Alle berichten door Tijdo van der Zee

Freelance Journalist

Nieuwe regels toewijzing emissierechten, bedrijven in hun nopjes

Emissierechten voor de industrie worden vanaf 2013 niet meer per se alleen aan hele bedrijfsterreinen toegewezen. Bedrijven krijgen ook de mogelijkheid losse installaties aan te melden. Dat heeft staatssecretaris Joop Atsma van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) woensdag per brief meegedeeld aan ondernemingsorganisatie VNO-NCW. Die reageert verheugd op het besluit. Het aantal toegewezen emissierechten zou hierdoor flink kunnen stijgen.

Door Tijdo van der Zee

Het ministerie verwacht dat vooral grote chemische bedrijven met veel installaties hier financieel voordeel van zullen hebben. Wel waarschuwt het ministerie voor een toename van de administratieve lastendruk. In een persbericht stelt I&M: “Bedrijven zullen zelf de afweging moeten maken of de toename van administratieve lasten opweegt tegen het voordeel dat met de nieuwe berekeningsmethode is te behalen.” Volgens het ministerie komt het besluit voort uit “intensief en constructief overleg” tussen rijk, VNO-NCW en vertegenwoordigers van bedrijven die onder het emissiehandelssysteem vallen.

VNO-NCW stelt in een reactie “blij” te zijn met het besluit van Atsma. “Voortaan kunnen bedrijven kiezen of zij een toewijzing per installatie aanvragen of een toewijzing per bedrijfsterrein. Nu is alleen die tweede optie mogelijk, waardoor geclusterde bedrijven slechter uit zouden zijn.”

Vanaf 2013 gaat de derde fase van het Europese emissiehandelssysteem in. Energiebedrijven moeten vanaf dan voor het eerst hun emissierechten kopen op een veiling. Verschillende sectoren in de industrie doen ook mee in het emissiehandel, maar die krijgen hun emissierechten in die derde fase (tot 2020) nog toegewezen, volgens een behoorlijk ingewikkelde berekeningsmethode.

“Dit besluit zal leiden tot een toename in de hoeveelheid toegewezen emissierechten”, zegt Maarten Neelis, unit manager van de Carbon Market Strategies unit bij Ecofys. “Niet van 50%, maar ik verwacht toch wel tussen de 5% en 10%.” Dat is dan per bedrijf en niet voor de BV Nederland als geheel, zo voegt Neelis er in een e-mail aan toe. I&M-woordvoerster Elif Bagci laat weten dat het ministerie verwacht dat er door het besluit 250.000 tot 300.000 rechten per jaar extra zullen worden toegewezen. Op een verwacht totaal aantal toegewezen rechten van 30 tot 40 miljoen is dat net iets minder dan 1%. “Voor specifieke bedrijven, die bij de nieuwe mogelijkheid baat hebben, kan het percentage iets hoger uitpakken.”

Neelis legt uit wat volgens hem die stijging veroorzaakt. In de berekeningsmethode, zoals die nu op de tekentafel ligt, mogen bedrijven kiezen welke jaren ze als historische basisjaren mogen gebruiken. Ze kunnen kiezen tussen de periodes 2005 tot 2008 of 2009 tot 2010. Tot nu toe zou gelden dat het hele bedrijfsterrein voor één van die twee periodes gaat, maar wanneer een bedrijf per installatie mag opsplitsen, dan kan het voor iedere afzonderlijke installatie kiezen in welke periode deze het meeste uren draaide. Want hoe meer deze draaide, hoe meer emissierechten worden toegewezen.

Een tweede reden waarom het aantal toegewezen rechten omhoog zal gaan, volgens Neelis, is omdat er in fase drie een regel komt die stelt dat wanneer het bedrijf 10% of meer gegroeid is in een periode, er extra emissierechten worden toegewezen. Wanneer het bedrijf zich opsplitst in kleinere delen, is het makkelijker voor ten minste enkele delen om boven die grens uit te komen. Maar voor het bedrijfsterrein als geheel is zo’n groei moeilijk te halen.

Neelis denkt dat het besluit van Atsma een vertragende werking heeft op het allocatiebesluit. Dit staat tot nu toe gepland in januari komend jaar, maar zou vertraagd kunnen worden tot de zomer. “Omdat bedrijven nu een paar maanden de tijd krijgen om hun nieuwe gegevens aan te leveren. Nederland hoort straks waarschijnlijk tot de laatste lidstaten in de Europese Unie die hun allocatieplan inleveren.”

Neelis zegt dat het besluit van Atsma nog wel voorgelegd moet worden aan Europa, maar hij wil niet speculeren over wat de Europese Commissie hiervan zal vinden. Het ministerie zelf verwacht hier geen problemen. “Uit de tekst van de richtlijn blijkt dat er meerdere installaties per vergunning kunnen zijn”, aldus Bagci. Volgens I&M komt alleen in Vlaanderen een soortgelijk systeem. “In Duitsland gebeurt wel iets vergelijkbaars, namelijk het bedrijfsterrein opdelen in meerdere vergunningen.”

Emissiehandelspecialist Jos Cozijnsen vindt het een goede zaak dat losse installaties straks ook aangemeld kunnen worden. Bedrijventerreinen waar bedrijven onderling energie uitwisselen, bijvoorbeeld met restwarmte, zouden volgens hem anders “gestraft” worden voor hun energiezuinigheid, omdat het terrein als geheel dan minder emissierechten krijgt.

Verschenen in Energeia, 1 september 2011

Slimme meter biedt installateur legio kansen 

De grootschalige uitrol van de slimme gas- en elektriciteitsmeter zal niet lang meer op zich laten wachten. Wat kan de slimme meter betekenen voor installateurs?

Door Tijdo van der Zee. In Installatie Journaal juni 2014

Afgelopen jaren maakte Nederland op een rustige manier kennis met de slimme meter. Via de kleinschalige uitrol werden de eerste 600.000 meters geplaatst. Maar nu is het tijd dat heel Nederland overstapt op de slimme meter. In 2020 moeten alle 6,5 miljoen huishoudens en een miljoen mkb-bedrijven een slimme meter aangeboden hebben gekregen.

Voor elektriciteit leveren IBM en Landis + Gyr de meter. Voor gas zijn dit Landis + Gyr, Itron en Elster. De eerste maanden van 2014 is de voorraad ‘oude’ slimme meters opgemaakt. Dat zijn de meters die voldoen aan de eisen van de Dutch Smart Meter Requirements (DSMR) 2.2. Volgens Netbeheer Nederland zijn die voorraden nu op en worden alleen nog DSMR 4.0-meters geplaatst. 2373753753_1e8588cd8b_b

Als alles goed verloopt kunnen behalve de netbeheerders straks ook installateurs een slimme meter aanbieden aan klanten. Bijvoorbeeld tegelijk met de vervanging van een cv-ketel. Netbeheer Nederland (de branche-organisatie van netwerkbedrijven) en Uneto-VNI maken hier nu afspraken over.

Het is nog niet helemaal duidelijk hoe dit vorm gaat krijgen. Uneto-VNI wil bijvoorbeeld graag dat de meters via de groothandel beschikbaar komen. Netbeheer Nederland “onderzoekt deze mogelijkheid” aldus woordvoerder Martijn Boelhouwer. Daarnaast moet er nog overeenstemming komen over de datum. Netbeheer Nederland pleit voor 1 januari 2015. Uneto-VNI had graag gezien dat deze datum wat meer naar voren geschoven kon worden. Als de partijen akkoord zijn met deze randvoorwaarden kan het specifieker worden ingevuld: richtlijnen opgesteld, een erkenningsinstantie worden aangewezen en de vergoeding voor zulke ‘derdenplaatsingen’ worden vastgesteld.

Aangezien het hier over miljoenen huishoudens gaat, en meestal twee slimme meters per huishouden, zouden installateurs gek zijn als ze hier niet een graantje van zouden willen meepikken. Maar de slimme meter biedt installateurs veel meer dan alleen eenmalig installatiewerk. De slimme meter is ook het zenuwcentrum voor verschillende energiediensten die installateurs kunnen bieden.

Een installateur die dat al vroeg begreep is Robert Hendriks, directeur van Volt Elektro Groep. Zijn bedrijf greep de komst van de slimme meter aan om particulieren en mkb-ondernemers energiediensten op maat aan te bieden. En dat gaat goed. Eind april bediende het bedrijf ongeveer tachtig klanten met deze dienst, en de rek is er nog allerminst uit. “Wekelijks krijgen we nu vijf tot tien nieuwe klanten”, aldus Hendriks. Daarbij is ruwweg 60 procent mkb-ondernemer en 40 procent particulier.“Bij particulieren is het vooral een dienst om betrokken te blijven, de relatie warm te houden. Bij ondernemers speelt besparingspotentieel een grotere rol.” Volgens Hendriks is het nog lang niet bij alle installateurs die met duurzaamheid bezig zijn doorgedrongen dat de slimme meter erg belangrijk gaat worden, door de mogelijkheid om diensten op maat te gaan leveren.

Domotica 

De slimme meter is juridisch opgebouwd uit verschillende elementen, of poorten. De P1-poort is bestemd om te koppelen aan de domotica. Dit kunnen bijvoorbeeld energiedisplays zijn of slimme koppelingen tussen meter en cv-ketel, waardoor installateurs kunnen onderzoeken of de cv-ketel nog naar behoren werkt, of dat deze toe is aan een onderhoudsbeurt. Via die P1-poort kan het elektriciteitsgebruik elke 10 seconden worden uitgelezen: bijna realtime dus. Dat betekent  dat het gedrag van gebruikers of componenten in de installatie gelijk zichtbaar is. Het gasgebruik wordt elk uur doorgegeven. De domotica die aan deze P1-poort hangt is het speelterrein voor de marktpartijen.

Een ander deel van de slimme meter is de P4-poort. Dat is het gedeelte dat gebruiksgegevens zendt naar de netbeheerder en van daaruit naar de energieleverancier. Dit gedeelte is het ‘officiële’ gedeelte, in die zin dat alleen op basis van deze gegevens de energiefactuur opgesteld mag worden.

ODA-regeling

In principe mogen installateurs niet bij deze gegevens, tenzij de klant ze heeft gemachtigd via de ODA-regeling (overige diensten aanbieders). Sinds vorig jaar is er een vereniging voor deze aanbieders. Die heet de Vedek. Volgens Joost Zonneveld van de Vedek zijn er momenteel 17 bedrijven ODA-gecertificeerd. En dat zullen er volgens hem niet snel veel meer worden. Het certificeringtraject duurt namelijk lang en er is veel technische en juridische expertise voor nodig. Wat vaker gebeurt, zegt Zonneveld, is dat gemachtigde bedrijven de meetgegevens kopen van ODA-bedrijven zoals Ealyze. Dat kost wat, maar bespaart ook veel gedoe.

Volgens Robert Hendriks van de Volt Elektro Groep is het essentieel om je als installateur niet alleen maar te richten op de mogelijkheden die de P1-poort biedt. Het bedrijf werkt daarom ook via de ODA-regeling met de officiële meetgegevens. “Zo kunnen we het echte afgerekende gebruik zien van consumenten. Energieleveranciers krijgen deze gegevens om de paar maanden, maar wij krijgen ze elk kwartier en we kunnen dus dagelijks schakelen met klanten. Het gaat bij deze poort heel concreet over geld. Daar is niet over te discussiëren. Dat heb je niet bij de P1-poort. Hoe je het wendt of keert, de klant krijgt de factuur via de P4-poort.” Volt Elektro Groep heeft zich aangesloten bij een collectief van installateurs onder de noemer EnergiePartners, die nieuwe diensten en verdienmodellen voor installateurs ontwikkelen.

Warmtepompen in Breda

Een ander project waar de slimme meter een cruciale rol speelt, is de duurzame wijk Meulenspie in Breda. De afgelopen jaren werd daar al geëxperimenteerd met het ‘smart’ laten draaien van de wasmachine  in de smart grid pilot van Enexis, genaamd Jouw Energie Moment. Namelijk: wanneer de energieprijs laag is. Maar sinds maart zijn hier ook warmtepompen van Nathan Import/Export bij gekomen. Het gaat om Alpha Innotec combi-warmtepompen gekoppeld aan een bronsysteem van Thermoplus.  Deze warmtepompen hebben standaard een BACnet aansluiting waardoor de warmtepomp gekoppeld kan worden aan diverse meet en regelsystemen. Ook hier worden zowel de P4-poort als de P1-poort van de slimme meter gebruikt.

De P1-poort om deelnemers realtime hun energieverbruik te laten zien, en de P4-poort voor de facturatie. In die P4-poort worden de kwartier-intervalstanden uitgelezen door een centraal energiemanagement-systeem (CEMS) in de wijk. “Om ervoor te zorgen dat niet alles precies op hetzelfde moment aangaat”, zo legt Elke Klaassen, die mede op dit project promoveert aan de TU Eindhoven, uit.

Klaassen: “Het prijsprofiel wordt day-ahead bepaald op basis van de verwachte elektriciteitsvraag in de wijk, de verwachte zon-PV-opwek en de day-ahead APX-marktprijs. Reden voor het gebruik van day-ahead-prijzen is omdat in deze pilot ook de consument gestimuleerd wordt om zelf de vraag te verschuiven. Het dynamische tarief wordt ook daadwerkelijk gebruikt voor facturatie.”

 Delen

Volgens Robert Hendriks van de Volt Elektro Groep is de slimme meter de komende jaren nog essentieel om echt goede diensten aan te kunnen bieden. Hij beaamt dat er andere technieken in opkomst zijn die de slimme meter op den duur wel eens overbodig kunnen maken voor installateurs. Zo kunnen ook steeds meer meetgegevens van installaties prima via internet verzameld en verzonden worden, zonder tussenkomst van slimme meter. “Maar het duurt nog wel een aantal jaar voor het zover is dat de slimme meter voor ons niet meer van belang is”, schat Hendriks.

Voor nu heeft Hendriks nog twee oproepen. Ten eerste: “Laten we zo veel mogelijk de informatie die we hebben over slimme-meterprojecten met elkaar delen. Dit is een kans voor de installatiesector en we kunnen ons de kaas niet van het brood laten eten door energiebedrijven, consultants of bouwbedrijven.” En ten tweede: “We moeten haast maken met de mogelijkheden voor installateurs om de slimme meter te plaatsen. Het kan mij niet snel genoeg gaan. Als je naar een snelle uitrol wil van de slimme meter, dan kan de netbeheerder maar beter snel meer marktpartijen toelaten.”

Politiek

Minister van Economische Zaken Henk Kamp liet de Tweede Kamer eind april in een brief weten de grootschalige uitrol van de slimme meter niet uit te willen stellen. De SP had om uitstel gevraagd omdat uit de pilotfase blijkt dat de daadwerkelijke energiebesparing achterblijft bij de gewenste besparing. SP-Kamerlid Paulus Jansen pleitte daarom voor nog meer pilots.

Maar volgens Kamp kan deze energiebesparing juist vooral gerealiseerd worden als we in Nederland allemaal aan de slimme meter gaan. Alleen op die manier kan aan bedrijven de zekerheid worden geboden die ze nodig hebben bij het ontwikkelen van energiebesparingsdiensten.

Verder gas Kamp aan dat er snel meer duidelijkheid komt over de precieze planning van de grootschalige uitrol van de slimme meter. In de markt zijn namelijk zorgen ontstaan over de gebrekkige transparantie hierover. Als bedrijven namelijk niet weten wanneer en waar de slimme meter wordt uitgerold, kunnen ze ook hun diensten niet op een goede manier aanbieden. De minister verwacht dat er op korte termijn afspraken hierover kunnen worden gemaakt, die dan in een convenant bezegeld worden.

In Installatie Journaal juni 2014

Hebben slurries de toekomst in de koudetechniek?

De Technische Universiteit experimenteert met Phase Change Materials in een oplossing, toegepast als koudemiddel in een conventionele koelinstallatie. Avontuurlijke installateurs zijn nodig om de techniek naar een hoger plan te tillen. 

Door Tijdo van der Zee

Phase Change Materials (PCM’s) vinden steeds vaker een toepassing in de gebouwde omgeving. Warmte die overdag wordt geproduceerd door computers, of menselijke activiteit, kan worden opgeslagen in PCM-plafonds, om later in de nacht weer vrij te komen. Bij de Technische Universiteit Delft wordt gewerkt aan PCM’s in een oplossing, zodat ze kunnen worden rondgepompt en kunnen dienen als koudemiddel in meer conventionele koelinstallaties.

In het oude lab van de werktuigbouwkundige faculteit staat sinds enkele jaren een proefopstelling met een dergelijke PCM-oplossing. De installatie is via snoertjes gekoppeld aan computers die de onderzoekers continu informatie doorgeven over de prestaties van het materiaal. Via kijkgaatjes in de buizen is het proces ook binnenin de installatie te volgen.

PCM’s zijn in zekere zin niks nieuws. Immers, ook normale airco’s zijn gebaseerd op het principe van faseverandering. Het koudemiddel wisselt hier van gasvormige staat naar een vloeistof en omgekeerd. In de PCM’s die in dit artikel worden besproken gaat het daarentegen om de faseverandering van een vloeistof naar de vaste vorm van het koudemiddel. Bij de TU Delft is gekozen voor een oplossing met zouthydraten, in dit geval zijn dat moleculen met de naam tetra-n-butylammonium bromide (TBAB), gehuld in een ‘jas’ van waterstof.

Deze hydraten worden onder omgevingsdruk in een zodanige oplossing gebracht met water dat een slurry ontstaat. Het woord zegt het eigenlijk al een beetje: een slurry is een vloeistof met daarin een bepaalde hoeveelheid gestolde stof. Vergelijk het met het ijsdrankje slush puppie. Het smeltpunt van deze oplossingen ligt, afhankelijk van het percentage opgelost hydraat, ongeveer tussen de 7 en 12 graden.

Op vijf november vond op de werktuigbouwkundige faculteit van de TU Delft in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Koude (KNVVK) een seminar plaats die de techniek van TBAB-slurries onder de aandacht bracht van geïnteresseerde installateurs. Eén van de sprekers was Irene de Sera, promovenda bij Carlos Infante Ferreira, professor koudetechniek en warmtepompen.

“TBAB-slurry is een uitstekend koudemiddel”, aldus De Sera, “Het heeft met een latente warmte van 193 kJ per kilo een veel grotere koudecapaciteit water. Dus je hebt voor hetzelfde koelvermogen veel minder koudemiddel nodig.” Ter illustratie gebruikt de Sera een voorbeeld van een airconditioning waarmee een vermogen van 5 kW gehaald moet worden. Wanneer in het koelsysteem water als koudemiddel wordt gebruikt, is er 0,24 kilo per seconde nodig. Bij TBAB-slurrys is dat veel minder. Van 0,17 kilo per seconde bij een oplossing van 20 procent, tot slechts 0,07 kilo per seconde bij een oplossing van 40 procent. Dit heeft uiteraard consequenties voor de buisdiameter – als de snelheid constant blijft -, die bij water 6 millimeter bedraagt, terwijl die bij de 40-procents oplossing bijna is gehalveerd tot 3,2 millimeter.

“Een ander voordeel is dat je met deze TBAB-slurry heel makkelijk koude kan opslaan. Je kan deze hydraten in oplossing maken en vervolgens laten staan voor later gebruik”, zegt De Sera. “Je kan dus makkelijk en goedkoop ‘s nachts deze koude opwekken, om hem de volgende dag te gebruiken.”

Bij het gebruik van slurries bestaat het gevaar dat de hydraten gaan klonteren, of aankoeken, waardoor het geheel dichtslibt. Om dit te voorkomen wordt in de testopstelling in het laboratorium gebruik gemaakt van twee koelers, waarbij de ene koeler een iets hogere temperatuur aanhoudt dan de andere. “In die warmere koeler smelten we de hydraten weer een beetje.” Uiteraard heeft een slurry andere fysische eigenschappen dan water. Dat blijkt bijvoorbeeld ook door de grote drukval die optreedt als de hydraten in de oplossing stollen. “Maar dit kan worden ondervangen door de hogere capaciteit van de slurry”, zegt De Sera. “En ondanks de hogere viscositeit blijft de slurry goed pompbaar. We hebben in onze opstelling zelfs flink wat bochtjes en t-stukken en die leveren geen problemen op.”

Er zijn meer fysische verschillen met water. Zo blijkt bij de generatie van slurry de warmteoverdrachtscoëfficiënt voor de slurry lager te liggen dan bij water. Dat betekent dat de generatorwarmtewisselaar groter moet zijn dan bij water als koudemiddel. “In geval van een standaard koelcyclus moet de verdamper een stukje groter zijn, en daarin is meegerekend dat je dankzij de hogere capaciteit minder slurry nodig hebt dan water”, zegt De Sera. De warmteoverdrachtscoëfficiënt bij het smelten van de slurry, dus bij de toepassing in het gebouw, ligt veel dichter bij die van water, dus daar kan de warmtewisselaar ongeveer even groot blijven.

Proefopstelling slurrygenerator op de TU Delft

Dat een TBAB-slurry koelsysteem kan werken is bewezen aan de andere kant van de wereld. In de Thaise hoofdstad Bangkok wordt sinds begin 2013 een kantoorgebouw met een vloeroppervlak van 28.800 vierkante meter gekoeld met TBAB-slurry, die door het bedrijf Japanse bedrijf JFE Engineering op de markt wordt gebracht onder de naam Neo White. Zover is het in Nederland nog lang niet. Ja, er staat een slurrygenerator in het laboratorium, maar die is niet aangesloten op een warmtewisselaar in een gebouw.

Die situatie is overigens al wel gesimuleerd, in de computer, door student Hicham Zak, die binnenkort op het onderwerp in Delft afstudeert. Hij liet berekeningen los op een fictief kantoorgebouw met 1920 vierkante meter vloeroppervlak gedurende tien hypothetische dagen in juli. Hij vergeleek koeling met water met koeling met TBAB-slurry op verschillende temperaturen (beide systemen met propaan als koudemiddel in het primaire systeem). Zijn conclusies liegen er niet om. Het ‘watersysteem’ dat werkte met een verdampingstemperatuur van 2 graden lag op een COP van 3.15. Met een TBAB-slurry in combinatie van een verdampingstemperatuur van 7 graden en gebruikmakend van nachtelijke hydraatgeneratie, ligt de COP op 7.04. Dit ondanks dat de pompen veel meer vermogen vragen om de dikkere slurry rond te pompen.

Weet TU Delft de interesse te wekken van installateurs

De presentaties bij de TU Delft waren zeer zeker bedoeld om de interesse te wekken van avontuurlijke installateurs. Zij zijn nodig om de techniek naar een hoger plan te tillen. Uiteraard zijn hier innovatiesubsidies voor beschikbaar. Vanuit Europa is er voor innovatie en ontwikkeling de komende zeven jaar 80 miljard euro vrijgemaakt. En anders dan bij het vorige subsidieprogramma, FP7, stelt de Europese Commissie nu heel duidelijk dat betrokkenheid vanuit het MKB (installateurs!) de kans op toekenning veel groter maakt.

Of deze techniek gaat aanslaan in de sector? Harry Schmitz, werkzaam bij OC Autarkis, heeft zijn bedenkingen. Zijn bedrijf levert PCM-plafonds, die toepassing vinden in onder meer datacentra en kantoren. “Ben ik onder de indruk van slurries ? Ja en nee”, zo laat hij aan GAWALO weten. “Zolang we klimaatinstallaties blijven bouwen met een koelwatertraject van 6 tot 12 graden met binnentemperaturen van 20 tot en met 23 graden, kunnen slurries concurrerend worden. Gaan we echter naar adaptieve hogere binnentemperaturen toe van maximaal 26 a 27 graden in de zomer, dan denk ik dat de huidige generatie slurries geen schijn van kans hebben.”

Schmitz verwijst naar NEN-EN 15251, waarin gesproken wordt over adaptieve binnentemperaturen. De maximale binnentemperatuur ’s zomers bedraagt daarin 26 graden met overschrijdingsuren 27 graden. “Nu heb ik begrepen dat TBAB een smelttemperatuur heeft van 6 a 7 graden. Maar m et die hogere temperaturen uit de NEN-EN 15251 ga je naar koelwatertemperaturen van 16 tot 19 graden. Dan hoeft de koelmachine niet meer diep door te koelen naar 6 graden Celsius maar nog maar naar 16 graden. De COP-waarde van de compressiekoeling verbetert daarmee enorm.”

Verschenen in Gawalo nov/dec 2014

Crowdfunding in Amerika gaat nieuwe fase in

Begin volgend jaar treedt in de VS de JOBS Act in werking, die de mogelijkheden voor crowdfunding flink zal verruimen. Sommigen spreken al van een nieuwe Amerikaanse droom.

Crowdfundingsite Startup Valley staat in de startblokken. Het platform van ondernemer Daryl Bryant draait nu in de beta-versie; voorinschrijvingen zijn al wel mogelijk, daadwerkelijk geld ophalen nog niet.

Startup Valley richt zich op startende ondernemers met slimme internetplannen en technologische uitvindingen. Het is nu nog een paar maanden wachten, dan kan het geld gaan binnenstromen. “Als je uit het juiste hout gesneden bent voor de Silicon Valley, dan ben je bij mij welkom”, aldus Bryant.

De Jumpstart Our Business Startups Act (JOBS) – begin dit jaar ondertekend door Obama, het Huis van Afgevaardigden en de Senaat – maakt het mogelijk om geld op te halen bij de ‘crowd’, gewone mensen, die als investeerders ook daadwerkelijk meedelen in de winst, of rente krijgen op hun lening. Lees verder Crowdfunding in Amerika gaat nieuwe fase in

‘Offshore trafo’s kunnen best wat kleiner’

BorWin_beta_2013
Borwin Beta

Een offshore windpark van 800 MW kan prima toe met een offshore transformatorstation van 700 MW: het waait namelijk zelden zo hard dat de turbines hun maximale capaciteit leveren. En als ze dat toch eens doen, dan waait het in de rest van Noordwest Europa meestal zo hard, dat de elektriciteitsprijs keldert. Het kan dan geen kwaad om een paar turbines af te schakelen.

Dat zegt CEO Mel Kroon van hoogspanningsnetbeheerder TenneT in een interview in de nieuwste uitgave van Offshore Wind Magazine.  Ik sprak Kroon enkele dagen voordat minister Henk Kamp bekendmaakte dat TenneT in Nederland verantwoordelijk wordt voor het aan land brengen van de stroom van de toekomstige offshore windparken.

Om de door de regering gewenste kostenreductie voor offshore windenergie van 40 procent te bereiken, gaat TenneT op grote schaal inkopen. “In plaats van tientallen kilometers kabel gaat het nu om honderden kilometers”, aldus Kroon, “Dat zal de prijs zeker drukken.” Ook het kleiner uitvoeren van de transformatorstations moet aan die kostenreductie bijdragen. “Daar kunnen we wel 10 procent mee besparen.” Kroon wil deze discussie niet alleen in Nederland voeren. “Ook in Duitsland zullen dit aanzwengelen.”

Het kabinet maakte eind september bekend dat de komende jaren offshore windparken geclusterd worden in drie zones voor de Zeeuwse, Zuid-Hollandse en Noord-Hollandse kust. Het eerst zal gebouwd worden aan windparken voor de Zeeuwse kust. De stroom komt dan aan land bij Borssele, waar vanwege de kerncentrale al een stevige elektriciteitsverbinding ligt.

Lees het hele artikel hier 

 

 

 

Zonnepanelen met hoge nauwkeurigheid testen

Zonnesimulatorfabrikant Eternal Sun uit Delft ontwikkelde een techniek waarbij zonnepanelen op korte afstand met hoge nauwkeurigheid kunnen worden getest. Inmiddels worden de compacte zonnesimulatoren naar alle hoeken van de wereld verscheept.

Door Tijdo van der Zee

De demonstratiesimulator staat opgesteld in een hoekje van het pv-lab van de Technische Universiteit Delft. Het apparaat meet ongeveer twee bij drie meter, daarnaast staat een meetinstallatie die is gekoppeld aan de computer. Na iedere test verschijnt er op het scherm een IV-curve, die de kwaliteit van het pv-paneel toont. In wezen is het apparaat niet meer dan een lichtbak, waarbij de lampen zo goed mogelijk het spectrum van zonlicht nabootsen.

Het heeft wel wat weg van een zonnebank, inclusief zoemende ventilatoren die de warmte wegblazen, al zijn het lichtspectrum en de nauwkeurigheid niet echt met elkaar te vergelijken.Om een paneel te testen, leg je het op een karretje en rolt het onder de lichtbank, die schijnt met 1000 W per vierkante meter bij een temperatuur van 25 graden. Een meting duurt ongeveer een halve seconde. Dat is genoeg om te weten of het paneel doet wat de fabrikant beweert.

Copyright Eternal Sun
Copyright Eternal Sun

Steady state

De technologie die hier gebruikt wordt heet steady state. Dat houdt in dat er langer belicht wordt dan in de meer gangbare flash-testen, waar een test doorgaans tussen de 10 ms en 50 ms duurt.

Volgens Eternal Sun kunnen deze flash-testen een vertekening geven.Sommige typen pv-panelen hebben namelijk een responstijd die langer is dan de flits: het duurt even voor het paneel op maximumcapaciteit produceert. Dat heeft onder meer te maken met chemische eigenschappen en de elektronica van panelen.

Ook de zogenoemde organische pv-panelen, waar onderzoekscentrum ECN momenteel volop onderzoek naar doet hebben steady state belichting nodig.Een ander voordeel van de Delftse techniek is de omvang: het apparaat kan in een kleine kamer worden neergezet en ook het vervoeren ervan is niet moeilijk. Bij flash-technieken zitten tussen de lichtbron en het paneel al snel acht meter. Eternal Sun heeft genoeg aan veertig centimeter.

Dat heeft te maken met het goed simuleren van zonlicht, legt Eternal Sun-manager Robert Jan van Vugt uit.“De pv-panelen moeten over het hele oppervlak egaal beschenen worden. Bij flash worden er enkele lichtbronnen gebruikt, dus daarom is een grote afstand nodig om die uniformiteit te bereiken. Wij gebruiken een grid van lampen, die allemaal individueel regelbaar zijn, waardoor we van dichtbij een uniforme lichtintensiteit kunnen bereiken.”

Over wat er precies in de lichtbak aan technologie hangt, doet Van Vugt een beetje geheimzinnig en foto’s maken is er dan ook niet bij. “Dat is allemaal patent pending.” Wereldwijd zijn er volgens Van Vugt niet meer dan vijf fabrikanten in staat om een nauwkeurige (klasse AAA) steady state simulator te maken. “Potentiële klanten die weten wat ze willen, komen dus al snel bij ons uit”, aldus Van Vugt. Het is niet zo dat de simulator meteen aangeschaft hoeft te worden; Eternal Sun biedt ook een testservice. “Dat is al interessant bij een klein project”, stelt Van Vugt.

Second opinion

“Elk paneel dat nu een fabriek verlaat, wordt daar ook getest en het maximaal vermogen bepaalt direct de verkoopprijs. Maar ja, het blijft wel de slager die zijn eigen vlees keurt. We weten bijvoorbeeld ook dat een auto nooit het verbruik haalt dat de fabrikant beweert. Zo zit het ook een beetje met zonnepanelen. Wij pleiten voor een second opinion.” Een container met pv-panelen die uit China komt kan bijvoorbeeld even snel gescand worden op kwaliteit.

“Haal er twee of drie uit en test die”, zegt Van Vugt. “Je koopt een container waarvan je denkt dat er 600 250 wattpiek (Wp) panelen in zitten, maar zelfs als de panelen maar één procent negatief afwijken, dan koop je 600 keer 247 watt. Je kan met de fabrikant afspreken dat je bij een bepaalde afwijking minder betaalt en als die afwijking nog groter is, kan je de container zelfs terugsturen. Op die manier kan je de testkosten terugverdienen.”

De simulator is vooral interessant voor grote zonnesystemen van pak-hem-beet 1 MW. Van Vugt: “Als je een project van 1 MW hebt, maar het presteert 3 procent minder, dan heb je dus ook 3 procent minder inkomsten en dat kan je business case breken.” Maar in principe kunnen ook kleinere installateurs met de simulator werken, meent Van Vugt. “Onze testservice biedt een manier om je te onderscheiden van de massa. Je bent je dan alleen wel aan het onderscheiden op kwaliteit en niet op prijs.” Het testen van één pv-paneel kost bij Eternal Sun 270 euro. Bij volgende panelen daalt die prijs snel.

Samenwerking

Onlangs ging Eternal Sun een samenwerking aan met een aantal partijen waaronder ECN en TNO. Die samenwerking zou kunnen leiden tot een simulator in een klimaatkamer, waardoor het bedrijf zelfs de concurrentie aan zou kunnen gaan met het vermaarde TÜV in Duitsland. Van Vugt: “Van zulke installaties zal je er natuurlijk geen duizenden verkopen. En al helemaal niet in Nederland alleen. Je moet dan echt Europees of wereldwijd gaan denken.”

Over TÜV gesproken, doet Eternal Sun niet dunnetjes over wat TÜV al gedaan heeft? Nee, zo moet je dat niet zien, meent Van Vugt. “TÜV test een paar panelen van een nieuw model, en doet dat erg grondig, maar hangt daar ook wel stevig prijskaartje aan. Dan zeggen ze: ‘Dit is een goed paneel.’ Maar wat zegt dat predicaat over een paneel dat een jaar later van dezelfde band afrolt? Je kan allerlei wijzigingen doorvoeren in je productieproces en toch het TÜV-label blijven voeren. Wij stellen dus voor om continu een steekproef te nemen uit de panelen die regelrecht uit de fabriek komen.”

Wat kan Van Vugt nu, na een paar jaar testen, over het algemeen zeggen over de kwaliteit van pv-panelen? “Bij goede panelen zijn de onderlinge verschillen ook relatief klein. Slecht presterende panelen hebben ook onderling grotere afwijkingen. Dat zit onder andere in de kwaliteit van de cellen die op het paneel gemonteerd zijn. Goede fabrikanten testen alle afzonderlijke cellen goed en gebruiken alleen cellen die onderling weinig afwijken, waardoor de panelen veel constanter presteren. Als er in één string namelijk één slechte cel zit, presteert meteen de hele string slechter.”

TOP-10 ZONNEPANELEN
Een top-10 van best presterende zonnepanelen. Robert Jan van Vugt krijgt regelmatig het verzoek om
zo’n lijstje op te stellen. Maar dat doet Eternal Sun niet. “Wij werken veelal in opdracht van de installa-
teur of de groothandel, niet de fabrikant, en het is dus niet aan ons top-10 lijstjes te gaan publiceren.
Als een installateur goede sier wil maken met goede testresultaten, is dat natuurlijk aan hem.”
Verder is zo’n lijst al snel achterhaald. Van Vugt: “een top-10 kan erg waardevol zijn, maar zegt eigen-
lijk alleen iets over de zonnepanelen uit die serie, uit die productielocatie van die maand of dat jaar.”
Wie toch benieuwd is naar prestaties van zonnepanelen, kan terecht bij onze oosterburen. Op een
testveld in de buurt van Aken test Photon daar al jaren panelen van tientallen fabrikanten en zet de
resultaten netjes op een rijtje. In februari verschenen de resultaten van 2013.
Verschenen in Installatie Journaal, april 2014

‘U wordt gesensord’

Leegstand, verloedering en een gehalveerde bierconsumptie. De Eindhovense uitgaansstraat Stratumseind kan wel een opknapbeurt gebruiken. De gemeente neemt onorthodoxe maatregelen: de straat wordt een levend laboratorium.

Het Stratumseind komt een paar keer per week tot leven. Op donderdagavond is de vierhonderd meter lange straat het domein van studenten.

En in het weekend drinkt de lokale jeugd er zijn biertjes. In de lange perioden daartussen is er eigenlijk niks te beleven. “Brouwers vertellen me dat er tien jaar geleden twee keer zoveel werd omgezet”, zegt Tinus Kanters.

Kanters leidt namens de gemeente Eindhoven het project ‘Living Lab’, dat er de komende jaren voor moet zorgen dat de straat weer prettig wordt, en winstgevend.

“Het Stratumseind bestaat nu uit 55 cStratumseindafés en zo’n tien cafetaria’s. Maar er komt steeds meer leegstand. Pandeigenaren krabben zich achter de oren want zij zien de waarde van hun bezit verminderen en lopen flinke huurinkomsten mis van soms wel tienduizenden euro’s per maand.”

Hoe ziet het Stratumseind er dan over een paar jaar uit?
“Dan is het weer een straat waar je het ook overdag naar je zin kan hebben, met horecazaken die dan open zijn en wellicht enkele winkels.”

En hoe gaan jullie dat nou precies aanpakken?
“We hebben onlangs de hele straat volgehangen met sensors. Die meten de hele dag door en geven die informatie realtime aan ons door. Door slimme koppelingen te maken tussen de verkregen data, willen we uitzoeken wat ervoor zorgt dat mensen zich prettig voelen in de straat. We zitten met een kantoor boven een kroeg in de straat. Dus echt er middenin.”

Kunt u voorbeelden geven?
“We meten het weer, dus temperatuur en regen en licht. Ook zien intelligente camera’s hoeveel mensen er de straat in en uit lopen. 3D-geluidssensors meten het geluidsniveau en ook waar het geluid vandaan komt. Door het verzamelen van Bluetooth-gegevens en Mac-adressen kunnen we de drukte op specifieke plekken meten.”

“Ook doen we aan webmining: we kijken naar tweets en andere berichten op social media over het Stratumseind en we willen dan weten of die positief of negatief zijn.”

“We krijgen ook gegevens die we niet realtime krijgen, maar bijvoorbeeld een keer in de week. Van Vodafone krijgen we bijvoorbeeld de herkomst van de mobiele telefoons. Zo weten we bijvoorbeeld dat er laatst 10 procent van de bezoekers uit Den Bosch kwam en twee procent uit Amsterdam.”

“Ook krijgen we agressiecijfers van de politie, consumptiecijfers van de brouwers, informatie van de vuilnisophaaldiensten en parkeergarages. We moeten nog een manier zien te vinden hoe we het aantal fietsen kunnen tellen.”

En Philips doet ook mee?
“De 28 lantaarnpalen krijgen komend voorjaar allemaal led-verlichting gekregen die alle kleuren van de regenboog kunnen uitstralen en alle individueel regelbaar zijn. Uniek in de wereld, voor zover ik weet. Samen met de Technische Universiteit van Eindhoven wordt onderzocht welk effect kleur en belichting kan hebben op gedrag van bezoekers.”

“De hypothese is dat het harde witte licht dat nu altijd aangaat op het eind van de uitgaansavond niet bevorderlijk is voor de sfeer. Beter kan je dan zacht wit licht gebruiken.”

Wat kunnen de ondernemers bijdragen aan een betere straat?
“Afgelopen week hebben de betrokken partijen in hierover een convenant een aantal afspraken gemaakt. Uitbaters gaan bijvoorbeeld beter hun gevels schoonhouden en misschien eens een likje verf geven. Pandeigenaren denken erover om gezamenlijk groot onderhoud uit te voeren.”

“De ondernemers en de politie zullen ook vaker met elkaar contact hebben om sneller duidelijk te hebben hoe incidenten zijn ontstaan en hoe ze de volgende keer kunnen worden voorkomen.”

Is de privacy van de bezoekers eigenlijk wel gewaarborgd?
“Hoewel we veel gegevens verzamelen, zullen we nergens persoonsgegevens vergaren of opslaan. Daarin zijn we ook niet geïnteresseerd. We werken samen met de afdeling Law and Technology van de Universiteit van Tilburg om privacygevoelige zaken goed te behandelen.”

“En mensen moeten zich er van bewust zijn dat ze meedoen in een experiment als ze door Stratumseind lopen. Dit project heeft al vaak in de lokale media gestaan, maar jongeren volgen het nieuws niet goed. We kunnen misschien borden ophangen met de tekst ‘U wordt gesensord’.”

Hebben jullie al de interesse gewekt van partijen buiten Eindhoven?
“Andere gemeenten zijn erg geïnteresseerd in wat we doen. Leeuwarden, Utrecht en Breda bijvoorbeeld hebben al bij ons geïnformeerd. En Tilburg ook. Daar is elk jaar een grote kermis en zij willen graag weten hoe je mensenmassa’s kan sturen. Wij willen onze kennis delen. Die komt voor iedereen beschikbaar.”

Op: NUzakelijk, 14 december 2013

Koolmonoxidezaak zorgt voor opschudding in installatiewereld

Een koolmonoxidevergiftiging in Meppel in 2010 waarbij twee mensen om het leven kwamen heeft voor flink wat opschudding gezorgd in de installatiewereld. Vanuit de branche zijn nieuwe installatierichtlijnen opgesteld en oude discussies zijn opnieuw opgelaaid. Op 19 februari staan de bedrijven Loodsluis en Rendo voor de rechter in Assen op verdenking van dood door schuld.

Tijdo van der Zee — geüpdatet op 20 februari 2015

Jaarlijks sterven in Nederland gemiddeld 11 mensen aan de gevolgen van koolmonoxidevergiftiging. Nog eens 150 slachtoffers belanden in het ziekenhuis. Meestal gaat het dan om oude, verkeerd afgestelde ketels met een open systeem. Het ongeval in Meppel baarde opzien doordat het om een nieuwe, gesloten installatie ging.

Bij die installatie werd de combinatie van een verkeerd afgestelde ketel en een losgeraakte rookgasafvoer de bewoners fataal. Het verhaal spitst zich toe op de rookgasafvoer, mede omdat het OM geen strafvervolging inzet voor de verkeerde ketelafstelling. Praktijksituatie 16 - slecht aangesloten rookgasafvoersysteem

Wat er precies fout ging, wordt vooralsnog niet openbaar gemaakt. Het Openbaar Ministerie geeft de rapporten niet vrij. Woningcorporatie Woonconcept, eigenaar van de woning in Meppel, geeft geen inzage in haar kopie van het rapport, net zomin als Loodsluis en Rendo. Installatiebedrijf Loodsluis weigert verder ieder commentaar. Rendo wil wel een korte toelichting geven aan Gawalo.

Schuld

Helmut Feringa, manager algemene zaken van Rendo, het bedrijf dat de controle op de installatie uitvoerde, betwist de schuld van zijn bedrijf. Volgens Feringa heeft Rendo namelijk gewoon aan de afspraak voldaan. “Wij hebben met woningcorporatie Woonconcept afgesproken alle zichtbare componenten van de installatie te controleren. Die controle hebben we conform de eisen verricht. Voor een deel liggen de zaken daarom anders dan ze tot nu toe voorgesteld zijn.” Rendo wordt in de zaak verdedigd door advocaat Michel Janssen van Trip Advocaten.

Juridisch en technisch expert Peter Coppes, van adviesbureau C+B, kan zich in die redenatie wel vinden. “Laat ik voorop stellen dat ik dit specifieke geval niet ken”, zegt hij. “Maar de zaak tegen Rendo is wel heel interessant. Hoogstwaarschijnlijk heeft Rendo gecontroleerd op basis van de NTA 8025. Ik ken namelijk geen andere beoordelingsmethode. En die lijst is zoiets als een APK voor woningen: er wordt alleen gekeken naar een aantal punten die op de lijst staan. Controleurs zullen dus nooit alles meenemen bij hun inspectie. Heel boeiend dit.”

Het probleem in Meppel lijkt te zijn ontstaan door een verkeerde bebeugeling van de kunststof parallelle rookgasafvoer. Dat leidt daarom tot nieuwe discussies over beugels, kunststof en parallelle systemen.

Beugels

Om te beginnen bij de beugels. Mede naar aanleiding van het drama in Meppel heeft de Rogafa, de vereniging van Nederlandse fabrikanten van rookgasafvoer, in februari 2012 een campagne gelanceerd ‘Het Nieuwe Beugelen’. Belangrijkste boodschap daarin is: beter teveel beugelen dan te weinig. In principe moet er bij kunststof systemen om elke mof een nieuwe beugel. Om het makkelijk en veilig te maken is er een checklist opgesteld, waarbij installateurs de belangrijke voorschriften kunnen afvinken.

Of deze checklist al zijn vruchten afwerpt is niet geheel duidelijk. Sieger Volkers, lid van de Rogafa en directeur van fabrikant Burgerhout. “Los van Meppel, want die situatie ken ik niet, zien wij dat installaties niet altijd voldoen aan de voorschriften. De partijen die rookgasafvoersystemen leveren weten natuurlijk ook heel goed hoeveel beugels zij leveren. Daar kan je een verhouding in zien. Wij leveren meer beugels dan voorheen, maar nog te weinig. Er wordt dus nog steeds te weinig gebeugeld.”

Jan Mondria, directeur van rookgasafvoerfabrikant Breman IJsselmuiden, voegt daar aan toe: “Er is niks aan de hand als installateurs de juiste montagewijze aanhouden. Maar wij zien dat dat niet gebeurt. Bij kunststof systemen moet je heel vaak beugelen. En ook nog eens met speciale beugels. Naast dat er te weinig gebeugeld wordt, gebruiken installateurs ook vaak de verkeerde beugels.”

Uitzetting

Probleem bij kunststof is dat het bij verhitting tot wel acht keer meer uitzet dan aluminium. Installateurs moeten daar bij de montage rekening mee houden door de pijp na hem in elkaar geschoven te hebben weer een stukje terug te trekken om uitzetting mogelijk te maken. Mondria: “Een kunststof systeem kruipt langzaam uit elkaar, als een slak. Bij de tweede generatie verbindingen – dat zijn klikverbindingen – is het risico dat het uiteindelijk uit elkaar valt veel kleiner. Maar het blijft noodzakelijk om veel te beugelen. Op de juiste manier gemonteerde kunststofsystemen zijn veilig. Toch hebben wij als bedrijf gekozen voor aluminium, met staande systemen, die niet in elkaar zakken.”

Volkers voegt daar aan toe: “Zowel aluminium als kunststof zijn veilig. Maar ze hebben andere eigenschappen. Kunststof zet inderdaad meer uit. Daar moet je bij de bebeugeling rekening mee houden. Wij houden sinds kort daarom samen met groothandels sessies over de juiste montagewijze voor installateurs. Om hun kennis op hoger niveau te brengen. Ook hebben we een app gelanceerd, met een heel duidelijke instructiefilm voor parallelle kunststof systemen. Daar zie je heel duidelijk hoe je moet beugelen.”

En dan is daar ten slotte de oude discussie over parallelle versus concentrische systemen. Bij een concentrisch systeem zit de afvoerbuis in de aanvoerbuis, waardoor eventuele koolmonoxide niet direct in de woning terechtkomt, maar in de aanvoerbuis en van daaruit weer in de ketel. Volkers: “Parallel en concentrisch zijn allebei veilig, zolang de handleidingen goed gevolgd worden. Maar Nederland bevindt zich wel in een uitzonderingspositie. Ons bedrijf levert namelijk in heel Europa bijna uitsluitend concentrische systemen. Alleen in Nederland leveren wij voornamelijk parallelle systemen. Dat is raar. Maar Nederlanders staan bekend om hun zuinigheid en concentrisch is iets duurder. In Nederland hebben we ketels die geschikt zijn voor concentrisch. Maar daar zetten we een adapter op om tweepijps te gaan en vervolgens maken we die in het dak weer concentrisch. We doen al langer ons best om concentrisch hier van de grond te krijgen. En dat blijven we doen.”

Ook branchevereniging UNETO-VNI reageerde op de strafvervolging naar aanleiding van Meppel. De branchevereniging benadrukt dat installateurs altijd de installatievoorschriften moeten navolgen. “De vereniging heeft haar leden herhaaldelijk over deze voorschriften geïnformeerd.” Volgens UNETO-VNI is er onvoldoende toezicht op naleving van de voorschriften en normering. “Daarom heeft de installateursvereniging de afgelopen jaren bij de overheid herhaaldelijk aangedrongen op een wettelijk verplichte veiligheidsinspectie van installaties. Naar aanleiding van de uitspraak van het OM zal UNETO-VNI dit verzoek wederom krachtig bij de overheid onder de aandacht brengen.”

De zaak ‘Meppel’

In december 2010 overleden twee inwoners van een pas gerenoveerde flat aan de in Meppel aan de gevolgen van koolmonoxidevergiftiging. Kort na het incident werd een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door het Openbaar Ministerie om te bekijken of er strafbare feiten zijn gepleegd en wie hiervoor verantwoordelijk is. Pas twee jaar later, in december 2012, maakte het OM de eis bekend: dood door schuld.

Uit het onderzoek, onder meer uitgevoerd door Kiwa, bleek dat het vrijkomen van de koolmonoxide kon plaats vinden door een combinatie van een verkeerd afgestelde cv-ketel en een ondeugdelijke installatie van de rookgasafvoerbuis, waardoor deze buis los is komen te liggen. Het OM kon niet vaststellen wie verantwoordelijk is voor het verkeerd afstellen van de cv-ketel, zodat er hier geen vervolging plaats zal vinden.

Dat gebeurt wel bij de fouten in de rookgasafvoer. In het onderzoek hiernaar zijn 24 verdachten naar voren gekomen maar uiteindelijk worden hiervan twee verdachten strafrechtelijk vervolgd: Loodsluis en Rendo. In totaal zijn er in dit onderzoek 26 verdachten gehoord. Tegen de overige 24 verdachten stelt het OM geen vervolging in omdat zij niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden.

Het OM stelt strafvervolging in tegen de rechtspersonen van de twee bedrijven, waarbij Loodsluis de rookgasafvoer heeft aangelegd en Rendo die installatie moest controleren. Er worden geen leidinggevende personen of medewerkers van de bedrijven vervolgd. Het OM vindt dat de wijze van werken van de bedrijven heeft bijgedragen aan het dodelijke ongeval en vervolgt daarom voor dood door schuld. De straf bedraagt maximaal 19.000 euro per bedrijf.

Naar aanleiding van de zaak ‘Meppel’, schreef VROM-inspectie in november 2011 15 gemeenten een brief, waarin gewaarschuwd werd voor eventuele fouten bij de montage van verwarmingsketels en rookgasafvoeren in woningen door installatiebedrijf Loodsluis.

Gepubliceerd in GAWALO, 2013

Update 20 februari 2015

De rechter in Assen heeft Loodsluis en Rendo op 18 februari 2015 veroordeeld tot het betalen van een geldboete ter hoogte van 75.000 euro. De rechtbank acht bewezen dat de bedrijven schuldig zijn aan het overlijden van de slachtoffers.

Loodsluis heeft er onvoldoende op toegezien dat haar werknemers op de hoogte waren van het correct en volgens de voorschriften van de fabrikant te installeren kunststof rookgastoevoeren. Door het niet volledig beugelen van de rookgasafvoer van de woning in Meppel is de rookgasafvoer losgeraakt.

De cv-combiketel stootte rookgassen uit met een zeer hoge concentratie koolmonoxide. De koolmonoxide is vervolgens gerecht gekomen in de woning, waar de slachtoffers lagen. Rendo, dat verantwoordelijk was voor de controle van de geïnstalleerde gasafvoer, heeft volgens de rechtbank de controle onvoldoende uitgeoefend.

De rechter heeft een hogere boete opgelegd dan eigenlijk mogelijk is. Hoe dat kan blijkt uit de tekst van het requisitoir:

“In deze zaak zijn de verdachten rechtspersonen. Dat betekent dat er alleen een geldboete geëist kan worden. De maximale straf voor zowel dood door schuld als voor overtreding van de Woningwet is een geldboete van de 4e categorie. Op basis van art 23 lid 7 van het wetboek van Strafrecht kan die maximum straf voor een rechtspersoon verhoogd worden tot een geldboete van de naast hogere categorie, indien een boete van de 4e categorie geen passende bestraffing oplevert. In geval is het OM van mening dat een geldboete van de 4e categorie – die ten tijde van het feit 19.000 euro was – geen passende bestraffing oplevert. Daarom wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 23 lid 7 Sr. Biedt. Dat betekent dat een geldboete van de 5e categorie – en die was ten tijde van het feit maximaal 76.000 euro – geëist mag worden.”

Zwakke gasschakel in meterkast aangepakt

Kunststof gasleidingen in de meterkast moeten voortaan voorzien worden van een beschermende mantelbuis. Deze maatregel is een eerste resultaat van het overleg tussen betrokken instanties na  een heftige meterkastbrand in een woning in Maassluis deze zomer. Over bestaande installaties is echter nog geen besluit genomen.

De nieuwe maatregel zal in december worden opgenomen in de praktijkrichtlijn NPR 3378-5 en NPR 3378-6, die de aanleg van gasleidingen na de gasmeter beschrijft. Volgens normeninstituut NEN betekent dit dat installateurs naar alle waarschijnlijkheid vanaf januari volgens het nieuwe voorschrift moeten werken.

Twee gaten in de PE-aansluitleiding

Directe aanleiding voor de herziening van NPR 3378 is een meterkastbrand op 11 augustus in een nieuwbouwwoning (oplevering 2008) in de buurt Het Hoge Licht in Maassluis. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond onderzocht het gevaarlijke incident en maakte een reconstructie.

De brand ontstond door een slecht functionerende aardlekschakelaar, waardoor er plaatselijk een hoge weerstand was, wat weer zorgde voor oververhitting, waarna de groepenkast vlam vatte. Brandende delen uit de groepenkast vielen vervolgens op de kunststof PE-X-binnenleiding ( in dit geval van het merk Rehau Rautitan gas flex). Deze smolt, gas ontsnapte en vatte vlam.

Uitschuifbare mantel

Door de hitte zakten uiteindelijk ook de PVC-buitenmantel en de kunststof zegelkap van de aansluitleiding voor de gasmeter naar beneden, waardoor de PE-binnenleiding bloot kwam te liggen. Dit kon gebeuren doordat het een uitschuifbare mantel betrof, waardoor de buis makkelijker op maat te maken is. De strip die het uitgeschoven deel op zijn plek moest houden werd door de brandweer niet terug gevonden. In de PE-binnenleiding ontstonden twee gaten van ongeveer een centimeter doorsnede, waaruit het gas onder grote druk ontsnapte. Vanaf dit moment was er een groot risico op een gasexplosie. De brandweer wist echter op tijd het vuur te blussen en de gasleiding provisorisch met tape dicht te plakken.

Deze brand staat niet op zichzelf, melden de onderzoekers van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in het rapport. Vorig jaar vond er in dezelfde veiligheidsregio in het dorp Rhoon een soortgelijke brand plaats. En “ook elders in het land zijn hiervan voorbeelden bekend”, zo stellen zij.

De installatie was aangelegd volgens de richtlijn NPR 3378-5. Hierin staat namelijk dat PE-X ‘bereikbaar weggewerkt’ moet zijn, in de grond verwerkt of weggewerkt in vloer, muur of onbereikbare ruimte, waarbij een vrij liggende leiding in een mantelbuis wordt beschouwd als een ‘weggewerkte bereikbare leiding’. Maar dit wegwerkvoorschrift geldt niet voor de meterkast.  “In de meterruimte mag de [PE-X, red.] buis in het zicht liggen en behoeft niet te zijn voorzien van een mantelbuis”.

Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond vindt dit onacceptabel. “De praktijkrichtlijn houdt met deze uitzondering onvoldoende rekening met een brand die in de meterkast zelf ontstaat.”

Op 6 november kwamen de betrokken normcommissies, Netbeheer Nederland, Kiwa, Uneto-VNI en Brandweer Nederland samen om het geval te bespreken. Uitkomst is een bemanteling van de PE-X (of Multilayer) binnenleidingen in de meterkast. De partijen hebben ook afgesproken de zaak wat breder te gaan onderzoeken, waarbij “de risico’s voor en achter de meter in kaart worden gebracht”, aldus Arie de Jong, clustermanager Gas & Water bij NEN. “Dan nemen we echt alles mee.” Precieze data en onderzoeksvragen hebben de partijen echter nog niet vastgesteld.

Nieuwe gevallen

Volgens De Jong geldt de nieuwe richtlijn in eerste instantie alleen voor nieuwe gevallen. “Over bestaande gevallen hebben we nog geen ei gelegd.” Wat daarbij speelt zijn voornamelijk twee zaken. Ten eerste is het duur om een bestaande leiding een mantel wikkelen. “In nieuwe installaties zijn de meerkosten daarentegen verwaarloosbaar.” Een tweede probleem is dat NEN liever geen specifieke fabrikanten van brandwerend materiaal wil aanprijzen. De Jong: “We moeten het zo omschrijven dat niemand zich buitengesloten voelt.”

De Jong wil benadrukken dat mensen met een kunststof gasleidinginstallatie zich niet ineens veel zorgen hoeven te maken. “Het risico is beperkt. Dit is echt geen tikkende tijdbom. Ik kan me wel voorstellen dat het bewoners oplossingen willen zien.”

In de meterkast is de woningeigenaar verantwoordelijk voor de installatie achter de meter. De verantwoordelijkheid van de meter zelf en de aansluitleiding tot de meter ligt bij de netbeheerder. Ook netbeheerders mogen werken met kunststof leidingen. Zij werken met PE leidingen, maar die moeten wel voorzien zijn van een mantelbuis, die “in verreweg de meeste gevallen van PVC is gemaakt”, laat Martijn Boelhouwer van Netbeheer Nederland weten.

Kunststof gasleidingen zijn toegestaan vanaf 2001. Sinds die tijd zijn ruim 700.000 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Op verzoek van Gawalo vroeg Netbeheer Nederland aan de netbeheerders het aantal woningen met kunststof gasaansluitingen. Bij elkaar gaat het om 263.653 stuks, zo blijkt.

Hoeveel woningen voorzien zijn van een kunststof binnenleiding is niet te achterhalen. Dick Reijman van Uneto-VNI: “Het is lastig om een indicatie te geven van het aantal kunststofleidingen in de meterkast, maar het zal al snel gaan om circa een half miljoen woningen. Kunststofleidingen zijn momenteel het meest gangbaar, maar percentages zijn lastig te geven.” Uneto-VNI laat verder weten achter de eerste uitkomsten van het overleg te staan.

Gepubliceerd in GAWALO 2012

Invoering slimme gasmeter in volle gang

De uitrol van de slimme gasmeter is in volle gang. Hoe werkt deze meter eigenlijk precies? En loopt de invoering van het apparaat volgens plan? Gawalo zocht het uit.

De vaart zit er goed in met de installatie van de slimme meters. Begin dit jaar startte de kleinschalige uitrol door de netbeheerders, die tot 2014 duurt en ongeveer 500.000 huishoudens een nieuwe gasmeter en elektriciteitsmeter moet opleveren. Vanaf 2014 zullen dan hele woningblokken tegelijk aangepakt worden in wat de grootschalige uitrol heet.

Die grote stappen moeten de netbeheerders ook wel maken. Vanuit Brussel komt namelijk de eis dat in 2020 80 procent van de Nederlandse woningen voorzien is van slimme meetkastjes. De netbeheerders moeten overigens wel netjes vragen of de klant slimme meters wenst. Het politieke debat over mogelijke privacyschendingen heeft namelijk als uitkomst gekregen dat de slimme meter alleen op vrijwillige basis geïnstalleerd mag worden. Het aantal weigeraars ligt volgens Netbeheer Nederland op 2 à 3 procent.

slimme gasmeter

Maar ook kleinschalige uitrol is dus niet zo kleinschalig. Netbeheerders plaatsen nu overal slimme meters als de oude aan vervanging toe is. Ook bij renovatieprojecten en nieuwbouw zetten installateurs standaard een slimme meter terug. Daarnaast zijn er nog de zogenoemde ‘prioriteitsaanvragen’, slimme meters die worden aangevraagd door particulieren die niet willen wachten en het nu al leuk vinden om ‘smart’ met energie om te gaan.

Elektriciteitsmeter is de hub

In de meterkast is de slimme elektriciteitsmeter de dominante eenheid, de hub. De gasmeter stuurt elk uur een signaal naar de elektriciteitsmeter, die op zijn beurt de verbruikgegevens van zowel de gasmeter als de elektriciteitsmeter eens in de twee maanden doorgeeft aan de netbeheerder. De netbeheerder stuurt die gegevens tweemaandelijks naar de energieleverancier en ook nog één keer per jaar voor de jaarrekening. De elektriciteitsmeter moet technisch in staat zijn om de gegevens elk kwartier te meten en dagelijks door te geven aan de netbeheerder.

Om deze functionaliteit te gebruiken moet de energieleverancier wel uitdrukkelijk toestemming hebben gekregen van de afnemer. Martijn Boelhouwer, woordvoerder van Netbeheer Nederland geeft aan dat datacommunicatie relatief veel energie kost en daarom niet elk kwartier plaatsvindt “Met tien slimme meters is dat goed te doen, maar met tien miljoen?”

De elektriciteitsmeter stuurt zijn gegevens door naar de netbeheerder via een GPRS-verbinding, met een zelfde soort signaal dat we kennen van mobiele telefoons. Dit is niet enige mogelijkheid, ook communicatie via de stroomkabel (Power Line Communication, ofwel PLC) en via internet is mogelijk. In Nederland is gekozen voor de eerste optie.

De verbinding met de netbeheerders is slechts een van de verbindingen van de slimme-elektriciteitsmeter-hub. Hij maakt uiteraard ook verbinding met de gasmeter. Dit kan draadloos, via een soort Bluetooth verbinding. Deze optie komt van pas wanneer het gas op een andere plek – via de achtertuin bijvoorbeeld – het huis binnen komt. Hierbij kan een chip in beide meters ervoor zorgen dat alleen communicatie tussen de twee apparaten mogelijk is. Andere toestellen krijgen geen toegang tot het kleine netwerk. Een andere verbindingsoptie is communicatie via een snoertje. Dat kan alleen als de gas- en elektriciteitsmeter in dezelfde kast hangen.

Veiligheid

De vraag rijst her en der of het niet veel handiger zou zijn om de gasmeter en de elektriciteitsmeter te integreren in één duometer. Maar die vlieger gaat niet op. Alles wat met gas te maken heeft, moet zo ver mogelijk van stroom vandaan blijven, om de doodeenvoudige reden dat een vonkje door bijvoorbeeld een kortsluiting een flinke explosie kan veroorzaken. Maar aangezien er in de slimme gasmeter toch – zwakstroom – digitale elektronica is ingebouwd, moet er wel een elektrische voeding zijn. Die komt in de vorm van een batterij met een lange levensduur. Leverancier Landis + Gyr claimt dat de batterij in hun gasmeter 20 jaar mee gaat.

De elektriciteitsmeter heeft nog meer vertakkingsmogelijkheden. Zo staat in de voorschriften dat de elektriciteitsmeter al klaar moet zijn voor aansluiting van de meter voor stadswarmte en de watermeter. Niettemin zal het nog jaren duren voordat de politiek hier serieus zijn tanden in zal zetten. Ten slotte is er nog de verbinding met voor de consument misschien wel het meest zichtbare onderdeel van het slimme energienetwerk: de domotica, en meer in het bijzonder het energieverbruiksdisplay. Dit is het gedeelte van het netwerk dat is vrij gegeven voor de markt.

Deze domotica krijgt de energiegegevens – in tegenstelling tot de netbeheerder – wél ‘near real time’ doorgestuurd van de elektriciteitsmeter. Maar dat geldt alleen voor de stroom. Het gasverbruik kan niet vaker dan eens per uur doorgegeven worden, vanwege de doorgiftebeperkingen. Een energieleverancier die op de een of andere manier deze domotica-gegevens wil gebruiken om specifieke contractaanbiedingen te doen begeeft zich op glad ijs. Alleen de gegevens die naar de netbeheerder worden verzonden zijn namelijk gevalideerd.

Al deze bovengenoemde verbindingen krijgen codes mee die beginnen met de letter ‘p’. P1 is de poort die de verbinding mogelijk maakt met de domotica. P2 is de verbinding tussen gasmeter en elektriciteitsmeter, P3 is de verbinding met de netbeheerder en P4 ten slotte is de verbinding tussen de netbeheerder en de energieleverancier.

2.2 vs 4.0

De eisen die de overheid aan de slimme meter stelt worden steeds strenger. De meters die in 2012 worden geïnstalleerd, voldoen aan de eisen DSMR (Dutch Smart Meter Requirements) 2.2 plus. Vanaf januari 2013 gaat de DSMR 4.0 gelden. Het verschil is dat in de 4.0 meter een temperatuurscorrectie in de gasmeter komt, waardoor bij een variatie in temperatuur een verrekening plaats vindt voor een verandering in calorische waarde per volume-eenheid, ook wordt de beveiliging nog iets aangescherpt (fraudedetectie in de meter zelf) en kan er bij de meter 4.0 op het display het actuele verbruik worden afgelezen en ook of het op afstand uitlezen aan of uit staat.

Nederlandse woningen worden nu nog voorzien van DSMR 2.2 plus meters van de drie leveranciers Landis + Gyr, Itron en Elster. Zij hebben hun 4.0-versie al klaar en deze worden nu uitgebreid getest door de gezamenlijke netbeheerders. In september moet deze test zijn afgerond. Het is overigens nog niet zeker of het lukt om begin 2013 massaal van start te kunnen met meter 4.0. Martijn Boelhouwer van Netbeheer Nederland wil niet zeggen dat de planning niet gehaald wordt, maar een volmondig ‘ja’ komt er ook niet over zijn lippen. “Het wordt krap. Laten we wachten tot na de test. Pas dan kunnen we met recht en rede zeggen of het lukt. Er moet in ieder geval niks meer mis gaan.”

Leveranciers

Vorig jaar juni koos Netbeheer Nederland de drie leveranciers Landis + Gyr, Itron en Elster na een zogenoemde ‘concurrentiegerichte dialoog’, een soort tender waarbij opdrachtgever en opdrachtnemers samen brainstormen over de inhoud van de uiteindelijke opdracht. Itron en Landis + Gyr leveren zowel elektriciteitsmeter als gasmeter. Elster levert alleen de gasmeter. Landis + Gyr is de enige gasmeter die nu ook al gebruikt wordt door netbeheerders. De meter van Landis + Gyr is ook de enige die gebruik maakt van ultrasone techniek. Die van Itron en Elster zijn balgenmeters.

Het is nu nog niet helemaal duidelijk welke netbeheerder met welke meter gaat werken en vooral ook hoeveel meters van welk merk de netbeheerders krijgen. De verdeling gaat volgens een methode die ‘allotment procedure’ heet. Het komt er op neer dat Netbeheer Nederland straks van elke leverancier een bepaald aantal meters afneemt. Het aantal hangt af van de prijs en de kwaliteit van de meter. Nadat deze beslissing is gemaakt zijn eerst de kleine netbeheerders zoals Westland Infra en Intergas aan de beurt. Zij mogen een of twee meters naar hun smaak uitkiezen. Het restant wordt vervolgens in een gelijke verhouding verdeeld over de grote netbeheerders.

Het kan dus zijn dat grote netbeheerders straks twee meters in hun pakket hebben zitten, maar drie is ook mogelijk. Eén is niet erg waarschijnlijk. De netbeheerders mogen vervolgens zelf beslissen welke meter ze waar installeren. Volgens Martijn Boelhouwer van Netbeheer Nederland vinden netbeheerders het wel prettig om meerdere meters te kunnen leveren. “Dat maakt ze minder afhankelijk van leveranciers.”

Monteurs 

Netwerkbedrijf Enexis schakelt zo nu en dan extra aannemers in om het werk aan te kunnen, maar de meeste plaatsingen doet het bedrijf met de bestaande aannemers en werknemers. “Het gaat meestal om vervangingen die anders ook gedaan moesten worden. Verschil is dat we nu meteen twee meters plaatsen als er eigenlijk maar één vervangen hoeft te worden”, zegt Fons Jansen, manager Slimme Meters bij Enexis.

De twee voornaamste problemen waar de monteurs mee te maken krijgen zijn verschillen in de hard-op-hardafstand (afstand tussen aanvoer- en afvoerleiding) en aansluitdiameters die te groot of te klein zijn. “Bij een te grote hard-op-hardafstand moet er een koppelstuk tussen gefit worden. En fitwerk mag een monteur niet doen. Vaak constateert hij pas ter plekke dat dit het geval is en dan moet hij eerst iemand anders langs laten komen”, aldus Jansen. Behalve deze problemen is er zo nu en dan sprake van ruimtegebrek. En een enkele keer blijkt de afstand tussen de gasmeter en de elektriciteitsmeter zo groot, dat zelfs een draadloze oplossing niet toereikend is. “Dan plaatsen we geen slimme gasmeter.” De komst van de meter 4.0 baart Jansen niet al te veel zorgen. “Het gaat iets meer richting draadloos, maar zulke installaties zijn eerder eenvoudiger, dan die met een draadje.”

Politiek

Twee technische mogelijkheden van de slimme gasmeter werden dit jaar nog door de politiek onder de aandacht gebracht. Zo was er minister Maxime Verhagen, die wilde uitzoeken in hoeverre het ‘knijpen’ van de energietoevoer voor wanbetalers mogelijk was. Feit is dat de elektriciteitsmeter deze knijpmogelijkheid heeft. De gasmeter kan niet knijpen – al was het alleen maar uit veiligheidsoverwegingen – , maar hij heeft wel een op afstand bestuurbare open/dicht klep. Deze kan in geval van nieuwbouw voor nieuwe aansluitingen worden ingezet.

Dan was er nog het product van Johan van der Donk, die het ingenieuze plan had om brand-, rook, en CO-detectieapparatuur te koppelen aan de gasmeter. Deze zou bij een seintje automatisch kunnen worden uitgeschakeld. Kamerlid Paulus Jansen van de SP pakte het idee op en vroeg aan minister Liesbeth Spies of zij het ook wat vond. Spies zegde toe om Van der Donk en de netbeheerders met elkaar in contact te brengen. Martijn Boelhouwer van Netbeheer Nederland zegt dat de uitnodiging voor een nadere kennismaking inmiddels de deur uit is. “Maar dat is niet exclusief voor de heer Van der Donk hoor. We nodigen iedereen met een goed idee uit om met ons te komen praten.”

Verschenen in GAWALO, januari 2013 (p 31-33)