, waarna de brandstofcel met behulp van het waterstof elektriciteit en warmte produceert. Alles bij elkaar levert het een installatie op die volgens Wierenga 1,5 kW aan aardgas omzet in 0,7 kW aan elektriciteit en 0,7 kW aan warmte. Aan de hele unit is zichtbaar dat het om een “Duits toestel” gaat, zegt Wierenga. Een marktmodel voor de Nederlandse markt zou bijvoorbeeld best nog wel eens wat kleiner kunnen. Duitsers houden van flink wat buffercapaciteit terwijl we in Nederland meer bekend zijn met “doorstroomcombi’s”.

Niet elke woning is geschikt voor een brandstofcel, zegt Wierenga. “Je moet een woning hebben met een goede ‘fit’.” Zolang in Nederland de salderingsregeling bestaat, waarbij opgewekte elektriciteit tegen inkoopprijs mag worden teruggeleverd, is de stroomkant van de brandstofcel geen probleem. De warmte is een ander verhaal. Er is weliswaar een buffer aanwezig, maar deze is beperkt, dus de opgewekte warmte moet worden gebruikt voordat de buffers zijn gevuld. De brandstofcel uit zetten is niet echt een optie, want de harde keramische materialen in de brandstofcel kunnen niet goed tegen telkens uitzetten en krimpen als gevolg van temperatuursschommelingen. “Daar komt bij dat de brandstofcel pas drie uur na het opstarten goed functioneert”, zegt Wierenga.

De claim van woningcorporatie Bo-Ex, dat dit de eerste installatie in Nederland van een brandstofcel in een woning is, is niet heel makkelijk te verifiëren. Een concurrent van Nefit Bosch is het Australische Ceramic Fuel Cells. Dat levert in Nederland de Bluegen brandstofcel. Op onder andere Ameland wordt daarmee geëxperimenteerd. Toch lijken deze producten genoeg van elkaar te verschillen om de claim overeind te kunnen houden. De brandstofcel van Bluegen is namelijk naar eigen zeggen interessant bij een gemiddeld elektrisch jaarverbruik van 13.000 kWh en dat is heel wat meer dan een gemiddeld huishouden jaarlijks verbruikt (3.000 kWh). Dat zou geen probleem hoeven te zijn als de brandstofcel alleen elektriciteit produceerde, maar met een ongeveer gelijke hoeveelheid warmte weet een gemiddeld huishouden zich geen raad. Wierenga: “Bij een dreigend overschot schakelt de installatie af. En dat wil je dus niet. Onze installatie kan tot 30% van het vermogen terugmoduleren, en is dus meer geschikt voor een enkel huishouden.”

Fotobron: Bo-Ex