Alle berichten door Tijdo van der Zee

Freelance Journalist

Opmars van aardgas en biogas in de transportsector

Vrachtwagens op aardgas, en zeker biogas, moeten hun plek op de snelweg nog veroveren. Technische belemmeringen, slechte verkrijgbaarheid, beperkte actieradius en tegenvallende besparingen speelden gas lang parten. Maar veranderingen hangen in de lucht. Zo is onlangs een eerste serieuze praktijkproef gestart met dual-fuel vrachtwagens en rijdt een Brabants transportbedrijf met de eerste Europese biogasvrachtwagen.

Door Tijdo van der Zee

Gemengd waren de ervaringen met vrachtwagens op gas de afgelopen twintig jaar. Rendementen vielen tegen, evenals de emissiereducties. LPG leek het toch niet te worden. Nu lijken aardgas en biogas bij het zwaardere vrachtvervoer toch met een opmars bezig, maar LPG staat aan de zijlijn. “LPG ontbrandt eerder en kan daarom maar in veel lagere percentages bij diesel bijgemengd worden. LPG komt niet veel hoger dan 20 procent, terwijl bij aardgas tot 50 procent bijmenging mogelijk is. Dat is een groot nadeel van LPG. Daar komt nog bij dat aardgas goedkoper is dan LPG”, stelt Rob Winkel van onderzoeksbureau Ecofys.

Aardgas
Rob Winkel leidt een onlangs gestart project waarbij een conventioneel aardgassysteem (CNG: gecomprimeerd aardgas onder 200 bar) geplaatst wordt bij een bestaande vrachtwagendieselmotor. Dit wordt een dual-fuel systeem genoemd en het consortium dat het project uitvoert verwacht dat er flinke besparingen mee te behalen zijn. Winkel: “Dat aardgas gaan we injecteren in de dieselinlaat. Dit leidt tot lagere kosten en veel minder emissies. Op den duur willen we bijmengen met biogas, wat natuurlijk nog meer milieuvoordeel oplevert.”
Ecofys berekende dat bij 120.000 kilometer per jaar het verschil met een gewone dieselmotor 10.000 euro kan bedragen, namelijk 55.680 euro bij diesel tegen 45.600 euro bij dual-fuel, oftewel 50 procent bijmenging met aardgas. In dit geval zouden de meerkosten van het systeem zich binnen enkele jaren terugverdienen. Het systeem werkt het best bij zware ladingen, omdat dan de verbranding beter werkt. Eind 2010 verwacht Winkel de resultaten te kunnen presenteren.

Actieradius en beschikbaarheid
De beschikbaarheid van aardgastankstations in Nederland laat nog te wensen. In een rapport uit 2009 over groen gas in het agrotransport van innovatienetwerk Courage telde de auteur 600 openbare vulstations in Italië, 750 in Duitsland en 400 in Zweden. In Nederland waren er op dat moment nog maar 12. Volgens Rob Winkel kan er inmiddels in Nederland al op 50 plekken aardgas getankt worden. “Samen met het ministerie van Verkeer en Waterstaat gaan gemeenten en provincies dit aantal de komende jaren omhoog krikken naar 100 vulpunten.”
Een ander nadeel van gas is de beperkte actieradius op een volle tank. Dit komt omdat gecomprimeerd aardgas, ondanks dat het onder hoge druk staat, nog steeds gasvormig is, dus per liter een veel lagere energetische waarde heeft dan vloeibaar gas of diesel. Dat probleem wordt in het dual-fuelproject van Winkel omzeild. “Wij gebruiken een conventionele dieseltank, aangevuld met een gastank. De actieradius is dus zelfs groter dan bij een dieseltank.”
Winkel werkt samen met de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Dat moet ook wel, want dual-fuel systemen hebben nog geen goedkeuring ontvangen. Ook in Europa zijn er nog geen richtlijnen voor dual-fuel systemen en dat betekent dat de vrachtwagens in het project van Ecofys in Nederland moeten blijven rondrijden. Winkel wijst er wel op dat de Europese Commissie momenteel werkt aan een richtlijn, maar het zal nog wel enkele jaren duren voordat het sein op groen gaat. In ieder geval kan Nederland dan meteen de Europese markt op, wat wel een koploperspositie oplevert.

Stortgas
Het kan ook anders. In plaats van als bijmenging bij diesel, kun je gas ook als enige brandstof gebruiken: een mono-fuel systeem. Sinds kort heeft gasbedrijf Rolande LNG bij transportbedrijf Christiaan Vermeer in Dongen een systeem geïnstalleerd voor vloeibaar biogas (bio-LNG). Het transportbedrijf kan de wagen nog niet gebruiken in het wagenpark, want de omgebouwde IVECO Stralis is een demonstratiemodel, dat onlangs nog straalde op een biogasbeurs in Rome. Kort geleden presenteerde vrachtwagenbouwer IVECO de Stralis, een vrachtwagen met een monofuel ottomotor, die gebouwd was voor CNG in plaats van benzine. Peter Hendrickx van Rolande Biogas: “Die motor veranderde onze wereld, we waren al jaren bezig met het aanpassen van motoren, maar die brachten nooit de kwaliteit die we wensten. In samenwerking met IVECO hebben we toen de CNG tank vervangen door twee cryogene LNG-tanks uit Amerika plus een verdamper. Het resultaat is een motor die tot 5 keer stiller is dan een dieselmotor en een emissie die nog lager is dan de normen van de Euro 6 motor die in 2013 verplicht wordt.”
Rolande betrekt zijn biogas van een huisvuilstortplaats “in één van de grote Europese wereldsteden. We hebben exclusieve levering, maar ik wil nog niet zeggen welke stortplaats het precies is”, zegt Hendrickx. Hij geeft toe dat de beschikbaarheid van vloeibaar biogas nog een probleem is. Met het vloeibare gas van de stortplaats kan Rolande 30 tot 50 trucks van LNG voorzien op jaarbasis.

Stille motor
Volgens Hendrickx is kan een vrachtwagen op bio-LNG zo’n 1400 kilometer afleggen en daarmee is het oude verwijt van de kleine actieradius van 300 kilometer verleden tijd. Bio-LNG heeft volgens Hendrickx vele voordelen. Misschien is de belangrijkste nog wel het lagere geluidsniveau ten opzichte van een diesel- of dual-fuelmotor. “Dat moet je niet onderschatten. Het betekent dat je in steden ook buiten de reguliere leveringstijden mag werken. En puur op basis van geluid kan je al gebruik maken van de MIA en de VAMIL subsidies.”
De truck heeft wel een behoorlijke meerprijs, maar er vinden gesprekken plaats met AgentschapNL over een subsidie die 50 procent van de meerkosten afdekt. Volgens Hendrickx zou hier voldoende geld in zitten voor ongeveer 40 tot 50 vrachtwagens. Transportbedrijven die hier gebruik van maken zijn, volgens recente berekeningen van onderzoeksbureau CE Delft, wellicht goedkoper uit dan met een vrachtwagen met dieselmotor. Daarbij ging CE Delft uit van een meerprijs van 65.000 euro, een afschrijftermijn van 10 jaar en een jaarkilometrage van 100.000 kilometer. Diesel komt dan uit op ongeveer 18 cent per kilometer, bio-LNG uit covergisting zit op 41 cent en bio-LNG uit stortgas op 22 cent. Maar uitgaande van een halvering van de afschrijfkosten door halvering van de meerprijs dankzij de mogelijke tegemoetkoming van AgentschapNL, komt stortgas-LNG ook op 18 cent. En dan zijn allerlei andere financiële stimuleringsmaatregelen nog niet verdisconteerd. De bio-LNG installatie van Rolande, die op de IVECO Stralis gemonteerd is, zit midden in het proces van typegoedkeuring door de RDW.Als die afgerond is mag de wagen de weg op. Ook in Europa. Hendrickx: “De dual-fuel installatie mag dat niet omdat dat nog geen erkende techniek is. Dat probleem heeft een mono-fuelsysteem gelukkig niet.”

Geen voorkeursbehandeling
Deze beloftevolle experimenten ten spijt, wil Transport en Logistiek Nederland (TLN), de belangenvereniging voor het goederenvervoer, nog niet de loftrompet steken. “Aardgas en biogas als brandstof zijn zeker interessante ontwikkelingen, maar we kunnen er niet alle kaarten op zetten. Daarmee zou je bijvoorbeeld biodiesel uitsluiten en dat doen we bij TLN niet”, zegt Rob Aarse van TLN.
Volgens Aarse is met name de tweede generatie biodiesel een goed groen alternatief. Ook elektrische hybride aandrijving heeft de belangstelling gewekt van TLN. “Maar dat beperkt zich toch wel tot het stedelijke goederenvervoer”, aldus Aarse. Volgens Aarse staat de aardgas en biogas-markt nog in de kinderschoenen. “De markt moet nog wat rijpen. Het is natuurlijk wel belangrijk dat er proeven mee worden gedaan. Interessante business cases zullen we dus zeker niet onvermeld laten.”

Bron: EnergieGids.nl juli 2010

Met zonnepanelen een e-auto vullen. Het kan, misschien, maar rijk word je er niet van

Een Utrechtse ondernemer wil een elektrische huurauto opladen met zonnepanelen op het dak van een basisschool. Een volle accu levert meer geld op dan teruglevering aan het net, vermoedt hij. Maar hoe het project er straks precies uit moet zien, weet niemand nog.

Door Tijdo van der Zee

De uitgaven voor de twee belangrijkste onderdelen uit het plan heeft ondernemer Robin Berg inmiddels ingeboekt: de panelen en de auto. Vorige week nam wethouder Mirjam de Rijk zijn nieuwe zonnecentrale officieel in gebruik. De elektrische Nissan Leaf is in bestelling en arriveert vermoedelijk in december. Op het dak van de Parkschool in de wijk Lombok liggen nu honderd zonnepanelen die een piekvermogen leveren van 17,5 kW en een geschatte jaarlijkse energieopbrengst hebben van 15 MWh. “Vanuit die school trekken we een kabel naar de oplaadpaal voor de elektrische auto, ongeveer honderd meter verderop”, zegt Berg, die naast initiatiefnemer eigenaar is van Lomboxnet, een aanbieder van snel internet in de wijk Lombok. Zo wil hij de laadpaal ‘achter de meter’ van de school krijgen.

Berg wil zijn business case bouwen rond het idee dat hij voor de zonnestroom meer kan vangen via de accu van een elektrische auto, dan via teruglevering aan het net. Dat zit zo. Wie netto meer levert aan het net, dan zelf aan energie gebruikt, krijgt een laag tarief voor de netto ingevoede stroom; namelijk de kale energieprijs zonder belastingen van rond de 6 cent. De elektrische auto schroeft het eigen verbruik op, waardoor er dus ook meer stroom aan eind van het jaar tegen het hoge tarief van 22 cent gesaldeerd kan worden.

Daarnaast is er het saldeerplafond. Hier geldt vanaf 1 juli aanstaande: tot het plafond van bruto 5 MWh teruggeleverde energie per jaar krijg je bij de meeste energieleveranciers de volle mep van 22 cent per kWh, maar wanneer je hier bovenuit komt, zit je weer aan de 6 cent. De panelen op de school in Lombok leveren naar verwachting 10 MWh meer dan het saldeerplafond. Het is hierbij dus van belang dat er zoveel mogelijk zelf geproduceerde stroom in de auto terecht komt, die vervolgens tegen een normale prijs -in de vorm van een volle accu- verkocht kan worden aan abonnementhouders die de auto willen huren.

Berg wil een kabel trekken van ongeveer honderd meter van de school naar een oplaadpunt bij de openbare weg, waar hij van de gemeente een parkeerplek toegewezen heeft gekregen en waar een oplaadpaal mag komen. Daar komt, zoals het er nu naar uit ziet, ook een aansluiting met het netwerk van Stedin, zodat ook andere elektrische auto’s van de paal gebruik kunnen maken, zegt Berg. De ondernemer wil slimme software installeren die precies in de gaten houdt wanneer zonnestroom geleverd kan worden aan het net en wanneer die de auto in moet. Daarnaast bepaalt deze software wanneer de accu geladen moet worden met stroom uit het net. “We halen zoveel mogelijk energie uit de zonnepanelen. Maar als iemand ’s nachts de auto reserveert voor de volgende morgen, moet de accu natuurlijk wel opgeladen zijn”, zegt Berg.

Of het financiële plaatje zo rooskleurig is als Berg het tekent, is echter zeer de vraag. Namelijk, Berg’s energieleverancier Greenchoice heeft onlangs besloten om het saldeerplafond op te heffen. Voortaan kan men onbeperkt salderen tegen het hoge tarief, zolang het eigen gebruik hieraan maar parallel loopt. Hierdoor lijkt het financiële voordeel van het laden van de elektrische auto te vervallen, omdat levering aan het net evenveel oplevert als de stroomverkoop via de accu. Daarnaast is het maar zeer de vraag of de Parkschool minder stroom gebruikt dan de zonnepanelen leveren. Ondernemer Berg verwacht dat hij de overtollige stroomproductie van de panelen in de auto kan pompen, maar uit gegevens van AgentschapNL blijkt dat een kleine school van 1.000 vierkante meter al snel het dubbele verbruikt aan stroom van wat zijn zonnecentrale produceert.

En er zijn nog meer obstakels. Ten eerste de eigendomsstructuur. Want wie levert nu straks aan wie? De zonnepanelen zijn van Robin Berg, maar wie straks eigenaar wordt van de oplaadpaal en de elektrische auto (bijvoorbeeld collectief eigendom door de abonnementshouders) weet de ondernemer nog niet. De tien oplaadpalen die nu in de gemeente staan zijn van Stichting E-laad, een samenwerkingsverband van netbeheerders, waar overigens netbeheerder Stedin de grote afwezige is. Een woordvoerder van de gemeente zegt dat Utrecht sympathiek staat tegenover het initiatief van Berg “en hem helpt waar mogelijk” maar “de zaak is nog niet uitgekristalliseerd en we weten niet zeker wie de eigenaar van die oplaadpaal wordt”. Wat ook de uitkomst is, ” het moet er niet toe leiden dat Lomboxnet of de Parkschool energieleveranciers worden”, zegt Berg. De gemeentewoordvoerder wil daar nog over kwijt: “Wij houden ons niet bezig met de koppeling van de panelen aan de oplaadpaal. Dat is nationale wetgeving en daar gaan wij niet over. Het is aan de ondernemer om hier invulling aan te geven.” Een woordvoerder van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) zegt: “Voor zover we nu kunnen overzien zijn er geen wettelijke beperkingen.”

Verder bevinden de oplaadpaal en de parkeerplaats zich in de openbare ruimte en anderen moeten ook gebruik van de oplaadpaal kunnen maken. “We krijgen niet de exclusieve rechten op die plek.” Daarom is ook netbeheerder Stedin bij het project betrokken. Dit maakt de zaak echter wel complexer, beaamt Berg. Waarom kan de auto niet opgeladen worden op het eigen terrein van de school, bijvoorbeeld aan de rand van het schoolplein? “Het schoolplein is geen parkeerplaats. Daarnaast, we willen een generieke situatie creëren, die ook bij andere scholen kan worden toegepast.”

Stedin volgt het project met veel belangstelling. “Voor ons is dit een zeer relevant project. Als het slaagt, kan je in Nederland snel meer van zulke systemen verwachten. Hier willen we dus bij zijn”, zegt woordvoerder Lucas Stassen. De netbeheerder onderzoekt nu welk ICT-systeem het best kan worden gebruikt voor de communicatie tussen school, oplaadpaal en net. “Wij praten hierover met meerdere grote ICT-partijen.”

Het project van Berg moet zich grotendeels zelf bedruipen. De gemeente Utrecht heeft Berg een handje geholpen met de parkeerplek, zo bevestigt een gemeentewoordvoerder. Ook krijgt Berg geld vanuit rijk, provincie en gemeente. “Dit is niet veel. Het gaat om de vergoeding van gewerkte uren voor de ontwikkeling van deze proef.” Het doel van Berg is om over heel Utrecht de elektrische auto-zonnepanelen-combinatie uit te rollen. Berg: “Ons glasvezelnet beperkt zich tot de wijk Lombok, voor dit nieuwe project willen we in de hele stad actief worden.”

Verschenen in Energeia, 24 juni 2011

Meewind maakt statement met Belwind

Een consortium van grote bedrijven en enkele Nederlandse en Vlaamse participatiemaatschappijen bouwt een offshore windpark van 165 MW 46 kilometer uit de kust van de Vlaamse havenplaats Zeebrugge. “En het gaat ongelofelijk snel.”

Door Tijdo van der Zee

Drie fundatiepalen liggen er pas in de haven van Zeebrugge. Meer is nog niet te zien aan het offshore windpark Belwind, dat komende jaren op de Bligh Bank, 46 kilometer uit de kust van de Vlaamse havenstad wordt gebouwd. Maar die drie palen zijn wel hét bewijs dat het windpark echt gebouwd wordt. En daar zag het na het faillissement van ontwikkelaar Econcern dit voorjaar niet naar uit. Alle reden dus voor Belwind om de vlag uit te hangen en investeerders en journalisten uit te nodigen voor een rondleiding.

Flessenhals

Het stuk land dat Belwind gebruikt in de haven van Zeebrugge is enkele hectaren groot en wordt gebruikt als tussenstation. De fundatiepalen, of monopiles, worden per twee stuks met een vrachtschip aangeleverd vanuit het Oost-Duitse Rostock, waar ze worden gefabriceerd. In Zeebrugge takelen twee stevige kranen de palen op land. “Er zijn maar een paar kranen die dat kunnen”, zegt Bernard van Hemert van Belwind. De monopiles blijven daar liggen tot de Nederlandse aannemer Van Oord ze op de juiste locatie in de zeebodem heit. De fundatiepalen zijn wellicht geen technologische hoogstandjes, maar de afmeting doet duizelen. Per stuk wegen de stalen joekels 300 tot 550 ton, de lengte varieert van 50 tot 70 meter en de dikte van de buiswanden bedraagt zo’n 10 centimeter. De bovenste tien meter van de palen lopen taps toe, als een flessenhals. Die constructie vergemakkelijkt het heien en is beter bestand tegen golfslag.

De 55 windturbines van elk 3 MW hebben in 2011 een totaal vermogen van 165 MW. “Natuurlijk kunnen we ook 5 MW-molens gebruiken, maar daar zijn er nog maar zo weinig van. We gaan hier voor bewezen technieken”, zegt Van Hemert. De locatie van alle 55 turbines is vooraf uiterst nauwkeurig bepaald. De Bligh Bank bestaat uit een soort onderwaterduinen, waardoor de diepte per windmolen verschilt. Ook de samenstelling van de grondlagen is niet overal gelijk, dus voor elke paal is ook een individuele heidiepte vastgesteld. “Tijdens deze proefboringen wordt ook regelmatig een bom uit de Tweede Wereldoorlog gevonden. Wij kwamen ze gelukkig niet tegen, maar onze collega’s van een ander windpark op een ander deel van de Bligh Bank wel”, zegt Bernard van Hemert.

Lange neus

De werknemers van Belwind, waarvan het grootste deel eerder werkte aan het Nederlandse windpark Q7, zien zich de komende jaren gesteld voor een enorme logistieke uitdaging. Grootste vijand is het weer. “We moeten minstens 55 keer het water op. Dat betekent dat we niet kunnen wachten tot het weer ideaal is”, zegt Van Hemert. De kans is groot dat wind en golven zo heftig worden dat het schip zijn missie moet afbreken en terug moet naar de veilige haven. Zonde van het geld: het schip kost de organisatie 170.000 euro per dag. Van Hemert: “Als we op dat moment de kabel leggen, moeten we die doorknippen en later aan elkaar monteren met een soort kroonsteentje.”

Bernard van Hemert is geen onbekende in de windmolenbusiness. Hij werkte net als enkele collega’s aan Q7 en is ook regelmatig aan de Britse kant van de Noordzee te vinden. “De besluitvorming rond Belwind is heel snel gegaan. Iedere participant in het park heeft natuurlijk zijn eigen motieven, maar ik merk toch hier en daar dat er een lange neus wordt gemaakt naar de Nederlandse overheid. Daar duurt het proces zo lang en hier kan het gewoon snel. Het is dus ook een beetje een statement.”

Gevoel

Meewind is de Nederlandse participatiemaatschappij in Belwind, waarbij ‘iedere participatie vanaf 1.000 euro welkom’ is, aldus de brochure. Eén van die participanten is Rob van Hagen, en ook hij neemt de gelegenheid te baat om een kijkje te nemen bij ‘zijn’ palen in de winderige Zeebrugse haven. “Ik beleg liever in zo’n project dan dat ik het geld naar de bank breng”, stelt hij. Volgens Van Hagen verloopt de communicatie met Meewind uitstekend en dat is dan ook een reden dat hij vertrouwen heeft in het Belgische avontuur. “Elke belegging brengt risico’s met zich mee. Hier heb ik mijn gevoel laten spreken. Ik heb echt geen gedegen risicoanalyse gemaakt”, zegt Van Hagen.

Ook de gemeente Den Haag heeft zich verzekerd van een stukje windmolenpark. “Al was het maar omdat plannen voor een windpark bij het Prins Clausplein niet van de grond kwamen”, zegt milieuwethouder Peter Smit. Een enorme symbolische cheque van tien miljoen euro had de wethouder eerder overhandigd aan de projectleiders van Belwind en Meewind. De cameraman die de gemeente had ingehuurd legde vast hoe de heren in maatkostuum het striemende zand uit hun ogen wreven en de veiligheidshelm stevig op hun hoofden drukten. En de wethouder zei: ‘Wij doen mee omdat wij een duurzaamheidstrategie hebben. Wij willen de CO2-uitstoot van de stad verminderen en dat kun je natuurlijk ook doen door duurzame energie op te wekken of te laten opwekken door anderen.’ [Zie ook kader, red.].

Later, in het warme havenrestaurant vervolgde Smit: “We kunnen natuurlijk wel wachten tot we mee kunnen doen met een project in Nederland, maar ik zie daar toch de eerstkomende paar jaar geen windparken op zee verrijzen. En wat makt het ook uit? CO2houdt zich niet aan grenzen en de ijsberen op de Noordpool maakt het echt niet uit of we in Nederland of in België CO2-uitstoot reduceren.” De Haagse wethouder heeft vertrouwen in het project, ondanks het feit dat voormalig initiatiefnemer Econcern ter ziele ging en ook ondanks de slechte prestaties van duurzame investeringsvehikels als ZonInvest. Ook dat bedrijf rekende zich rijk met subsidies, die later werden ingetrokken. “Ik kan het Belgische systeem vertrouwen als ik zie dat tweederde van de participanten in Belwind Belgisch is”, stelt Smit.

Angst

Een nieuw financieel debacle zou een nachtmerrie zijn voor de investeerders en iedereen die windenergie een warm hart toe draagt. Toch is dat niet de grootste angst voor Belwind- medewerker Bernard van Hemert. “Ik ben bang dat er een ongeluk gebeurt”, zegt hij met een serieus gezicht, “We werken hier met grote voorwerpen. In principe hebben we alles berekend, maar er zijn altijd van die grensgevallen met het weer. Dat je denkt van ‘kan het wel of kan het niet’. Dan maak ik me echt zorgen.”

[KADER]

Den Haag

Een investering in een offshore windmolenpark van 10 miljoen euro levert de gemeente een jaarlijkse vermeden CO2-uitstoot op van 17.500 ton, oftewel de uitstoot van 10.000 huishoudens, zo berekenden Haagse ambtenaren. Wethouder Peter Smit stelt dat daarmee een groot deel van de CO2-doelstellingen worden gehaald. In een reactie beaamt een woordvoerder: “Wij zijn producent van groene stroom, we hoeven die niet af te nemen om toch aan onze CO2-doelstellingen te voldoen.”

Maar dit wordt door deskundigen en politici betwijfeld. Immers, wanneer de groene stroom aan (Belgische) consumenten wordt verkocht, die hiermee ook CO2-uitstoot reduceren, produceert één windmolen een dubbele CO2-reductie: één keer voor Den Haag en één keer voor de consument.

“Het risico bestaat dat de CO2-reductie van het Belgische windpark dubbel geteld gaat worden: Den Haag schrijft de reductie op zijn milieubalans, terwijl de opgewekte stroom ook nog als groene stroom aan Belgische consumenten wordt verkocht”, zegt CO2-emissiehandelspecialist Jos Cozijnsen op de website van EnergieGids.nl. “Den Haag zou eigenlijk CO2-reductie in losstaande projecten in Den Haag moeten bevorderen en de duurzame energieverbetering als aparte doelstellingen moeten zien. Want bij CO2-reductie in energieprojecten is er al snel overlap met CO2-verplichtingen van energiebedrijven.”

Hoe groen Den Haag kan scoren met het aandeel in Belwind hangt helemaal af van wat er vervolgens met de stroom gebeurt, zegt Marc Allessie, directeur van de Nederlandse Emissie Autoriteit in rePublic.nl. “Als die stroom de Nederlandse markt op gaat, dan draagt Den Haag indirect bij aan verduurzaming van de samenleving. Maar in termen van uitgespaarde CO2 in het kader van het gemeentelijk klimaatbeleid zie ik niet hoe ze daarmee zouden kunnen scoren.” Ook het PvdA-gemeenteraadslid Willem Minderhout stelde hierover onlangs vragen tijdens een commissievergadering. De wethouder stelde toen echter zich “geen zorgen te maken.”

Bron: EnergieGids.nl okt 2009

Geldbronnen voor groen

Duurzame energieprojecten kennen vaak hoge investeringskosten, lange looptijden en flinke risico’s. Hoe interesseer je financiers om in de buidel te tasten? Betrek ze vanaf het allereerste begin bij de plannen. ‘Financiering is nog veel te vaak een sluitpost.’

Door Tijdo van der zee

‘Geld is het probleem niet, er liggen bij fondsen en private equity-bedrijven miljoenen ongebruikte euro’s te wachten op het juiste project. Maar veel ontwikkelaars zijn niet in staat legitieme zorgen weg te nemen en een degelijke  business case  te presenteren’, zegt Ronald Huisman, universitair hoofddocent aan de Erasmus School of Economics. Auke de Boer, manager ING Groen Financieringen kan dat beamen: ‘Duurzame projecten zijn best te financieren, maar banken hebben moeite met onzekerheid.’

Onzekerheid en risico zijn verschillende grootheden. Huisman: ‘Er kan een bom vallen op je duurzame project. Dat is onzekerheid. Maar wanneer een ontwikkelaar een eerlijke inschatting maakt van wat er allemaal fout kan gaan in het proces, maak je onzekerheid voorspelbaar en geef je de potentiële investeerder de mogelijkheid een inschatting te maken van de risico’s. Op basis hiervan kan dan een weloverwogen beslissing genomen worden. Vaak krijgt de investeerder een rommelig Excel-sheet onder ogen met de verwachte kasstromen. Of hij even wil betalen.’ Wanneer je de risico’s van een project kent, zijn deze ook te managen. ‘Je weet dan aan welke knoppen je moet draaien als de zaken niet goed lopen,’ vult De Boer aan.

Grote energiebedrijven als Essent, Nuon en Eneco kunnen duurzame energieprojecten vaak grotendeels met eigen vermogen betalen en het project beheren vanuit een zogenoemde balansfinanciering, waarbij de risico’s voor eigen rekening zijn. Een kleine rondvraag op het Warmtecongres in Eindhoven levert de kennis op dat een groot deel van de aanwezigen die bezig zijn met het opzetten van een warmtenetwerk – waarbij huizen of bedrijven met restwarmte of aardwarmte worden verwarmd – bij een kleiner bedrijf werkzaam is. Dergelijke bedrijven zijn voor hun financiering veel meer afhankelijk van vreemd vermogen. In dat geval komt projectfinanciering in beeld, waarbij de risico’s voor rekening zijn van de financiers. ‘Daarbij gelden strakke regels, waardoor we snel kunnen ingrijpen’, stelt De Boer. De ING heeft een voorkeur voor bewezen technieken in plaats van innovatieve ontwerpen en ook juridisch stevige leveringscontracten. En verder: er moet een goed vooruitzicht zijn op inkomsten. De Boer: ‘Nog altijd geldt:  Cash is King! Men moet in staat zijn met de kasstroom rente en aflossing te betalen.’ Maar ook de ING heeft geleerd van de economische crisis en denkt dus wel twee keer na alvorens over te gaan tot een lening. Wie dat lukt, kan vervolgens wel profiteren van de gunstige groenlening, ‘waarbij de rente tot 100 basispunten lager ligt, en dat kan net dat zetje zijn dat het project nodig heeft.’ Deze groenlening geldt overigens alleen voor ‘groenprojecten’ die door het Agentschap NL van Economische Zaken zijn goedgekeurd. Deze zeggenschap heeft het ministerie omdat de lagere rente deels wordt gefinancierd door het Rijk. De ING hoeft groenspaarders namelijk minder rente te betalen zonder dat deze erop achteruit gaan, omdat spaarders fiscale voordelen genieten bij groen sparen.

Econoom Ronald Huisman ondervond na onderzoek naar de financieringsperikelen rond verscheidene warmteprojecten dat er voor geld te vaak alleen gekeken wordt naar banken. Private equitybedrijven, pensioen- en beleggingsfondsen hebben echter ook veel geld te besteden. Welke geldbron je aanboort zou volgens Huisman afhankelijk kunnen worden gemaakt van de fase waarin het duurzame project zich bevindt. Huisman onderscheidt vier fasen. Ten eerste het begin van het project, gekenmerkt door zeer hoge onzekerheid. Vervolgens gaat het project van start. Ook deze fase kent nog veel onzekerheid, maar er is ook een grote toename van kennis, oftewel waardeontwikkeling. In fasedrie is het warmtenet in bedrijf. De onzekerheid is inmiddels laag en het geld begint binnen te stromen. Ten slotte kan het project worden uitgerold naar andere warmtenetten. Daarbij komt de opgebouwde kennis van pas. Huisman: ‘In deze laatste fase kapitaliseert men de waardestijging uit fase twee. Ontwikkelaars zouden bij projectfinanciering deze waardestijging moeten benadrukken. Met kasstroom trek je een bank over de streep, maar waardestijging interesseert fondsen en private equitybedrijven veel meer.’

Financiering door de markt is het meest ideaal, want veel minder afhankelijk van telkens veranderende regelgeving. Toch staan of vallen de meeste projecten bij een of andere vorm van overheidssteun. Dat is vaak de SDE (Stimuleringsregeling duurzame energieproductie), maar ook de EIA (Energie-investeringsaftrek), KIA (Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek), VAMIL (Willekeurige Afschrijving Milieu-investeringen), een garantieregeling of MIA (Milieu-investeringsaftrek) komen al naar gelang het soort project in aanmerking. ‘Voor een bank zijn de risico’s vaak toch te groot om alleen te dragen’, zegt De Boer.

Bron: Groen Akkoord, SDU Uitgevers, oktober 2010

Eurostat goochelt met groeicijfers duurzame energie

Eurostat geeft een verkeerde voorstelling van de groei van het aandeel duurzame energie in Europa in 2009. Onduidelijk is hoe hoog die precies is, maar vermoedelijk een stuk lager dan de 8,3% waarover het Europese statistiekbureau Eurostat rept in het rapport ‘Statistical aspects of the energy economy in 2009’. Dit bevestigt een woordvoerder van het CBS.

Door Tijdo van der Zee

In het rapport wordt in de tabellen een onderscheid gemaakt tussen energie uit water en wind enerzijds en biomassa, afval, zonne-energie en geothermische energie anderzijds. De eerste categorie laat een toename zien van 33,0 miljoen ton olie-equivalenten (Mtoe) in 2008 naar 35,7 Mtoe. Een toename van 2,7 Mtoe, ofwel 8,3% (waarbij Eurostat rekent met meerdere cijfers achter de komma). De tweede categorie bedroeg in 2008 109,8 Mtoe. Ten tijde van het opstellen van het rapport waren echter de cijfers voor deze categorie voor 2009 nog niet binnen en dus hanteert Eurostat een schatting: 109,8, oftewel even veel als in 2008.

In het begeleidende taartdiagram telt Eurostat deze categorieën bij elkaar op tot 145,5 Mtoe. Dit is goed voor 18,4% van de totale Europese energieproductie. Maar Eurostat begaat de fout om het groeipercentage van de eerste categorie te extrapoleren naar de gecombineerde categorie. Als hier al een groeipercentage aan te koppelen zou zijn, dan zou dat uitkomen op een veel bescheidener 1,9%. Maar eigenlijk is het niet mogelijk om een groeipercentage aan te geven, omdat voor de tweede categorie een schatting is gegeven. Kleine schommelingen in 2009 in deze veel grotere categorie hebben een veel grotere invloed op het groeicijfer van de gecombineerde categorie dan de categorie ‘water en wind’.

De IEA, International Energy Agency, heeft de harde gegevens van hernieuwbare energie in Europa voor afgelopen jaar vermoedelijk wel paraat, maar deze organisatie was vooralsnog niet bereikbaar voor commentaar. Het CBS is echter stellig. ‘Dit is gewoon een fout’, aldus de CBS-woordvoerder, ‘Het CBS zou dit niet zo gedaan hebben.’

Overigens is het volgens het CBS niet erg waarschijnlijk dat de categorie ‘Biomassa, afval, zonne-energie en geothermische energie’ erg is gegroeid het afgelopen jaar. ‘In Nederland wordt wel wat meer biomassa bijgestookt in elektriciteitscentrales, maar de bulk van deze categorie wordt gevormd door meestook van biomassa in de industrie en hout in kachels in andere delen van Europa. En dat is eigenlijk al jaren constant’, aldus de CBS-woordvoerder.

Link naar Eurostat rapport ‘Statistical aspects of the energy economy in 2009’

Bron: EnergieGids.nl augustus 2010

Duitse zeewindparken naar Nederlands ontwerp

Tien vergunninghouders voor windparken in het Nederlandse deel van de Noordzee krijgen binnenkort te horen of zij in aanmerking komen voor subsidie. Energieadviesbureau KEMA ontwerpt voor het Duitse energiebedrijf EnBW scenario’s voor twee windparken in het Duitse deel van de Noordzee. De financiële en wettelijke condities daar zijn gunstig: toch is ook bij onze oosterburen wind op zee complexe materie.

Door Tijdo van der Zee

KEMA kreeg in februari te horen dat het de aanbesteding had gewonnen voor de zogenaamde Front End Engineering Design Study (FEED-studie) voor twee windparken 85 kilometer ten noorden van het Duitse Waddeneiland Borkum. De totale capaciteit bedraagt 1200 MW (4,5 miljard kWh per jaar) op een oppervlakte van 105 km2 en een zeediepte van tussen de 38 en 40 meter diepte. “Deze gegevens maken het project uniek”, zegt projectleider Han Cleijne van KEMA. Om te beginnen met de diepte: die zorgt er voor dat de gangbare monopile waarschijnlijk niet voldoet. Die zal te veel gaan zwiepen. Cleijne: “Daarnaast is de kans aanwezig dat de draaifrequentie van de wieken gaat interfereren met de toren. Die belasting kan een windturbine niet te lang aan.” Daarom zal KEMA een toren met een vakwerkconstructie adviseren, of wellicht een lasconstructie met drie poten. Het is nog een te vroeg stadium om het te hebben over merken, maar Cleijne ziet molens voor zich met een vermogen van 3 tot 6 MW.

Overpad
Voor chaotische types is de planning van een windpark op zee een organisatorische nachtmerrie. Op de bodem van de zee liggen al vele kabels, zoals datakabels, maar ook de NorNed-kabel [de grote onderzeese stroomkabel van Noorwegen naar Nederland] loopt van noord naar zuid dwars over de percelen van EnBW. “En in principe geldt het recht van diegene wiens kabel er het langst ligt”, aldus Cleijne. Om de molens van oost naar west toch te kunnen koppelen moet er een soort recht van overpad verkregen worden, wat in dit geval waarschijnlijk overigens onderpad wordt, omdat Cleijne vermoedt dat er onder de NorNed-kabel heen gegraven wordt. Verder mag er vijfhonderd meter aan beide kanten van de NordNed niet gebouwd worden om werkzaamheden aan de kabel mogelijk te maken. Verder zijn er onder meer scheepvaartroutes, visgronden en militaire zones waar rekening mee moet worden gehouden. Ook de planning rond de inzet van materieel is een uitdaging. Net als in de wereld van pv-panelen is ook de windsector een markt waar de vraag hoger ligt dan het aanbod. “Iedereen zit aan dezelfde producenten te trekken. Van het juiste schip om dergelijke windturbines te plaatsen zijn er enkele in de wereld. Het kan geen kwaad om hier al jaren van tevoren contracten mee af te sluiten”, stelt Cleijne. Verder is de afstand van 80 kilometer uit de kust stevig te noemen, met name ook vanwege de hoge golven en harde wind die op dit stuk van de Noordzee voorkomen. Dat betekent dagelijks een ongemakkelijke reis met de boot van vier uur, die in slechte weersomstandigheden lang niet altijd door kan gaan.

Randvoorwaarden
Het moge duidelijk zijn: KEMA maakt de ontwerpscenario’s en EnBW doet de investeringen. Toch vormt één financiële factor de belangrijkste randvoorwaarde voor het ontwerp van de windparken. Deze moeten namelijk vóór eind 2015 aangelegd zijn, zodat ze nog kunnen profiteren van de hoge kWh-prijs van 15 cent. “Daarna gaat de vergoeding terug naar 13 cent. Dat scheelt meer dan 10 procent en kan de business case dus maken of breken”, zegt Cleijne. In Duitsland geldt een vast feed-in tarief voor 20 jaar en eens in de vier jaar wordt dat tarief geëvalueerd, Tussentijds wordt het tarief voor nieuwe parken met 2 procent per jaar verlaagd. Het 2 cent hogere tarief van 15 cent krijgen ontwikkelaars een als premie voor het snel ontwikkelen van een park. Een andere belangrijke randvoorwaarde is de garantie op de netaansluiting door Transpower, sinds kort onderdeel van TenneT, die in ieder geval loopt tot 2015. Die verplichting voor de hoogspanningsbeheerder loopt tot vlak bij het park, tot aan het transformatorstation, die de lagere wisselspanning in het windpark omzet naar de hogere spanning waarmee de stroom wordt getransporteerd. Ook in Nederland heeft het er alle schijn van de TenneT de verantwoordelijkheid krijgt om de windparken te ontsluiten. “Dat was ook één van de adviezen vanuit de werkgroep SEIN, waarvoor KEMA de Nederlandse offshore winddoelstellingen heeft onderzocht. Om de Nederlandse doelstelling van 6000 MW in 2020 te halen, is een snelle beslissing van de overheid hierover vereist.”

Interconnecties
Onlangs besloot een consortium van 10 private ondernemingen dat het tijd is om een supergrid op de Noordzee te bouwen, waaraan alle windparken gekoppeld kunnen worden. Ook in het geval van de twee windparken ten noorden van het eiland Borkum zou een interconnectiemogelijkheid zijn: namelijk met de drie toekomstige windparken in het Nederlandse deel van de Noordzee ten noorden van Schiermonnikoog. Deze liggen namelijk maar enkele kilometers van elkaar verwijderd. Toch ziet Cleijne dat niet snel gebeuren: “We hebben daar wel naar gekeken. Maar je zit dan toch weer met de jurisdicties van twee verschillende landen. Er is een afspraak tussen landen dat men elkaar informeert over plannen. Maar vooralsnog komen er gewoon twee aanlandingspunten: één in Nederland en één in Duitsland.” Met interesse kijkt Cleijne wel naar verschillende windparkeninitiatieven in het Kriegersvlak tussen Denemarken en Zweden. Daar broeden Svenska Kraftnät and Energinet.dk en Vattenfall op mogelijkheden om deze gezamenlijk te ontsluiten. “Erg interessant, maar wij hebben de handen vol aan de grote hoeveelheden stroom uit de individuele windparken.”

Bron: EnergieGids.nl april 2010

Business case bio-etheen in etheenleiding dichtbij

De Sociaal Economische Raad (SER) presenteert dit najaar een advies over de toekomstige rol die biomassa in Nederland kan spelen in de duurzame economie. Te verwachten is dat daarin staat dat juist in Nederland de ‘biobased economy’ een goede kans maakt. Eén manier om snel en relatief goedkoop een stap in deze richting te zetten is het vergroenen van transportleidingen. Groen gasinjectie in het gasnet met bijbehorend certificeringsysteem is afgelopen jaar van start gegaan. Analoog aan dit systeem is ook de grote Noordwest-Europese industriële etheenleiding te vergroenen, zo denkt het Platform Groene Grondstoffen. Een business case is in de maak en potentiële investeerders zijn geïnteresseerd.

Door Tijdo van der Zee

Etheen is een van de belangrijkste grondstoffen in de chemische industrie. In Noordwest Europa is in 1969 door het Aethylen Rohrleitungs Gesellschaft (ARG) een leiding aangelegd die de chemische industrie en raffinaderijen in Antwerpen via Keulen met het Ruhrgebied verbindt. Vanuit Antwerpen loopt vervolgens de RC2-lijn, een onderneming waarin ARG en het Havenbedrijf Rotterdam ieder de helft van de aandelen hebben, naar het noorden naar Moerdijk en Pernis. Vanaf de aanleg in 1969 is het transportvolume in het netwerk gestaag gegroeid naar meer dan 2 miljoen ton in 2009. Voor de komende jaren wordt echter een lichte daling verwacht. De capaciteit van de leiding bedraagt 2,5 miljoen ton per jaar.

Veelbelovend
In de uitgave ‘Speerpunten voor 2010’ van het Platform Groene Grondstoffen zegt voorzitter Ton Runneboom dat “de ambitie om 30 procent van de fossiele grondstoffen te vervangen door groene grondstoffen, haalbaar is en bovendien een enorme impuls geeft aan de Nederlandse economie.” Bio-etheen injectie komt in de uitgave als veelbelovend naar boven. In 2009 heeft het platform de haalbaarheid van bio-etheen in de pijpleiding onderzocht en in 2010 legt het platform contact met partijen die een bio-etheenfabriek in Nederland zouden kunnen realiseren.

Groene shampoofles
Uit deze onderzoeken blijkt dat er verschillende randvoorwaarden nodig zijn om van een bio-etheenfabriek een succes te maken. Ten eerste dient de invoerbelasting op bio-ethanol afgeschaft te worden. Die ligt momenteel tussen de 10 en 20 cent per liter; te hoog om te kunnen concurreren met fossiele grondstoffen die belastingvrij worden geïmporteerd en dus zijn er gesprekken gaande met de Europese Commissie om hier verandering in aan te brengen. Ook zal de olieprijs op het huidige peil moeten blijven of een beetje moeten stijgen. Daarnaast gaat men er vanuit dat een klein deel van de consumenten (5 procent) bereid is om een iets hogere prijs – een green premium – te betalen voor het product. Een ‘groene’ shampoofles kost iets meer dan een ‘grijze’. Uit het onderzoek komt echter wel naar voren dat een meerprijs van 20 procent van bio-etheen ten opzichte van gewoon etheen uiteindelijk in het consumentenproduct is verwaterd tot een acceptabele meerprijs van ten hoogste enkele procenten.
Ten slotte is er massa nodig. Een fabriek moet een capaciteit hebben van tussen 200.000 en 500.000 ton jaarlijks. Ton Runneboom: “Dat maakt injectie in het etheennet, waar een jaarlijkse capaciteit van 12 miljoen ton etheen aan is gebonden, zo interessant: bio-etheen zal in een bedrijf vooralsnog in een klein deel van de totale etheenbehoefte voorzien zodat men alleen die consumenten kan bedienen die de green premium bereid zijn te betalen, net als bij groene stroom. Maar als er vele bedrijven een klein beetje afnemen, hebben wij een business case. Je ziet dat grote bedrijven als Wal Mart, Coca Cola, Pepsi en Albert Heijn er veel aan is gelegen te vergroenen. Zij vertalen de consumentenwens van vergroenen in haalbare producten en zijn zodoende de drijvende krachten om een dergelijk bio-etheenproject mogelijk te maken.”

Swap
Procestechnisch hoeft er voor bedrijven niets te veranderen bij de inzet van bio-etheen. Het product heeft namelijk exact dezelfde moleculaire structuur. Chemiebedrijf DSM zou een afnemer kunnen zijn. Hoewel het bedrijf aangeeft dat het na de verkoop van het SABIC-deel nog maar erg weinig etheen nodig heeft, gebruikt het de grondstof wel om een product te fabriceren waarbij duurzaamheid een grote meerwaarde zou kunnen hebben. Neem bijvoorbeeld Dyneema, dat is een supersterke vezel die wordt verwerkt in bijvoorbeeld kogelvrije kleding voor het leger en de politie. Deze twee overheidsinstanties zijn sinds begin dit jaar verplicht duurzaam in te kopen en daarbij past het als Dyneema van bio-etheen wordt gemaakt. Rob Rijlaarsdam, inkoopmanager van DSM volgt de biobased ontwikkelingen op de voet. “Ik juich de ontwikkeling toe. We verrichten er zelf ook studie naar, maar ik kan er verder mede om concurrentieredenen niet veel meer over zeggen”, aldus de inkoopmanager. Rijlaarsdam geeft wel aan dat het vrijwel onmogelijk is om daadwerkelijk groene moleculen de fabriek binnen te halen, aangezien de koop en verkoop van etheen bestaat uit een ‘swap’, een administratieve handeling die er wel in voorziet dat er evenveel etheen ingepompt is als er uitgehaald wordt, maar die niet gekoppeld is aan een echte fysieke overdracht.
Ton Runneboom van het Platform Groene Grondstoffen denkt daar ook zo over omdat hij ook denkt dat een dergelijk bovengenoemd ‘massabalans’-systeem het best uitvoerbaar is maar hij geeft ook aan dat het met de koolstof-14-analyse technisch mogelijk is om bio-etheen van fossiel etheen te onderscheiden. “Bovendien moet het mogelijk zijn bio-etheen in aparte pakketjes door de leiding sturen. Dat zou een mogelijke rol kunnen spelen in de marketing van bedrijven.”

Lege handen?
Rotterdam is een voor de hand liggende haven voor een bio-etheen fabriek, maar ook Antwerpen heeft een aantal voordelen. Ton Runneboom: “Rotterdam gooit hoge ogen. De haven heeft nu al de grootste bio-ethanolinfrastructuur.” Volgens Runneboom is de haven de grote trekker van het project. Maar de haven laat niet het achterste van zijn tong zien. “Voordat je het weet, praten we alleen nog over vergevorderde plannen om plannen te maken’, zegt een woordvoerder. Maar, zo voegt hij er aan toe: “Natuurlijk oriënteert Rotterdam zich op een olieloos tijdperk en zijn we geïnteresseerd in de productie van bio-etheen, want dan maken we weer een stapje in de bio-cluster.” Zou het kunnen dat Antwerpen dan meer te bieden heeft? Feit is dat de Vlaamse haven het knooppunt is in het etheennetwerk en dat Rotterdam in zekere zin aanhaakt op de grote leiding. Of een fabriek nu in België of Nederland wordt gebouwd, in ieder geval verwacht Runneboom dat deze in 2013 operationeel zou moet kunnen zijn “maar dan moet de chemische industrie wel snel toegang krijgen tot ethanol op wereldmarktprijzen want als Europa achter hoge invoerbarrières blijft zitten voor de chemie dan gebeurt er helemaal niets.”

Bron: EnergieGids.nl sept 2010

‘Belgische offshore windparken waarschijnlijk op dezelfde exportkabel’

De toekomstige Belgische offshore windparken Northwind –dat tot voor kort onder de naam Eldepasco bekend was– en Belwind II krijgen waarschijnlijk een gezamenlijke 240 kV wisselstroomkabel naar land. Dat zegt directeur Frank Coenen maandag tegen Energeia.

Door Tijdo van der Zee

“De kans is 80%”, schat Coenen, “de grootste onzekerheid is van technische aard: een dergelijke drie-aderige kabel van 50 kilometer lengte is nog niet eerder op de zeebodem gelegd. Er zijn verschillende bedrijven geïnteresseerd in de klus, maar zij moeten de kabel eerst nog ontwerpen.” Maar, zo beweert Coenen, “de beslissing wordt op zeer korte termijn genomen”.

De optie die de grootste kans heeft is een kabel van land naar het hoogspanningsstation van Northwind en vandaar 10 kilometer verder naar het station van Belwind II. “Dit zou een aanzienlijke verhoogde efficiëntie betekenen ten opzichte van een situatie van twee exportkabels naar land”, aldus Coenen. Hoe groot ‘aanzienlijk’ is, kan Coenen niet zeggen. “Daarvoor is het nog te vroeg.” Coenen voegt er aan toe dat de conventionele oplossing, van twee keer een eigen 150 kV-kabel naar land, ook nog “op tafel ligt”.

Vorig jaar lieten aandeelhouders Electrawinds en Depret zich uitkopen uit windpark Eldepasco, dat vanaf dat moment nog gedragen werd door Colruyt (67%) en Aspiravi (33%). De naam Eldepasco is een samenvoeging van de eerste letters van de vier bedrijven die het project begonnen. “Maar nu er nog twee over zijn, is Eldepasco geen goede naam meer. Daarom hebben we gekozen voor Northwind”, zegt Coenen. In februari maakten de overgebleven aandeelhouders ook bekend dat Frank Coenen, met zijn bedrijf Incontrol, de dagelijkse leiding zou nemen over het project. Coenen was eerder verantwoordelijk voor de bouw van Belwind I. Coenen voert ook het bewind over Belwind II. Hij vindt het logisch dat er met de twee parken gestreefd wordt naar synergie. “Niet alleen met techniek, maar ook op het gebied van werknemers en financiering.”

Volgens Coenen zijn Northwind en Belwind II straks goed voorbereid voor de verdere ontwikkeling van het onderzeese hoogspanningsnet, waarbij alle acht offshore windparken in de Belgische wateren op elkaar kunnen worden aangesloten. “Hoogspanningsnetbeheerder Elia wil ook met 240 kV wisselstroom gaan werken.” Tenminste, indien besloten wordt dat Elia verantwoordelijk wordt voor het net op zee. “Het is nog niet geheel duidelijk of Elia het moet doen.”

Northwind wordt gebouwd op de Bank Zonder Naam en krijgt een vermogen van 216 MW. De molens van Belwind II staan straks met hun voeten in het zand van de Bligh Bank en leveren 165 MW.

Het initiatief van Belwind en Northwind om hun parken te koppelen is een eerste kleine stap in de richting van een zogenaamd supergrid op de Noordzee, waarbij nationale windparken geclusterd zijn. Deze clusters zijn vervolgens onderling ook weer verbonden met hoog spanningskabels op de bodem van de zee. Zo ontstaat één groot internationaal netwerk. Jan Declerq, van lobbyclub Friends of the Supergrid, schetste donderdag op de Navingo Offshore Wind Installation and Maintenance Conferentie in Rotterdam hoe de verschillende ontwikkelingsstadia van zo’n supergrid (zie figuur) er uit zien. Hij zegt over het Belgische initiatief: “Daar zit veel logica in.” Overigens is het volgens Declerq niet het enige koppelingsproject. “Ook in Nederland en Engeland zijn gesprekken gaande tussen verschillende partijen.” Er zijn echter behoorlijk wat technische en wettelijke belemmeringen. Allemaal wel op te lossen, volgens Declerq, alleen vindt men het vaak moeilijk “het stukje onafhankelijkheid op te geven”.

Verschenen in Energeia, 30 mei 2011

Zelf naar China om duurzame keten te waarborgen

Groenendijk Bedrijfskleding vestigde zich met bedrijfsonderdeel From Scratch in China om greep te krijgen op de duurzaamheid van de productielijn en om kosten te besparen. Deze duurzame ketenbenadering is een belangrijke pijler van het MVO-beleid van Groenendijk. Ook energiebesparing maakt integraal onderdeel uit van de bedrijfsvoering.

Door Tijdo van der Zee

Op het dak van het hoofdkantoor van Groenendijk Bedrijfskleding in Woerden liggen zonnepanelen. De opbrengst hiervan wordt met een display van het voormalige Ecostream ‘real live’ in de showroom aan klanten en personeel getoond. “Zonnepanelen moet je natuurlijk communiceren, dit werkt uitstekend”, zegt directeur Marien Groenendijk.
Als er een lijst was voor MKB’ers met duurzame energie-oplossingen in het bedrijfspand, dan kon Groenendijk ze bijna allemaal afvinken. Zonnepanelen op het dak, groene stroom van Green Choice die energieslurpers als borduur-, bedruk-, en naaimachnes vergroent, goede schilisolatie, bewegingssensoren voor het licht in de magazijnen met de zogenaamde ‘slow movers’, energiezuinige airconditioning, led-verlichting (zelfs in de showroom) en binnenkort waarschijnlijk T5 tl-buizen en de opdracht voor werkploegen om het licht uit te doen als een bepaalde ruimte die dag niet meer wordt gebruikt. Verder wordt er nagedacht over een WKO-systeem bij de komende nieuwbouw en nog meer zonnepanelen. En de computers moeten wanneer deze niet gebruikt worden in de standby-stand gezet worden. Groenendijk: “Dat scheelt energie, maar is ook handig voor toegang tot de computers voor updates en back-ups. Het personeel krijgt hierover regelmatig e-mails. Onze mensen hebben duurzaamheid in de genen, maar toch blijft regelmatig communiceren heel belangrijk.” Investeringen worden niet ineens gedaan, maar gefaseerd, meestal bij vervangingsmomenten. Groenendijk: “Ze moeten wel financieel verantwoord zijn.”

Keten
Naast interne duurzaamheid is een duurzame productielijn voor Groenendijk cruciaal geweest voor de bemachtiging van de gewenste ISO 14000-certificering. Om daar zicht op te houden koopt het bedrijf vooral kleding in met duurzaamheidskeurmerken zoals het Europese Ecolabel, waarin onder meer criteria zijn opgenomen over de hoeveelheid energie die wordt gebruikt tijdens het productieproces. Voor de productie in China gebruikt Groenendijk biokatoen en gerecyclede plastic flessen. Maar het bleek dermate lastig om die kwaliteit te kunnen waarborgen, dat het bedrijf zich er met From Scratch zelf ging vestigen. Nu is er continue controle. “In China vragen ze zich af waarom we die gekke grondstoffen gebruiken”, zegt Groenendijk. Bijkomend, en essentieel, voordeel is dat Groenendijk hiermee de dure tussenhandel omzeilt en zo, ondanks de hogere productiekosten, toch prijsconcurrerende producten aan kan bieden.

Duurzaam inkopen
Overheden moeten sinds januari verplicht duurzaam inkopen, maar uit onderzoek blijkt dat daar nog maar weinig van terecht komt. Dat merkt ook Marien Groenendijk: “Het mag niks extra’s kosten. Meestal zijn de keuzes voor 90 procent gebaseerd op geld. Defensie geeft expliciet aan dat duurzame producten niet meer dan 5 procent duurder mogen zijn. Ik zie het huidige beleid duidelijk als ‘duurzaam inkopen versie 1.0’. Versie 2.0 moet ons van de kinderziektes verlossen.”

Gelukkig hoeft duurzame stimulering niet alleen van de overheid te komen. Ook grote bedrijven kijken steeds meer naar de duurzaamheid van hun inkoopbeleid. Daarvan plukt Groenendijk ook de vruchten. Zo steekt het bedrijf binnenkort alle dealers van Yamaha in Europa in duurzame werkkleding.
Er schuilt een zeker idealisme in duurzaam ondernemen. “Ik besef dat ons initiatief een druppel op de gloeiende plaat is”, zegt Groenendijk hierover. Toch legt het hem geen windeieren. Groenendijk is lid van de MVO-koplopersgroep van het MKB en zit in het stakeholdersoverleg duurzaam inkopen voor de bedrijfstak bedrijfskleding. Die netwerken geven Groenendijk een voorsprong op zijn concurrenten. Netwerken is niets nieuws onder de zon. “Ik zie duurzaam ondernemen dan ook als modern, onderscheidend, ondernemen.”

Bron: EnergieGids.nl feb 2010

Paardenvlees of hypotheken: het is één pot nat

Er zit paardenvlees in de diepvrieslasagnes. Ook spaghetti bolognese, hamburgers en Zweedse balletjes ontkomen niet aan een portie paard. Het vleesschandaal doet denken aan die andere geflopte husseltruc: de Amerikaanse hypotheekcrisis.

Door Tijdo van der Zee

Leek het probleem zich aanvankelijk te beperken tot Ierland en Groot-Brittannië, inmiddels heeft de paardenvleesaffaire zich over heel Europa uitgespreid en hebben ook Nederlandse supermarkten producten uit de schappen gehaald.

Dubieuze handelaren mengen goedkoop paardenvlees met duurder rundvlees, doen er een mooi wikkel om en verkopen het als 100 procent bief. Voor het volle pond natuurlijk. Makkelijk verdiend.

Waar doet dat principe toch aan denken? In 2007 leidde de ontmaskering van de Amerikaanse hypotheekfraude tot de grote mondiale economische crisis waar we nu nog steeds middenin zitten.

Want wat gebeurde daar? Vanuit de theorie dat de huizenprijzen altijd zouden blijven stijgen, smeerden banken miljoenen volstrekt onvermogende Amerikanen een hypotheek aan.

Overwaarde
Mocht het hen tegenzitten dan konden ze nog altijd hun huis met overwaarde verkopen. En anders kon de bank beslag leggen op het waardvolle bezit. Dat je nauwelijks betaald werk hoefde te hebben om een hypotheek te krijgen, daar had je het niet over.

Iedereen in de financiële wereld wist wel dat deze hypotheken geen schoonheidsprijs verdienden en een zeker risico in zich droegen. Maar daar is de prijs dan ook naar. Die is namelijk afhankelijk van het risico dat aan die leningen hangt.

Banken en andere financiële partijen verkopen zulke leningen aan elkaar. Dat is de gewoonste zaak van de wereld. Maar handige jongens hadden die slechte hypotheken vermengd en gehusseld met mooie dure producten, er een strikje omgedaan en ze verkocht alsof het godsgeschenken waren.

Niemand die het verschil kon of wilde zien: totdat sommige arme huiseigenaren in de problemen kwamen en hun hypotheek niet meer konden betalen.

Toen bleek dat zo’n beetje iedereen geïnfecteerd was; de hypotheekpakketjes hadden een weg gevonden naar de portefeuilles van banken over de hele wereld. Het financiële verkeer kwam piepend en krakend tot stilstand.

Vleeskeuze

Weer terug naar het paardenvlees. Is het erg dat we paardenvlees eten? Niet echt, als je tenminste niet erg principieel bent in je vleeskeuze. Misschien moeten we maar eens afstappen de poten van het paard benen te noemen.

Ook lijkt het in de discussie niet werkelijk te gaan om het voor mensen giftige middel fenylbutazon, dat sommige paarden krijgen toegediend ter voorkoming van reuma.

Wij maken ons vooral druk om het feit dat we gefopt worden. We krijgen niet te eten wat het etiket ons vertelt. Wat hebben we op die manier aan etiketten? Niks!

Husselen

Net als bij de hypotheken in Amerika, wordt vlees in Europa gekocht, verkocht en weer doorverkocht. Gemengd en gehusseld, net zolang tot niemand meer kan achterhalen waar en van welk beest het vlees afkomstig is.

De keten van het Europese vlees is lang en loopt zoals het nu in kaart gebracht is en niet per se in deze volgorde, van Zweden naar Groot-Brittannië naar Ierland, Frankrijk, Polen, Nederland, Roemenië en Cyprus.

Het punt is dan: wie is verantwoordelijk? Is dat de consument? Als hij namelijk gewoon een biefstuk koopt, in plaats van ondefinieerbare stukjes vlees in ondefinieerbare lasagnes, dan zit hij zeker goed. Eigen schuld, dikke bult.

Maar ja, biefstuk is prijzig. In een peiling van de BBC gaf dan ook slechts een derde van de ondervraagden aan door de fraude voortaan minder verwerkt vlees te gaan eten.

Of zijn de supermarkten verantwoordelijk? Uiteindelijk zijn zij de eindverkoper van het product. Of ligt de bal toch bij de handelaar die zijn spullen aan de supermarkt verkoopt?

Bessen plukken

Als kleine jongen moest ik vaak bessen plukken van mijn ouders. De tuin stond vol met rode-bessenstruiken die aan het eind van de lente allemaal tegelijk vrucht droegen. Voor ik mocht gaan voetballen moest ik in die periodes eerst een emmertje vol bessen plukken.

Om een beetje snel klaar te zijn stopte ik tussen de rode bessen hier en daar wat bladeren. Geen hond die het merkte, dacht ik. En hup, weg was ik.

Maar soms trok m’n moeder mij aan m’n oor. Dan moest ik er nog een emmertje bij plukken, voor straf, en zonder bladeren. Zij had mijn husselfraude wel door, helaas.

Het verschil met die andere twee fraudes heeft vooral te maken met de lengte van de keten. Die was in mijn geval tamelijk kort en helder.

Bij vlees en hypotheken gaan de producten zo vaak van hand tot hand, dat op den duur niemand meer verantwoordelijk is. Dan weet je zeker dat je genaaid gaat worden.

NUzakelijk.nl