Alle berichten door Tijdo van der Zee

Freelance Journalist

Omkering ventilatiesysteem maakt concertzaal zuiniger

Bij de renovatie van de Grote Zaal van het Rotterdamse Concert- en congresgebouw De Doelen is het ventilatiesysteem omgekeerd, een ingreep die veel energie bespaart. Ook zijn op verschillende plekken led-lampen aangebracht. Het zijn technische maatregelen in een breder pakket van duurzaamheidsbeleid, die De Doelen op den duur een Green Key-certificaat moeten opleveren.

door Tijdo van der Zee

De Doelen in Rotterdam is een ontwerp van de gebroeders Kraaijvanger en is een typisch staaltje wederopbouwarchitectuur: functionalistisch, ruim bemeten en met degelijke materialen als beton en natuursteen. Toch was de Grote Zaal enige jaren geleden aan een renovatie toe, onder meer omdat de grote hoeveelheden asbest in het pand verhinderden dat apparatuur netjes in het plafond kon worden weggewerkt, waardoor het geheel een rommelige aanblik bood. Ook de luchtschachten van het ventilatiesysteem bestonden uit asbest.

Omgedraaid
Op initiatief van de projectleiding (in handen van het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam en de Doelen) werd lopende het project besloten het ventilatiesysteem om te draaien. In plaats van met een snelheid van 5 m/s vanuit het plafond, wordt de ventilatielucht nu vanonder iedere stoel met een snelheid van 0,5 m/s de ruimte ingeblazen en afgevangen via schachten in de wand en het plafond. “Een enorme klus, omdat alle stoelen er uit moesten, om daaronder enkele plenumboxen te kunnen bouwen en ook moest onder iedere stoel en gat geboord worden door centimeters dik beton”, zegt Frank van Donkersgoed, hoofd Technische Dienst bij De Doelen. Maar het resultaat rechtvaardigt de ingreep, want door de natuurlijke luchtstroom te volgen – warme lucht stijgt op – kunnen de blowers een standje lager en wordt een aanzienlijke energiebesparing gerealiseerd. “Daarnaast verbetert het comfort, omdat er geen turbulentie ontstaat en daarmee een mogelijke ‘koudeval’. Daar klaagden gasten eerder wel eens over.”, aldus van Donkersgoed. Ook het geluidsniveau van het systeem is laag. Van Donkersgoed: “Al moet gezegd dat het even duurde voor de akoesticus en de W-adviseur op één lijn zaten”.

Kosten en planning
“De hele renovatie heeft 25 miljoen euro gekost”, zegt directeur Anton Vliegenthart. 75 procent van die kosten wordt gedragen door eigenaar van het gebouw, het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam. De overige 25 procent komt deels uit de exploitatie van de Doelen en is deels geworven bij fondsen en sponsors. “De gemeente Rotterdam zet met het Rotterdam Climate Initiative sterk in op duurzaamheid. Dat speelde een grote rol bij het realiseren van de meerkosten van energiebesparende maatregelen. En terugverdientijden? Onduidelijk, het is een langetermijnproject”, aldus Vliegenthart.
De laatste stap in het vijf jaar durende renovatieproject gebeurde in de maanden april tot september2009 en in die periode kon de Grote Zaal vijf maanden niet gebruikt worden voor concerten en congressen. Vliegenthart: “Dat moet je heel secuur plannen, want de agenda voor de Grote Zaal loopt al jaren van tevoren vol.”

Verlichting
Ook de verlichting is onder handen genomen. In de wanden zitten nu rode, groene en blauwe 1 W-leds in een strip en achter een diffuse plaat, wat een gelijkmatig schijnsel oplevert. Ook kan hiermee uitgelicht worden in verschillende kleuren. “Maar daarin zijn we terughoudend. We vinden dat niet passend”, zegt technisch manager Van Donkersgoed. Led-verlichting is ook terug te vinden bij de gangpaden en de stoelen, maar niet op het podium en de grote spots, waar nog gebruik gemaakt wordt van halogeen. Donkersgoed: “Er zitten hiaten in het kleurenspectrum van led’s en daarom is het daarvoor nog niet geschikt.”

Green Key
Over die led-verlichting voert hoofd evenementenwerving Diederik Waal discussie met de Green Key-organisatie. De Doelen zet in op bemachtiging van een certificaat, maar daarvoor moet meer energiezuinige verlichting worden toegepast. “Wij vallen in de categorie ‘congrescentra’, maar als concertgebouw kent De Doelen specifieke beperkingen”, zegt Waal. Daarom hoopt Waal dat Green Key specifieke richtlijnen zal ontwikkelen voor concertgebouwen. “In Londen is een interessant initiatief met Green Theatres. Die ontwikkeling volg ik aandachtig.” Een heel aantal maatregelen is echter al wel doorgevoerd en Waal vermoedt daarom weinig problemen wanneer binnenkort Green Key moet beoordelen of De Doelen het certificaat verdient. “Die problemen zijn vooral ook procedureel. We doen al heel veel, maar je moet ook alles netjes op papier hebben staan. Zo werkt Green Key en wij werken daar graag aan mee, want het verkrijgen van dit certificaat is een erkenning van onze duurzaamheid en een krachtig marketingtool.”

Bron: EnergieGids.nl

‘Klimaatsceptici beter gehoord in het IPCC’

Het internationale klimaatpanel IPCC moet beter naar klimaatsceptici luisteren, maar die sceptici moeten zelf ook beter hun best doen gehoord te worden, niet door harder te schreeuwen, maar door de juiste route te bewandelen. Verschillende wetenschappers adviseerden dit maandag tijdens een hoorzitting van de Tweede Kamercommissie van VROM over het klimaatpanel IPCC.

Het klimaatpanel kwam de laatste maanden in opspraak door fouten in het klimaatrapport uit 2007 en de manier waarop panelleden die in de doofpot probeerden te stoppen. De Tweede Kamer wilde het naadje van de kous weten en organiseerde maandag een hoorzitting die de hele dag duurde en waarbij wetenschappers van het IPCC, klimaatsceptici en wetenschapsjournalisten de gang van zaken probeerden te duiden.

Het vuistdikke klimaatrapport is in feite een samenvatting van alle relevante klimaatliteratuur die verschijnt in een bepaalde periode. Voor klimaatsceptici zijn er verschillende manieren om invloed te hebben binnen het IPCC. Dat kan ten eerste via publicaties in het rapport. Maar het klimaatpanel kiest voor het belangrijkste eerste deel van het rapport het liefst alleen publicaties die ‘peer reviewed’ zijn – die door collega’s van commentaar zijn voorzien in kwalitatief hoogwaardige bladen. Voor de IPCC-panelleden is dat het selectiemiddel om te bepalen of publicaties aan de wetenschappelijke normen voldoen. De klimaatsceptici menen echter dat zij geweerd worden door deze bladen, waardoor ook kansen opgenomen te worden in het rapport slinken. “Soms legden we publicaties van klimaatsceptici naast ons neer. We moeten beter uitleggen op welke gronden we dat doen”, moest Bert Metz, voormalig co-voorzitter van één van de IPCC-werkgroepen, toegeven.

Een andere methode om invloed te hebben op het rapport is kritiek te leveren op de eerste conceptversie via de zogeheten ‘expert review’-procedure. De panelleden in het IPCC zijn verplicht wat te doen met deze opmerkingen, ondanks de enorme hoeveelheden – bij het Vierde Assessment Rapport werden 29.000 commentaren ingeleverd. Maar klimaatscepticus Hans Labohm, één van de experts, verzekerde maandag dat hij nooit antwoord heeft gehad op zijn commentaren en dat de panelleden ook geen woord van zijn opmerkingen hebben verwerkt in het rapport.

Ten slotte kunnen klimaatsceptici proberen zitting te krijgen in één van de werkgroepen die het rapport samenstellen. Sceptici menen echter dat, als het al lukt om hier in te komen, hun standpunt ondergesneeuwd raakt omdat de uiteindelijke tekst gebaseerd is op consensus. “Consensus is een weeffout in het IPCC”, zei professor Salomon Kroonenberg van de TU Delft. Ook Wim Turkenburg, professor aan de Universiteit Utrecht en betrokken bij eerdere rapporten, vindt dat het IPCC te weinig aandacht schenkt aan sceptische klimaatgeluiden. “Ik denk dat dissensus onder de wetenschappers een grotere paragraaf in het rapport moet krijgen.”

Scepsis in het IPCC zou inderdaad meer erkenning moeten krijgen, vond ook Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving. Toch meent hij dat de selectiemethode voor artikelen via de peer reviewed tijdschriften een goede is. “Het is niet zo heel moeilijk. Er zijn naast Nature en Science nog talloze goede tijdschriften. Een goed verhaal wordt gewoon geaccepteerd, of dat nu sceptisch is of niet.”

Het is mede aan KNAW-voorzitter Robbert Dijkgraaf om de adviezen van de wetenschappers te wegen. Hij zal de komende maanden het onderzoek leiden naar de oorzaken van de fouten in het Vierde Assessment Rapport van het IPCC, zodat die kunnen worden vermeden in het volgende rapport, wat klaar moet zijn in 2014. Dijkgraaf gaf aan onder meer te kijken naar hoe de inhoudelijke input op het rapport via de ‘expert reviews’ beter op waarde kan worden geschat, ook die van de klimaatsceptici.

Bron: EnergieGids.nl/Tijdo van der Zee 20-04-2010

Software stuurt honderden warmtepompen in Haags appartementencomplex slim aan

In de Haagse nieuwbouwwijk Ypenburg verrijst appartementencomplex Couperus. Alle 288 woningen in dit complex krijgen een individuele warmtepomp, die straks deel uit maakt van een slim energienet. De pompen worden aangestuurd door lokale intelligente software, die rekening houdt met netcapaciteit en het aanbod van stroom. Deze automatische vraagsturing moet leiden tot lagere pieklasten.

Door Tijdo van der Zee

“Een belangrijke dag. Dit wordt namelijk het grootste slimme net met warmtepompen in Nederland”, zegt Jeroen de Swart, directeur van netbeheerder Stedin op de winderige zesde verdieping van complex Couperus, in een ruimte die over twee jaar een luxe loft zal zijn. Het appartementencomplex wordt gebouwd in Ypenburg, een nieuwbouwwijk in het oosten van Den Haag, in een oksel van het knooppunt Prins Clausplein. De wijk heeft zich ontwikkeld tot een soort proeftuin voor duurzame technieken en Couperus misstaat hier dan ook niet.

Het appartementencomplex telt straks 46 koopwoningen, 86 sociale huurwoningen en 156 vrije sector huurwoningen en allemaal zijn ze verstoken van een gasaansluiting. Warm tapwater en verwarming: het moet allemaal komen van 288 individuele warmtepompen van Itho Daalderop. Die pompen verwarmen aardwarmte van rond de 9°C uit ongeveer 145 warmte/koude-opslag (WKO)-putten.

Als de stroomvragende warmtepompen straks allemaal tegelijk gaan draaien, bijvoorbeeld ’s ochtends, wanneer de mensen opstaan, of wanneer men thuis komt van het werk, dan zorgt dat voor een behoorlijke pieklast. En op die pieklast moet het elektriciteitsnet zijn berekend. Voor die paar uurtjes topdrukte moeten dus dikkere kabels worden aangelegd. “De energievoorziening in Nederland wordt veel decentraler. Wij anticiperen daarop door de vraag te gaan sturen. Zo kunnen we voorkomen dat we overal dikke kabels moeten aanleggen”, zegt De Swart.

Bij het project in Ypenburg is men echter nog niet zover. Dat moet wel de nodige informatie opleveren om die dunnere kabels in de toekomst mogelijk te maken. Maar voor nu loopt liever niemand nog risico en wordt het systeem uitgelegd met kabels van een dikte die nodig zou zijn zonder vraagsturing.

Als het complex in 2013 is opgeleverd, zijn alle 288 warmtepompen gekoppeld aan energiemanagementsoftware van TNO, de Powermatcher, ontwikkeld in de stal van ECN, maar sinds april in bezit van TNO (zie kader). De Powermatcher kan de warmtepompen om beurten aanzetten. “We zorgen ervoor dat de gewenste temperatuur wordt bereikt, maar zetten de pompen op andere momenten aan de standaard thermostaatregeling dat zou doen”, zegt Koen Kok, onderzoeker bij TNO Smart Electricity Grids.

Warmtepompen, zo legt Kok uit, zijn hiervoor heel geschikt, omdat het effect van warmtepompen trager is en langer duurt dan bijvoorbeeld het aan of uit zetten van een lamp. “Bewoners merken er niks van.” Kok benadrukt dat bewoners te allen tijde de controle over het systeem kunnen overnemen. Dus wie even wat extra warmte wil, kan zelf aan de knop draaien. “Het bewonerscomfort staat voorop. Individuele bediening blijft altijd mogelijk.”

Maar ook aan de aanbodkant wordt slimheid ingebouwd. Omdat het de ene keer harder waait dan de andere, heeft Eneco de ene keer ook meer stroom in de aanbieding dan de andere keer. Op momenten dat het stroomaanbod groot is, en de stroomprijs dus laag, kan Eneco het smart grid in het appartementencomplex een signaal geven om de warmtepompen aan te schakelen als dit kan. Het is de Powermatcher van TNO die dit gaat regelen. “Aan de aanbodkant werken we met prikkels die eventueel vertaald kunnen worden in prijsprikkels”, zegt projectleider Laura Laméris, van ontwikkelaar Ceres Projecten.

Dat betekent dat die prikkels zich in ieder geval voorlopig nog niet vertalen in een lagere energierekening van bewoners. “Een pepernotenprijs”, noemt Kok de prikkel. Deze leidt wel tot actie bij de warmtepomp, maar niet tot een andere prijs. Volgens Kok kan de Powermatcher die prijsvariatie overigens al wel verzorgen en een ander proefproject waar hij nog niet over wil uitweiden moet dit binnenkort gaan aantonen.

Het consortium heeft een subsidieaanvraag -voor welk bedrag, dat maken de partijen niet bekend- ingediend bij Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) voor de regeling Proeftuinen Intelligente Netten. Als deze aanvraag wordt ingewilligd, wordt het project nog verder uitgebouwd. Dan worden namelijk ook bewoners bij het slimme net betrokken, via bijvoorbeeld energiedisplays, zegt TNO-onderzoeker Kok, en kunnen behalve de warmtepompen ook andere apparaten als wasmachines worden ‘ingeplugt’. Maar, zo beweert Laméris, het eerste deel van het project -aansturing van warmtepompen en afname van stroom op basis van prijsprikkels- gaat sowieso door. “Subsidie of niet.”

Het appartementencomplex Couperus staat nog in de steigers. En dat komt goed uit, want het slimme net is nog verre van uitontwikkeld. Laméris: “Dat gaat de komende tijd gebeuren, in een laboratoriumopstelling.”

Powermatcher is nu smart grid-icoon van TNOHet consortium dat het slimme net in Couperus gaat bouwen is al in oktober vorig jaar opgericht. Het bestaat nu uit Eneco, projectontwikkelaar Ceres Projecten, gebouwbeheerder Vestia Noordorp, warmtepompenleverancier Itho Daalderop, Provincie Zuid-Holland, TNO, IBM en Stichting Woonformatie Ypenburg. Maar in oktober was onderzoekscentrum ECN nog van de partij en was TNO nergens te bekennen.

Dit heeft alles te maken met het wegvallen van EUR 8 mln overheidssubsidie voor ECN eind vorig jaar en de daarop volgende overname van de smart grid-afdeling door TNO. In die afdeling werd ook de Powermatcher ontwikkeld, die in het smart grid-project in Hoogkerk voor het eerst werd ingezet en nu in Ypenburg voor de tweede keer z’n waarde zal moeten bewijzen. Volgens Koen Kok van TNO zal de techniek de komende tijd op meer plekken opduiken. “We zijn nu met zo’n vijf consortia bezig om de Powermatcher te introduceren en wij dingen met een deel van deze consortia mee naar de subsidie voor slimme netten.”

Verschenen in Energeia, 21 september 2011

Huishoudens op Deens eiland Bornholm treden toe tot de balanceringsmarkt

Hoe kunnen huishoudens real time bijdragen aan balancering van het elektriciteitsnet? Laat ze toe op de balanceringsmarkt. Makkelijker gezegd dan gedaan, maar op het Deense eiland Bornholm gaan ze het proberen. En de Powermatcher van TNO vormt het hart van het grootschalige demonstratieproject.

Door Tijdo van der Zee

“Spelen in de toekomst”, noemt Koen Kok, senior onderzoeker bij TNO het project op Bornholm. “De energievoorziening op het eiland is namelijk voor meer dan 50% duurzaam.” Een ideale locatie dus om te testen hoe efficiënt gereageerd kan worden op grote fluctuaties in het duurzame energie aanbod. Kok presenteerde het project donderdag tijdens het congres Metering & Billing CRM Europe 2011 in de Rai in Amsterdam.

In Denemarken zijn stabiliteitsproblemen in het net door grote hoeveelheden duurzame energie geen toekomstscenario. Het aandeel windenergie groeide vanaf eind jaren ’80 van de vorige eeuw exponentieel tot ongeveer 20% van de nationale stroomproductie in 2003. Maar in de jaren die daarop volgden zijn er in het Scandinavische land nauwelijks windmolens bijgekomen. Bewust. Het elektriciteitsnet kon het niet aan. Er waren bijvoorbeeld problemen met de beveiligingssystemen van windparken. Die schakelen een park van het net af als een probleem in het net wordt gedetecteerd. “In een situatie met weinig windenergie is dat een goede reactie, maar in een systeem met veel windenergie wil je juist dat zo’n park zijn bijdrage blijft leveren. Deze en andere problemen hebben ze inmiddels opgelost door de beveiligingssystemen aan te passen”, zegt Kok. Met als gevolg dat Denemarken zich nu ten doel heeft gesteld om 50% van de elektriciteit uit wind te halen en sinds vorig jaar weer stevig door bouwt.

Al die windenergie vereist wel de nodige balanceringskunst van de Deense hoogspanningsnetbeheerder Energinet.dk. Die moet er namelijk voor zorgen dat er net zoveel elektriciteit het net in gaat als dat er uit gehaald wordt. Dat gebeurt op de balanceringsmarkt. Energinet.dk kijkt elk kwartier hoeveel stroom het net in of uit moet om de balans in orde te houden en grote industriële bedrijven kunnen dan voor een bepaald tarief extra inkopen, of energiebedrijven kunnen hun centrales voor een korte tijd wat harder laten draaien.

Individuele huishoudens of kleinere bedrijven kunnen niet mee doen in dit systeem, omdat ze maar zo weinig energie gebruiken of opwekken met hun (micro-)WKK. Energinet.dk hanteert zelf een drempelwaarde. Alle biedingen onder de 10 MW doen niet mee op de balanceringsmarkt. Toch is dat zonde, omdat huishoudens in theorie met z’n allen flinke dempende werking kunnen hebben op uitschieters in het elektriciteitsnet. Met die gedachte in het achterhoofd wordt nu het slim-netproject op Bornholm opgezet.

Belangrijk onderdeel van het project is de Powermatcher van TNO. In Nederland heeft deze technologie nu enige tijd kunnen proefdraaien in een project met ongeveer 30 huishoudens in Hoogkerk, provincie Groningen. Daar stuurt de Powermatcher warmtepompen en HRE-ketels aan en slaat elektriciteit op in batterijen van elektrische auto’s, al naar gelang er een overschot of juist een tekort is aan duurzame elektriciteit van zonnepanelen en een windmolen. Welk apparaat wanneer aanslaat, wordt bepaald aan de hand van prijsprikkels. Bij een bepaalde prijs, die tot stand komt tussen vraag en aanbod, krijgt het apparaat het sein te gaan werken.

In Hoogkerk is die prijs is niet een echte prijs, die klanten terugzien op hun energierekening. Tot nu toe werkt TNO met een “pepernotenprijs”, zoals onderzoeker Koen Kok dat noemt. Daar komt in Bornholm verandering in, een belangrijke stap, volgens Kok. “In feite is de Powermatcher een energiemanagementsysteem”, zegt Kok, “en daar komt nu een systeem bij dat op basis van prijsdata en gebruiksgegevens deze variabele prijs ook echt met de klant gaat afrekenen.” Hoe gaat dat in zijn werk? Bij de klant meet een digitale elektriciteitsmeter iedere 5 minuten het verbruik. Een centraal systeem bij Øestkraft, de grootste energieleverancier op Bornholm, verzamelt deze data en verwerkt deze tot een rekening voor de klant. Via deze rekening wordt per 5 minuten het gebruik afgerekend tegen de prijs die gold gedurende die 5 minuten.

Tegelijkertijd vinden er twee belangrijke veranderingen plaats om huishoudens en kleinere bedrijven toegang tot de balanceringsmarkt te geven. Ten eerste valt de drempel van 10 MW weg, wat betekent dat ieder HRE-keteltje kan bijdragen aan balancering. Ten tweede wordt de tijdsspanne verkort waarbinnen de hoogspanningsnetbeheerder balanceert, van een kwartier naar vijf minuten, zodat er beter op windfluctuaties kan worden gereageerd en huishoudens flexibeler zijn in hun reactie. Die aanpassingen creëren een hele nieuwe markt, die voor nu de Ecogrid Real Time Market heet. “Een real time markt dus, nou ja near real time in ieder geval”, zegt Kok.

Klanten op het eiland -dat trouwens wel gewoon op het Deense hoogspanningsnet is aangesloten- krijgen twee verschillende prijssignalen. Eerst krijgen ze de prijs op de day ahead markt Elspot. “Die dient als basis voor een prijsvoorspelling”, zegt Kok. Daarnaast krijgen klanten de near real time prijzen op de Ecogrid Real Time Market. Dat moet vervolgens voldoende zijn om te bepalen of er actie ondernomen moet worden.

De 2.000 aangesloten huishoudens in het project (van de 28.000 huishoudens op het hele eiland) worden ingedeeld in vier groepen. De eerste groep krijgt alleen een slimme meter, de tweede groep krijgt daarnaast ook de prijssignalen, in de derde groep worden enkele apparaten in huis ook daadwerkelijk automatisch aangestuurd op basis van die prijssignalen en ten slotte is er een groep waarin een groter aantal apparaten wordt gestuurd en alles geautomatiseerd verloopt. TNO, en de andere partijen aangesloten bij het project, willen onderzoeken of het systeem gebaat is bij automatisering, of dat het net zo goed gaat als mensen zelf aan de knoppen draaien. “Dat blijft ook in de vierde groep mogelijk, trouwens, het comfort voor de mensen staat voorop”, zegt Kok. “We willen af van het idee van demand side management, van centrale autoriteiten die je energiegebruik bepalen. De klant staat centraal en die zegt: ‘Niemand rommelt in mijn huishouden’. We creëren hier een financiële prikkel en mensen kunnen vervolgens zelf bepalen of ze daar van profiteren.”

Het project op Bornholm is mogelijk gemaakt door subsidie van de Europese Unie. Die verlangde daarvoor in ruil wel de participatie van meerdere landen en meerdere bedrijven. Dat heeft geleid tot de deelname van zestien bedrijven uit tien verschillende Europese landen. Bovendien wilde de EU een test die niet gedomineerd wordt door een enkele technologie daarom zal er naast de Powermatcher ook smart grid technologie van Siemens meedoen. Het project is deze zomer opgestart en loopt tot 2015.

Verschenen in Energeia, 7 oktober 2011

Groen gas uit Wijster past maar net op het net van Rendo

Het groen gas dat eind dit jaar uit de biovergister in het Drentse Wijster gaat stromen, kan maar met de grootste moeite worden ingevoed in het net van netbeheerder Rendo. Eerdere pogingen om het gas aan het net van Enexis te slijten, liepen stuk, omdat dit al helemaal vol zit. “Het is een agrarische omgeving, waar sowieso niet veel gebruikt wordt. We zouden het in de zomer, wanneer er minder wordt gebruikt, gewoon niet kwijt kunnen.” 

Door Tijdo van der Zee

Begin juni verrichtte Gedeputeerde van de provincie Drenthe Tanja Klip-Martin de openingshandeling van de bouw van de nieuwe vergistingsinstallatie met opwerkfaciliteit voor afvalverwerkingsbedrijf Attero in Wijster. Sindsdien vorderen de werkzaamheden gestaag. Inmiddels staat een groot deel van de vergistingstank al in de steigers. Het gevaarte verwerkt vanaf eind dit jaar zogenoemde organische natte fractie (ONF) uit huishoudelijk restafval tot 5 mln kuub groen gas per jaar en dat komt neer op ongeveer 800 kuub per dag. Een flinke hoeveelheid, waar de netten van de lokale netbeheerders niet meteen op berekend bleken.

De installatie van Attero staat in het verzorgingsgebied van Enexis, maar dat bedrijf kon het gas niet opnemen. “De installatie heeft voor ons net te veel capaciteit”, zegt woordvoerder Jan Bakker. In de winter zou Enexis geen problemen hebben met de hoeveelheid, maar in de zomer, wanneer het verbruik drastisch daalt, zou de druk op het net te groot worden. “Je wilt niet dat de boel gaat ploffen”, zegt Bakker.

Attero wendde zich toen tot netwerkbedrijf Rendo, dat niet ver van Wijster ook actief is. “Wij gaven aan dat die 800 kuub echt ons maximum is”, zegt Assetmanager Gas Johan Jonkman. Om die kwijt te kunnen is Rendo momenteel druk bezig met de aanleg van een zeven kilometer lange leiding naar Hoogeveen. Het probleem van de installatie in Wijster is dat de productie niet makkelijk teruggeschroefd kan worden: het afval wordt continu vergist. Met Gasunie kan worden afgesproken dat zij tijdelijk minder leveren, maar van Attero komt een continue stroom gas. Het aanbod is in de zomer dus snel groter dan de consumptie.

Maar als het aan Attero ligt, blijft het niet bij het vergisten van ONF. Later dit jaar wordt er besloten over het meevergisten van groente-, fruit- en tuinafval (GFT). Dan komt er nog eens dagelijks 900 kuub groen gas bij. In dat geval volstaat voor Rendo een gasleiding naar Hoogeveen niet, maar moet een extra leiding van 13 kilometer worden aangelegd naar Meppel en De Wolden. “Attero moet nog beslissen”, aldus Jonkman, “Ze kunnen met een compressor ook het gas op 40 bar brengen en injecteren op het net van Gasunie. Beide opties kosten veel geld.”

In fase drie zou Attero een groengashub bouwen, waarbij boeren via een ringleiding zelfvergist biogas injecteren, dat centraal kan worden opgewerkt tot groen gas. Hiervoor heeft Attero vorige week vrijdag bij de openstelling van de SDE+-regeling een subsidie-aanvraag ingediend. De hoeveelheid groen gas die hierbij vrij komt, is volgens Jonkman vrijwel zeker te veel voor het net van Rendo. “Dat gaat dan het net van Gasunie op.”

Jonkman heeft wel ideeën hoe meer flexibiliteit ingebouwd kan worden, zowel op het net als daarbuiten. “We kunnen meer werken met opslag, bijvoorbeeld bij Attero. Dat zou voor het gas eventueel ook een warmtekrachtkoppelingsinstallatie kunnen inzetten, maar er moet ook gewoon meer groen gas gebruikt worden in bijvoorbeeld de transportsector.”

Verschenen in Energeia, 11 juli 2011

‘Wij konden tot nu toe alle slimme meters kraken’

Twee hackers zitten ’s avonds achter hun laptopje. Ze hebben het gemunt op de verlichting in de stad. Eerst moet het stadion er aan geloven. Dan dooft, met een simpele druk op de ‘enter’-knop, de verlichting op het vliegveld, gevolgd door de kantoorgebouwen. De jongens hebben de tijd van hun leven, totdat blijkt dat ze met z’n tweeën in de enige overgebleven verlichte ruimte van de stad zitten. Dan verschijnt de tekst in beeld: ‘…zeker Delta Lloyd’. “Erg ludiek, omdat dit nog onschuldige types zijn. Maar als ons elektriciteitsnet straks echt slim is, en op afstand bestuurbaar, wordt het een serieus doelwit voor terroristen.”

Door Tijdo van der Zee

Dat zegt Stephan Gerhager, Information Security Officer bij het Duitse energiebedrijf Eon -“en in mijn vrije tijd hou ik me graag bezig met hacken”. Gerhager toonde de commercial van Delta Lloyd woensdag op het congres Metering & Billing CRM Europe 2011 in de Rai in Amsterdam. Gerhager wil zijn toehoorders waarschuwen voor de slimme meter. “Wij hebben tot nu toe alle slimme meters weten te kraken die bij ons binnen kwamen. En dat waren er veel.”

De Tweede Kamer stemde vorig jaar in met de invoering van de slimme meter op vrijwillige basis en de Eerste Kamer volgde in februari; veel later dan de bedoeling was, omdat er veel vraagtekens waren bij de privacy en beveiliging van op afstand uitleesbare meters. In maart dit jaar kwam minister Maxime Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) met het ontwerp-Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen, waarin is vastgelegd aan welke eisen slimme meters moeten voldoen om te garanderen dat energie-kleinverbruikers over toekomstvaste en veilige op afstand uitleesbare meetinrichtingen zullen beschikken. Wat betreft de beveiliging tegen fraude en misbruik, moet het onmogelijk zijn om meters zodanig te manipuleren dat het verbruik van gas of elektriciteit niet meer klopt.

Maar volledige veiligheid is een illusie, betoogt Gerhager. In de Verenigde Staten is vorig jaar begonnen met de massale uitrol van 60 mln slimme meters. Maar volgens Gerhager zitten ze daar nu met de handen in het haar, omdat hackers gaten in de beveiliging hebben aangetoond en die veiligheid dus niet meer gegarandeerd kan worden. “Mijn collega’s in de VS zeggen tegen me: ‘Doe het nog niet!'”

“Mijn koelkast hoef ik niet te beveiligen”, zegt Gerhagen. “Waarom niet? Geen hacker is geïnteresseerd in de inhoud.” Waarmee de veiligheidsman van Eon maar wil zeggen dat de hacker of zijn opdrachtgever wel enig zicht op een interessante buit wil hebben, voor hij zich bloot geeft aan risico’s om gepakt te worden, en voor hij de tijd en het geld investeert in de kraak. “Een terrorist gaat geen EUR 100.000 investeren om één enkele meter te kraken. Maar als hij voor dat geld een algemene code kan bemachtigen, waarmee alle slimme meters van een bepaald type te kraken, en daardoor op afstand te besturen zijn, dan wordt het ineens interessant.” Hij vervolgt: “Hoe meer wij afhankelijk worden van slimme netten, hoe interessanter het wordt om die te kraken.”

Zonder specifiek in te gaan op de techniek, zegt Gerhager dat hij gezien heeft hoe een soort virus of worm “van de ene op de andere slimme meter oversprong” en deze stuk voor stuk kraakte. Ook kan “één intelligent persoon” een gekraakte code publiceren op internet, waarna iedereen er mee aan de haal kan gaan. “Elke keer als de veiligheid van slimme meters en de infrastructuur daaromheen verhoogd wordt, zal er iemand zijn die het een uitdaging vindt om die beveiliging opnieuw te omzeilen.”

Echte oplossingen bood Gerhager niet. Wel zei hij dat er nu te veel nadruk wordt gelegd op technische oplossingen, zoals gecompliceerde versleutelingen, of encrypties. “We moeten nadenken over hoe het slimme net er straks in zijn geheel uit ziet, van daaruit moeten we nadenken over beveliging. We moeten ons niet nu meteen storten op de techniek en ons dan veilig wanen.” Ter illustratie toonde Gerhager een met stevige tralies beveiligde poort, om vervolgens uit te zoomen op de rest van de tuinomheining: een kniehoog heggetje.

Het kan overigens geen kwaad te melden dat Gerhager medewerker is van het Duitse bedrijf Eon. En in Duitsland verloopt de invoering van de slimme meter net als in Nederland niet zonder slag of stoot. Zoals ook het verbod van Google Street View in Duitsland laat zien, zijn Duitsers erg gesteld op hun privacy. Dat betekent dat er ook ten aanzien van privacy en databescherming rond de slimme meter en het slimme net zeer strenge eisen gaan gelden.

Verschenen in Energeia, 7 oktober 2011

Waar blijft de echte Europese interconnectie?

Waar in Europa vrij verkeer van goederen al lang een vanzelfsprekendheid is, blijft de interne Europese energiemarkt vooralsnog steken in een rudimentair stadium. Stevige gas- en elektraverbindingen tussen landen ontbreken, Europese standaarden staan nog in de kinderschoenen en vanwege onwenselijke eigendomsverhoudingen is van een vrije toegang tot de netten ook nog geen sprake. Het Derde Energiepakket, dat de Europese Unie deze zomer goedkeurde en dat op 3 september in werking trad, moet hier verandering in brengen.

Door Tijdo van der Zee — update 20 februari 2015

“Als Spaanse ondernemer wil ik mijn stroom kunnen kopen in Noorwegen of Oekraïne [sic.], als die daar goedkoper is. Nu kan dat nog niet. Daar moeten alle onderhandelingen uiteindelijk op gericht zijn, soms heb ik het idee dat er alleen maar gepraat wordt om het praten.” Javier Penacho van de AEGE, een vereniging die grootverbruikers van energie in Spanje vertegenwoordigt, schudt zijn hoofd bij zijn constatering over de huidige situatie bij de Europese energievoorziening. Hij heeft weinig hoop dat het eerste obstakel op de weg naar de verwezenlijking van zijn wens – een goede interconnectie tussen Frankrijk en Spanje die het Iberisch Schiereiland uit een isolement zal halen – binnenkort uit de weg wordt geruimd.

De Europese Commissie presenteerde in 2007 met het Derde Energiepakket een scala aan maatregelen die de ondernemers als Penacho zouden moeten helpen om goedkopere producenten in de EU te vinden. In april van dit jaar stemde het Europees Parlement in met het pakket, in juni gevolgd door de Europese Ministerraad. Het pakket rust op drie pijlers. Een nieuwe Europese toezichthouder, ontvlechting en een investeringsplan.

Regulatory gap
De eerste pijler betreft de oprichting van een Europees agentschap genaamd ACER, dat zich bezighoudt met supranationale regulering. Dit agentschap moet een einde maken aan het ‘regulatory gap’, de grote verschillen in nationale regelgevingen. Uitspraken van ACER zijn bindend, in tegenstelling tot uitspraken van de twee tot nu toe functionerende organisaties ERGEG en CEER, waarin de 27 nationale energiemarkttoezichthouders verenigd zijn. De besluitvormingsprocedure zal via een stemsysteem gaan, waarin een meerderheid voldoende is. Nationale veto’s zijn dan niet meer mogelijk, wat de snelheid van de besluitvorming moet bevorderen. “Dit is een kans voor een echte integratie van de Europese energiemarkt. Ondanks dat het een enorme klus gaat worden”, zegt de Brit Lord Mogg, die voorzitter wordt van ACER. Waar agentschap ACER zich zal gaan vestigen is nog niet bepaald. Slowakije, Slovenië en Roemenië dingen nog mee. Volgens Ana Arana Antelo van de Europese Commissie is het de bedoeling dat over de locatie in ieder geval nog dit jaar, tijdens het Europees voorzitterschap van Zweden, een beslissing genomen wordt. De komende 16 maanden wordt uitgewerkt hoe de dagelijkse gang van zaken binnen ACER gestalte moet krijgen. Zo verandert bijvoorbeeld de rol van nationale toezichthouders, in Nederland is dat de Energiekamer van de NMA. “Die rol wordt belangrijker”, beweert Lord Mogg, zonder op de specifieke nieuwe bevoegdheden in te gaan, “maar om ze die belangrijkere rol te kunnen laten spelen, zullen we ze eerst moeten losweken uit de nationale overheidsstructuren.” Nationale toezichthouders worden dus een soort Europese toezichthouders op locatie.

De samenwerkende Europese TSO’s – eigenaren van de hoogspanningsnetten en hoge gasdruknetten zoals TenneT en Gasunie – krijgen ook een rol in dit nieuwe institutionele systeem. ENTSO-E (European Network of Transmission System Operators for Electricity) en ENTSOG (European Network of Transmission System Operators for Gas) zullen ACER adviseren. Volgens Erik te Brake van het Nederlandse VEMW, de vereniging die de belangen behartigt van energiegrootverbruikers in Nederland, zouden ook Europese consumenten een rol moeten krijgen in de besluitvormingsprocedure bij ACER. Via de Europese energieverbruikerskoepel IFIEC zou die input geleverd kunnen worden. “Bij elke beslissing die ACER neemt, zou een ‘impact assessment’ uitgevoerd moeten worden. Welke consequenties heeft een beslissing voor de eindgebruiker? Op basis daarvan kunnen wij dan aanbevelingen doen.”

Ontvlechting
De tweede pijler betreft ontvlechting van de hoofdnetten uit het eigendom van energieproducenten. Idee hierachter is dat vrije toegang door Europese energieproducenten tot het net niet gewaarborgd kan worden als één van hen dat in een bepaalde regio in handen heeft. Nederland gaat hierin een stap verder dan Europa vereist, door niet alleen de hoofdnetten te ontvlechten, maar ook per 1 januari 2011 de distributienetten. Nederland is hierin het beste jongetje van de klas, want zelfs de ontvlechting van de hoofdnetten bleek Europees gezien geen haalbare kaart. Met name Frankrijk (Electricité de France) en Duitsland trapten op de rem, daarin gevolgd door Oostenrijk, Bulgarije, Griekenland, Letland, Luxemburg en Slowakije. Uiteindelijk is een afgezwakt systeem bedacht waarin landen kunnen kiezen tussen drie vormen van ontvlechting. Dat zijn ten eerste een totale onteigening van het hoofdnet, ten tweede de ‘independent system operator, ISO’, waarbij ondernemingen het beheer van hun net overlaten aan een onafhankelijke beheerder en ten slotte ‘independent transmission operator, ITO’, waarbij de distributie door de onderneming plaatsvindt, onder strenge regels en het toeziend oog van een onafhankelijke organisatie.

Investeringsplan
De derde pijler betreft het tienjarig investeringsplan dat ENTSO-E en ENTSOG moeten opstellen. Daartoe brengen organisaties in kaart waar de voornaamste knelpunten tussen landen zitten en hoeveel geld er nodig is om die te verhelpen. Probleem hierbij is alleen dat het investeringsplan geen enkele bindende consequenties zal hebben. Dit is dan ook een reden dat velen hoop vestigen op regionale initiatieven, zoals het pentalaterale overleg dat sinds 2005 plaats vind tussen de Benelux, Duitsland en Frankrijk en dat tot doel heeft de vijf energiemarkten te integreren op een hogere snelheid dan haalbaar is op Europees niveau.
“Integratie is per definitie iets regionaals, want een investering in een interconnector blijft namelijk altijd een aangelegenheid tussen twee landen”, zegt Cecilia Hellner van ENTSO-E hierover. Liberalisering van het Europese energienet leidt tot lagere prijzen, zo is de bedoeling. Maar als dat in het huidige tempo doorgaat vreest Erik te Brake van VEMW dat de markt al verdeeld is onder de grote spelers, voordat de integratie van de markt goed en wel begonnen is. “Je ziet nu al consolidatie optreden en kleine, nieuwe spelers hebben bijna geen speelruimte. Het is een race tegen de klok en de inzet zijn de energieprijzen voor de consument.”

En wat gaat dit alles betekenen voor de Spaanse ondernemer Javier Penacho? Zijn probleem wordt al langer onderkend door de Europese Unie. Sinds 2007 probeert voormalig eurocommissaris Mario Monti als speciaal EU-gezant de weerstanden weg te nemen die een hoogspanningsverbinding over de Pyreneeën in de weg staan. Helaas voor Penacho, tot nu toe zonder veel succes.

Energiek Europa september 2009

Update 20 februari 2015:

Eindelijk kan Javier Penacho tevreden zijn. Op vrijdag 20 februari werd de tweede interconnectie tussen Frankrijk en Spanje feestelijk in gebruik genomen. Daarmee verdubbelde de capaciteit in een klap van 1400 MW naar 2800 MW. De hoogspanningsleiding loopt van het het Franse Baixàs over een afstand van 65 kilometer naar het Spaanse Santa Llogaia. De lijn loopt onder meer door een bijna 9 kilometer lange tunnel onder het Alberra massief in de Pyreneeën. Het project kostte 700 miljoen euro. Daarvan is 255 miljoen Europese subsidie.

 

 

Sloop oude boorplatforms is miljardenmarkt, maar hergebruik heeft z’n voordelen

Grote olie- en gasvelden in de Noordzee raken de komende jaren uitgeput. Veel boorplatforms zullen dus overbodig worden. De sloopbranche voorziet een miljardenbusiness, maar de producenten houden het geld voor deze decommissioning en abandonment, ofwel sluiten en netjes achterlaten, liever zo lang mogelijk op zak. Dat kan door ook de laatste restjes olie en gas op te boren, of door de platforms te gebruiken als spil in een netwerk van kleine velden.

Door Tijdo van der Zee

De cijfers spreken voor zich. Het ontmantelen van boorplatforms is een potentiële miljardenbusiness. Op het IIR-congres ‘Re-use & Decommissioning’ vorige week in Amsterdam schotelde Brian Nixon, directeur van Decom North Sea, zijn toehoorders indrukwekkende statistieken voor. Decom North Sea wordt gefinancierd door het bedrijfsleven en wordt tot eind 2011 ook gesteund door de Britse overheid. De organisatie richt zich op het ontsluiten van decommissioning-informatie en het bijeenbrengen van de verschillende spelers in de markt.

“Alleen al in het Britse continentale vlak wordt jaarlijks zo’n EUR 500 mln gespendeerd aan decommissioning en dit bedrag neemt toe”, schetst Nixon. “De komende tien jaar zou de markt alleen al op het Britse vlak kunnen groeien tot EUR 10 mrd.” Volgens Decom stonden er in 2009 op de Britse, de Noorse en Nederlandse continentale vlakken bijna 600 boorplatforms, waarvan 54% ouder was dan 15 jaar. “De gemiddelde leeftijd van gesloten platforms is momenteel 17 jaar. Decommisioning wordt dus heel belangrijk dit decennium.”

De ontwikkelingen rond het platform Brent Spar van Shell in de jaren ’90 markeren het begin van deze groeimarkt. Shell wilde dit platform na enkele decennia trouwe dienst laten afzinken in zee, maar Greenpeace wist dit te voorkomen door te claimen dat de zware metalen in het platform een milieuramp zouden veroorzaken. Hoewel later bleek dat Greenpeace stevig had gegoocheld met cijfers, leidde het incident wel tot nieuwe regels rond offshore platforms. In 1998 werd door Europese landen rond de Noordzee plus nog een aantal Europese landen afgesproken dat afzinken verboden werd en dat platforms voortaan netjes opgeruimd dienden te worden. Overigens geldt deze plicht in Nederland niet voor pijpleidingen en kabels van en naar het platform. Hierover kan de minister per project een beslissing nemen.

Deze wetgeving en rooskleurige toekomstcijfers ten spijt, valt het aantal platforms dat nu al daadwerkelijk afgebroken is een beetje tegen. Om weer op het Britse continentale vlak te blijven: in de jaren 2000 tot en met 2009 werden daar 22 grote installaties opgeruimd, iets meer dan twee per jaar. In het Nederlandse vlak staan “ruim 130 intstallaties, waarvan er minder dan een handvol is opgeruimd”, zegt Jelto Terpstra van de Nederlandse Olie en Gas Exploratie en Productie Associatie, Nogepa. “Doordat het nog zo weinig gebeurt, is het lastig om te profiteren van de leercurve. De prijzen blijven daardoor hoog”, zegt Nixon.

En dat niet alleen. Die kosten lopen soms ook gierend uit de hand, zegt Thor Sterker van Platform Brokers. Platform Brokers werkte als onderaannemer van sloper Heerema mee aan de ontmanteling van North West Hutton van BP in de buurt van de Shetlandeilanden in 2009. In 1992 raamde men het opruimen van dit platform op EUR 41 mln. In 2005 was dit bedrag opgelopen tot EUR 189 mln. “Er zijn vaak te weinig gegevens waar je op kan vertrouwen, dat maakt het lastig om de kosten goed in te schatten”, zegt Sterker. “Je ziet wel dat de kleine platforms makkelijker binnen budget blijven, dan grote.”

Exploitanten moeten er dus vanaf het begin van de boring in hun begroting rekening mee houden dat ze op het eind nog forse kosten zullen hebben. Maar als puntje bij paaltje komt willen veel exploitanten deze decommissioning-kosten zo lang mogelijk uitstellen. Dat kan door bijvoorbeeld beter je best te doen om ook de laatste druppels olie en wolkjes gas uit het veld te persen. Al moet dat wel daadwerkelijk gebeuren, want de vergunning kan worden ingetrokken als er twee jaar geen significante activiteiten plaats vinden. Maar een platform kan ook in gebruik blijven door het als centraal element in een netwerk van kleine velden te laten meedraaien. Daarbij word gas uit kleine naastgelegen boortorentjes, of zelfs onderzeese installaties, in pijpleidingen vervoerd naar het grote platform, om daar opgewerkt te worden. Vandaar wordt het getransporteerd naar land.

Welke herbestemming een platform ook krijgt, volgens Ruud van Wijk, platforminspecteur bij Bureau Veritas, dat inspecties uitvoert bij onder meer offshore installaties, blijven de meeste platforms veel langer in bedrijf dan je op grond van hun voorspelde levensduur zou verwachten. “Mijn ervaring is dat decommissioning nauwelijks plaats vindt. Ik voer telkens inspecties uit omdat exploitanten de levensduur van het platform willen verlengen.”

Decommissioning is prima, maar nu nog even niet”, zegt Floor Jansen van Energie Beheer Nederland (EBN). De Nederlandse overheid heeft sinds enkele jaren een kleine-veldenbeleid, dat moet helpen om de huidige Nederlandse offshore gasproductie van 30 mrd kuub gas te handhaven tot 2030, ondanks de dalende productie van de bestaande grote velden. “Die installaties kunnen we dus goed gebruiken.” EBN, een staatsonderneming, participeert voor 40% in alle productieboringen in Nederland. Om bedrijven te stimuleren is er een regeling dat 25% van de investeringen in de ontwikkeling van kleine velden van het bedrijfsresultaat waarover winstbelasting moet worden betaald mag worden afgetrokken.

Het uitwringen van oude velden en de ontwikkeling van nieuwe kleine velden zijn min of meer dezelfde taken als waarvoor de platforms altijd al gebruikt zijn. Maar er zijn meer mogelijkheden. Zo valt er te denken aan het gebruiken van platforms voor het opslaan van aardgas of voor de opslag van CO2 (CCS), die daarvoor overigens wel eerst moeten worden omgebouwd. Voor die laatste functie zijn vergevorderde plannen voor een platform en leeg gasveld van Taqa in het P18-blok voor de kust van Rotterdam. Max Oosterhuis van Loyens en Loeff denkt dat er qua wetgeving nog wel wat moet veranderen, wil CCS aantrekkelijk worden. “Wie aardgas op wil slaan in zijn oude veld, kan zijn bestaande vergunning omzetten in een gasopslagvergunning, maar als een exploitant CO2 op wil slaan, moet hij zijn vergunning inleveren en daarna weer een CCS-vergunning aanvragen.”

Er zijn zelfs idealistische vergezichten die de boorplatforms willen aansluiten op een toekomstige elektriciteitsring, op de bodem van de Noordzee, die de stroom van de vele windturbines op zee naar land van verschillende Noordzeelanden moet brengen. De platforms zouden dan opgetuigd kunnen worden als gas to wire-installaties, een soort offshore gascentrales, die het onzekere aanbod van windstroom kunnen compenseren. Dit idee opperde Carel Cronenberg, van adviesbureau DHV op het congres in Amsterdam. Nuon en Eneco noemden dit idee ook bij hun gezamenlijke plan voor een offshore windpark in de Noordzee. Of exploitanten met lege velden kunnen wachten met decommissioning tot het zover is, lijkt niet erg waarschijnlijk.

Verschenen in Energeia, 25 mei 2011

Een legitieme Europese energiemarkt geeft zichzelf bloot

Twee artikelen in Energeia over transparantieregels voor de Europese energiemarkt

Transparante Europese energiemarkt stapje dichterbij

Een transparante energiemarkt die handelaren belet met voorkennis hun slag te slaan is weer een stapje dichterbij gekomen. Dinsdag stemde de Commissie voor Industrie, Onderzoek en Energie van het Europees Parlement in overgrote meerderheid (42 voor, 0 tegen, 3 onthoudingen) voor de ontwerp-verordening ‘Integriteit en transparantie van de energiemarkt’.

Door Tijdo van der Zee

Als de verordening, in het Engels Regulation on Energy Market Integrity and Transparency (Remit) genoemd, later dit jaar stemmingen in het Europees Parlement en de Europese Ministerraad overleeft, worden deelnemers aan energiehandel verplicht gegevens openbaar te maken over de capaciteit en het gebruikt vermogen van productiefaciliteiten, opslag, en distributiegegevens van elektriciteit, gas en LNG. Ook verbiedt de verordening handel in voorkennis. Zo moet marktmanipulatie en prijsbeïnvloeding tegen worden gegaan.

Sinds 2003 bestaat al een Europese richtlijn voor de financiële sector die handel met voorkennis verbiedt, maar die bleek niet toegesneden op de energiesector. “De bestaande regeling heeft tot leemten in de toepasselijke regelgeving geleid en het transparantieniveau beperkt”, zo staat er in het ontwerpdocument. De mogelijkheden om in die ondoorzichtige markt op een dubieuze manier te handelen kan het vertrouwen van de consument in de energiemarkt ondermijnen. “Potentiële oneerlijke handelspraktijken moeten doeltreffend worden aangepakt, zo niet ondermijnen zij het vertrouwen van het publiek, ontmoedigen zij investeringen, vergroten zij de volatiliteit van de energieprijzen en kunnen zij in het algemeen tot hogere energieprijzen leiden.”

Het Europese agentschap van energieregulatoren (Acer) zal een spilfunctie vervullen. Vanuit de lidstaten stromen straks de vrijgegeven data naar Acer’s kantoor in het Sloveense Ljubljana. “Acer zal een specifieke eenheid moeten oprichten, bestaande uit deskundigen met een ruime ervaring op het gebied van energiemarkten en financiële OTC-markten [Over The Counter: deals tussen bedrijven zonder tussenkomst van een handelsplatform, red.].”

Energie Nederland, de belangenbehartiger van Nederlandse energiebedrijven, reageerde eerder tegenover Energeia al gematigd enthousiast. “Wij hebben in principe geen bezwaar tegen meer transparantie op Europees niveau. Belangrijk is dat dezelfde regels gelden voor alle partijen op de Europese markt”, zei woordvoerder Sjoerd Marbus. Ook de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMA), de Nederlandse energieregulator, ziet de Europese verordening met genoegen tegemoet. Woordvoerster Barbara van der Rest-Roest: “Wij verwachten dat deze verordening van waarde zal zijn bij het opsporen en bestrijden van ‘insider dealing’ en marktmanipulatie op de energiemarkt. Het is een markt waar met enige regelmaat verdenkingen de kop opsteken van gedrag van marktpartijen die leiden tot hogere prijzen voor eindverbruikers.”

Zowel Energie Nederland en de NMA zijn enigszins bevreesd voor de kosten die met het nieuwe systeem gepaard gaan. NMA-zegsvrouw Van der Rest-Roest: “Voorwaarde is wel dat de administratieve lasten voor marktpartijen beperkt blijven.” Hierover biedt de concepttekst weinig duidelijkheid. Die luidt: “Meldingsverplichtingen mogen voor marktdeelnemers geen nodeloze kosten met zich meebrengen.” Over het woordje ‘nodeloze’ is wat te doen geweest; een advies van de Commissie Economische en Monetaire Zaken van het Europees Parlement om ‘nodeloze’ te vervangen door ‘vermijdbare’ heeft het uiteindelijk niet gehaald.

De verordening maakt ook niet duidelijk hoe de gegevens worden verzameld, en hoe ze vervolgens geïnterpreteerd dan wel gepubliceerd worden. “De verordening belast Acer met het verzamelen, evalueren en delen van gegevens betreffende de groothandelsmarkten voor energie”, zo staat er. Hoe vaak er informatie wordt aangeleverd is ook ongewis. “Marktdeelnemers maken tijdig voorwetenschap openbaar”, stond er in een vroege versie. Maar in de uiteindelijke tekst die dinsdag zo enthousiast door de Eurocommissie werd aangenomen, was het woordje ‘tijdig’ weer verdwenen. Acer deelt de informatie met nationale toezichthouders en “kan beslissen delen van de verkregen informatie openbaar te maken op voorwaarde dat geen commercieel gevoelige informatie over afzonderlijke marktdeelnemers of transacties wordt bekendgemaakt”. De tekst sluit de mogelijkheid dus niet uit van een eventueel real time en openbaar informatiesysteem.

Overigens zijn er nog enkele voor de energiesector relevante Europese regels in de maak, met name de verordening ‘OTC Derivaten’ (Emir wordt die genoemd) en de richtlijn ‘Markets in Financial Instruments Directive’ (Mifid) zijn van belang. Deze zijn in eerste instantie bedoeld voor de financiële sector, maar zullen ook handel in energieproducten raken. Er bestaat, onder meer bij CEER, de Europese belangenbehartiger van de nationale energieregulatoren (niet te verwarren met Acer), de vrees dat er door al deze nieuwe regels veel interferentie en daarmee onduidelijkheid zal ontstaan in de energiemarkt. Hoe deze regels precies op elkaar in gaan haken, is nog onduidelijk.

Verschenen in Energeia, 13 juli 2011

Europese regels over transparante energiehandel nog deze winter in werking

De Europese energiemarkt wordt transparanter en eerlijker. Dat is in ieder geval de bedoeling van een verordening die woensdag door het Europees Parlement is aangenomen. Op 10 oktober stemt de Europese ministerraad nog wel over het document, maar daar is het een hamerstuk. Half december, zo is de verwachting, treedt de verordening dan in werking.

Door Tijdo van der Zee

De verordening, de Regulation on Energy Market Integrity and Transparency (Remit), gebiedt deelnemers aan de energiehandelsbeurzen de gegevens en contracten over capaciteit en het gebruikt vermogen van productiefaciliteiten, opslag, en distributiegegevens van elektriciteit, gas en LNG door te geven aan de Europese energieregulator Acer. De verordening geldt voor alle deelnemers op de beurs, dus hoogspanningsnetbeheerders (gas en elektriciteit), leveranciers, handelaren, producenten, energiemakelaars en grote gebruikers.

Deze openheid moet ervoor zorgen dat marktmanipulatie en ‘insider dealing’ tot het verleden gaan behoren. In de verordening wordt hier dan ook de nodige aandacht aan besteed. Barbara van der Rest-Roest, woordvoerster van de Nederlandse Mededingingsautoriteit NMA, die nauw zal samenwerken met Acer, vertelde eerder tegen Energeia dat de NMA positief staat tegenover de regelgeving, want: “Het is een markt waar met enige regelmaat verdenkingen de kop opsteken van gedrag van marktpartijen die leiden tot hogere prijzen voor eindverbruikers.”

De Europese Unie is er van overtuigd dat deze transparantie niet bereikt kan worden door de lidstaten afzonderlijk, omdat de markten steeds meer met elkaar verweven zijn geraakt. In Remit staat het zo: “Sterke monitoring over de grenzen heen is essentieel in het verwezenlijken van een goed functionerende Europese energiemarkt.”

Acer krijgt een belangrijke rol. Het agentschap dat zetelt in de Sloveense hoofdstad Ljubljana speelt namelijk de handelsgegevens weer door aan de nationale energiewaakhonden, die op hun beurt passende maatregelen kunnen nemen wanneer een handelaar over de schreef gaat. Die maatregelen worden overigens niet geharmoniseerd. Het staat de nationale regulatoren vrij om ook nog op nationaal niveau gegevens te verzamelen, zo wordt in de tekst benadrukt. Ook staat er in de verordening dat een stevige relatie tussen Acer en de energiehandelbeurzen in het verschiet ligt. Acer krijgt een doorslaggevende stem. Bij zaken aangaande de implementatie van de verordening moet het Europese agentschap de landelijke regulatoren wel om advies vragen, maar hieraan is het niet gebonden.

Nadat de Europese ministers hun handtekening onder de verordening hebben gezet, wordt Remit in het het Europese Publicatieblad gepubliceerd. Twintig dagen later treedt de verordening dan in werking. Maar die is dan toch nog niet helemaal klaar. De Europese Commissie moet namelijk nog wel hier en daar de puntjes op de ‘i’ zetten. “Zo is bijvoorbeeld nog niet duidelijk of handelaren hun gegevens nu in papieren versie of via internet naar Acer kunnen opsturen”, zegt Europarlementwoordvoerder Kristina-Antigoni Elefterie. Ook bijvoorbeeld de frequentie van de gegevensoverdracht moet nog worden vastgesteld. Pas een half jaar na alle noodzakelijke uitwerkingen van de Commissie zullen de energiehandelaren hun gegevens daadwerkelijk moeten gaan insturen.

De nieuwe regels in de energiemarkt volgen in zekere zin de regulering in de financiële markten, namelijk Mifid (Markets in Financial Instruments Directive), om beleggers te beschermen en een gelijk speelveld te creeëren, en Mad (Market Abuse Directive), om marktmanipulatie te voorkomen. Maar Mifid en Mad staan momenteel op het verlanglijstje van de Europese Commissie om zodanig aangepast te worden, dat ook de energiemarkt er onder valt. Emir (European market infrastructure regulation) en CRD (beter bekend als het bankenakkoord Basel II) gaan ook nog voor de nodige opschudding zorgen in de energiewereld. Maar voorlopig zijn dit alleen nog plannen. Remit is bijna werkelijkheid.

Verschenen in Energeia, 15 september 2011

Dan ga je toch ondergronds!

De ondergrond is het laatste stukje Wilde Westen in Nederland. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt, geldt hier. Maar niet lang meer. Want de landmeters hebben hun instrumentarium inmiddels naar beneden gericht en brengen de bodem nauwgezet in kaart. De strijd tussen ondergrondse CO2-opslag en gebruik van het warme grondwater ging inmiddels van start.

Door Tijdo van der Zee

Op twee kilometer diepte bevinden zich op veel plekken in Nederland waterlagen van ongeveer 70 graden celcius. Een  uitstekende temperatuur om tuinbouwkassen nagenoeg gratis mee te verwarmen. Tuinders in het Westland buitelden de  afgelopen jaren dan ook over elkaar heen om een opsporingsvergunning voor aardwarmte te bemachtigen. Het ministerie van Economische Zaken verstrekte die vergunningen ruimhartig, met als gevolg een lappendeken van tientallen grote en kleine vergunningsgebieden in deze kassenregio. Door deze gehaaste run op vergunningen viel al snel de term ‘Wilde Westen in de ondergrond’.

Victor van Heekeren, voorzitter van de Stichting Platform Geothermie: ‘Vooral begin 2009, toen de gasprijs piekte, wilde iedereen er snel bij zijn. Inmiddels is de druk wat van de ketel.’ Maar als de opsporingsvergunning eenmaal binnen is, is het ellebogenwerk nog niet voorbij. Vergunninghouders kunnen elkaar namelijk ook ondergronds in de weg zitten. Aardwarmteputten bestaan uit doubletten: een warmwaterput met bijbehorende warmwaterbel en een put waarin het gebruikte en afgekoelde water wordt teruggepompt. Een koudwaterbel uit het ene vergunningsgebied zou in contact kunnen komen met een warmwaterbel van een buurman, die daarmee inlevert op rentabiliteit. ‘De kans dat putten elkaar negatief beïnvloeden is klein, maar wel aanwezig. Je zou zo’n kassengebied prachtig kunnen ordenen en met een meetlat de ideale boorlocatie kunnen uittekenen. Zo benut je de aanwezige aardwarmte natuurlijk maximaal,’  aldus Van Heekeren.

Het geothermische potentieel in Nederland is enorm, maar boringen zijn duur en tot voor kort was de financiële tegemoetkoming vanuit het Rijk onvoldoende om de risico’s op mislukkingen te dekken. Voeg hier een lage gasprijs en de lage prijs die tuinders het afgelopen jaar voor hun producten kregen aan toe en de verklaring is gevonden waarom aardwarmteprojecten in Nederland vooralsnog op de vingers van één hand te tellen zijn. Van Heekeren verwacht echter dat het er snel meer zullen worden, vooral door toepassing in de gebouwde omgeving. ‘De recente aardwarmteboring in Den Haag gaat een grote uitstraling krijgen.’

Naast concurrentie om ruimte kan er in de ondergrond ook concurrentie ontstaan om functie. Nederland kent veel lege gasvelden, die zouden kunnen dienen als opslag voor het broeikasgas CO2. Op verzoek van minister Van der Hoeven van Economische Zaken stelde onderzoekscentrum TNO daarom een lijst samen van negen lege gasvelden in de drie noordelijke provincies die hiervoor in aanmerking kunnen komen. Deze lijst ontlokte bij provincies terughoudende reacties. Een officiële verklaring van Gedeputeerde Staten van Drenthe sprak boekdelen: ‘Met het oog op nieuwe technische ontwikkelingen wil het college deze velden beschikbaar houden voor bijvoorbeeld duurzaam groen gas. Ook geeft het college meer prioriteit aan de winning van aardwarmte uit het hete water dat diep in de ondergrond voorkomt in dezelfde lagen als die waarin het gas zit.’ De provincie wil dus niet alle gasvelden voor CO2 beschikbaar stellen. ‘Veel keuzes voor de ondergrond kun je maar één keer maken. Daarom moeten we zorgen dat we meteen de juiste en meest duurzame maken,’ licht gedeputeerde Tanja Klip-Martin toe.

De ondergrond is een driedimensionale ruimte waarbij verschillende functies prima boven elkaar kunnen bestaan. Denk aan een net van leidingen en kabels, waaronder een parkeergarage gebouwd is, daaronder wordt drinkwater gewonnen en weer daaronder bevindt zich ten slotte een aardgasveld. In dergelijke gevallen is een zorgvuldige afstemming vereist, maar de functies sluiten elkaar niet per definitie uit. Anders is dat wanneer functies zich op ongeveer dezelfde diepte bevinden. Dan zijn er afvallers. Geologische geschiktheid van de bodem voor de betreffende functie is in de selectie natuurlijk een belangrijk criterium. Zo waande Terschelling zich enkele jaren geleden rijker dan het was. Van zes tot tien kilometer diepte zou water naar boven gepompt worden van boven de 100 graden celcius. De zo verkregen stoom zou turbines kunnen aandrijven, die heel Terschelling van duurzame elektriciteit konden voorzien. Helaas, uit onderzoek bleek de temperatuur onder het eiland te laag en de doorlaatbaarheid van de bodem te gering. Ook Texel hoopt nog te profiteren van de zegeningen van diepe geothermie, maar het eiland moet zich maar eens gaan afvragen of die hoop niet ijdel is. Kortom, betrouwbare informatie over de ondergrond kan teleurstellingen voorkomen.

Een groot deel van die informatie ligt er al, zij het versnipperd. Diverse kennisinstituten ontsluiten langzaam hun schatten. Zo publiceerde TNO onlangs op basis van metingen van de afgelopen dertig jaar de prachtige en gratis website ThermoGIS, die het geothermisch potentieel van heel Nederland van anderhalf tot vier kilometer diepte in kaart brengt. ThermoGIS maakt onderdeel uit van de rijke ondergrondverzameling van TNO. Die vormt binnenkort samen met het Bodem Informatie Systeem van Alterra, het kennisinstituut van de Wageningen Universiteit, de basis van een centraal informatiepunt over de bodem. Deze Basisregistratie Ondergrond (BRO) moet in 2013 operationeel zijn. Gelijkopgaand met het optuigen van deze basisregistratie werken verschillende bestuurslagen aan visiedocumenten over de bodem. Zo presenteerde het kabinet in april de beleidsvisie Duurzaam gebruik ondergrond. Daarin klinkt onder meer de vurige wens door om vaart te maken met de opslag van CO2. Het kabinet hangt het adagium ‘decentraal wat kan, centraal wat moet’ aan, maar laat er geen misverstand over bestaan dat het Rijk weinig tegenspraak duldt bij strategische keuzes van nationaal belang, zoals CO2-opslag: ‘Op de plekken waar dergelijke functies worden benut, zullen strijdige activiteiten boven- en ondergronds moeten wijken.’

Met enige argwaan zou je in de ontwikkeling van de BRO en uit het visiedocument pogingen van het Rijk kunnen zien om bij de ruimtelijke ordening van de ondergrond de baas te spelen. Vrom-medewerker Dirk van Barneveld kan zich hier niet in vinden: ‘De BRO sluit aan bij het streven naar een goede informatievoorziening over de ondergrond. Zonder een adequate informatievoorziening is het niet mogelijk de ondergrondruimte goed te ordenen. En het streven naar centralisatie van bevoegdheden is niet in de beleidsvisie verwoord.’

‘Ik vind Economische Zaken in deze kwestie erg stellig. Natuurlijk ken ik de term “decentraal wat kan, centraal wat moet”, maar zelf zeg ik liever “decentraal moet, tenzij het alleen centraal kan”,’ zegt gedeputeerde Klip-Martin. Geothermie en eventueel de opslag van groen gas in lege gasvelden geniet de voorkeur, zeker in Drenthe. Als eerste provincie ontwikkelde Drenthe daarom zijn eigen visie op de ondergrond. ‘Wij putten uit precies dezelfde informatiebronnen als Vrom en EZ, hebben dus geen informatieachterstand en kunnen goed gewapend de discussie aangaan,’ zegt Klip-Martin. ‘We zijn niet per definitie tegen of voor, maar willen verantwoorde keuzes.’ De gedeputeerde beseft dat besluiten over de diepe ondergrond worden genomen op basis van bepalingen uit de Mijnbouwwet en dat de provincie hier dus geen zeggenschap over heeft. ‘Maar ook het Rijk heeft draagvlak nodig. Dat begint men trouwens wel te beseffen. Ik merk dat vooral Vrom langzaam onze kant op schuift.’

Tekenend wellicht in de beweging die Vrom maakte is het convenant  “Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties” met VNG, IPO en de Unie van Waterschappen, waarin ook het vraagstuk over duurzaam gebruik van de ondergrond is opgenomen. Ruimtelijke ordening van de ondergrond is volgens Klip-Martin bij uitstek een provincietaak, omdat boven- en ondergrond niet meer los van elkaar te zien zijn: ‘In de buurt van Hoogeveen zit bijvoorbeeld een grote warmwaterbel in de diepe ondergrond. Een uitbreiding van het bovengrondse bedrijventerrein moet je dus plannen boven die bel, zodat je de warmte kunt gebruiken.’

De procedures voor de winning van aardwarmte, CO2-opslag en gasopslag staan in de Mijnbouwwet uit 2002, die eigenlijk niet veel meer is dan stroomlijning van vier veel oudere, nog Franstalige mijnwetten uit het begin van de negentiende eeuw. Deze wet wordt nu herzien. Zoals het er nu naar uitziet, kan geothermie straks geweigerd worden als het Rijk vindt dat opslag van CO2 of gas voorrang heeft. De wet is waarschijnlijk niet eerder klaar dan in 2012. Het lobbywerk rond de vormgeving van de nieuwe wet is nog in volle gang. Zo pleitte land- en tuinbouworganisatie LTO voor de mogelijkheid van twee boringen in verschillende aardlagen in één afgebakend gebied. Maarten Hajer, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving, opperde eerder dit jaar beprijzing van ondergronds ruimtegebruik: ‘Het afwegen van kosten en baten van ander of intensiever gebruik van de ondergrond blijft lastig zolang er geen verband is tussen de prijs van grond per vierkante meter (ruimtevraag) en die per kubieke meter (functievraag).’

Beprijzing, het is een idee waar Victor van Heekeren van gruwelt. ‘Accijnzen zouden de opmars van geothermie ernstig dwarsbomen.’

Bron: Groen Akkoord, SDU Uitgevers, oktober 2010